| - | |
advocaat op kantoor van zijn vader te Amsterdam, van 1812 tot 1842 (vooral cliëntele onder grote handelshuizen en scheepvaartmaatschappijen) |
| - | |
lid Provinciale Staten van Holland voor de landelijke stand (Meerkerk), van 3 juli 1832 tot 1 juli 1839 |
| - | |
lid Provinciale Staten van Noord-Holland voor de steden (Amsterdam), van 22 december 1840 tot 18 september 1848 |
| - | |
minister van Justitie, van 1 april 1842 tot 7 april 1844 |
| - | |
minister van Financiën ad interim, van 22 september 1843 tot 7 maart 1844 |
| - | |
minister van Financiën, van 7 maart 1844 tot 1 januari 1848 |
| - | |
ambteloos, wijdde zich aan studie teruggetrokken op buitenverblijf, van 1848 tot 1849 |
| - | |
buitengewoon lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Noord-Holland, van 18 september 1848 tot 7 oktober 1848 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amsterdam, van 13 februari 1849 tot 26 maart 1853 |
| - | |
minister van Buitenlandse Zaken, van 19 april 1853 tot 1 juli 1856 |
| - | |
minister van Rooms-Katholieke Eredienst ad interim, van 28 juni 1853 tot 7 september 1853 (hij beheerde dit departement wegens een bijzondere zending van minister Lightenvelt naar Rome) |
| - | |
minister van Financiën ad interim, van 6 januari 1854 tot 1 mei 1854 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Hoorn, van 20 september 1858 tot 23 februari 1860 |
| - | |
minister van Buitenlandse Zaken ad interim, van 23 februari 1860 tot 4 april 1860 (vanaf 8 maart 1860 als waarnemend minister belast met de zorg van dit departement, omdat Van Zuylen pas vanaf 4 april 1860 zijn ambt kon aanvaarden wegens verblijf in het buitenland) |
| - | |
minister van Financiën, van 23 februari 1860 tot 23 februari 1861 |
| - | |
ambteloos, vanaf 1861 (wijdde zich weer aan historische studie) |
| - | |
deken der Orde van Advocaten te Amsterdam, tot 1842 |
| - | |
lid Commissie van beheer van de nalatenschap van koning Willem II |
| - | |
voorzitter Hollandsche Maatschappij van Landbouw, van 1851 tot 1853 |
| - | |
kabinetsformateur, van 16 april 1853 tot 18 april 1853 (werd nog voor het aftreden van het kabinet-Thorbecke benoemd tot formateur) |
| - | |
voorzitter Hollandsche Maatschappij van Landbouw, van 1857 tot 1859 |
| - | |
kabinetsformateur, 1860 (zakenkabinet; medeformateur Van Heemstra) |
| - | |
Bracht in 1844 de Wet inzake een vrijwillige lening aan de Staat tot stand. Bezitters van f 100.000 werden verplicht deel te nemen in een lening. Door die wet kon de staatsschuld worden gesaneerd. Als 'stok-achter-de-deur' dreigde Van Hall met invoering van een inkomstenbelasting. |
| - | |
Bracht in 1845 een nieuwe Tariefwet tot stand, die leidde tot een zekere liberalisering van het handelsverkeer |
| - | |
Bracht in 1860 samen met minister Van Heemstra de Wet tot aanleg van spoorwegen voor rekening van de Staat tot stand (de exploitatie van spoorwegen bleef in handen van particuliere maatschappijen). Er werden door de staat spoorwegen aangelegd van Arnhem via Zwolle naar Leeuwarden, van Harlingen via Groningen naar de grens, van Groningen naar Meppel, van Zutphen via Enschede naar de grens, van Maastricht via Eindhoven naar Breda, van Roosendaal naar Vlissingen, van Venlo naar de grens, van Utrecht via 's-Hertogenbosch naar Boxtel, van Rotterdam naar het Hollands Diep, van Moerdijk naar Breda en van Amsterdam via Zaandam naar Den Helder. |
| - | |
Een ministerschap werd ontraden door zijn vader en schoonvader. Werd daarentegen aangespoord een benoeming te aanvaarden door J.J. Rochussen. |
| - | |
Trad in 1847 af als minister, omdat hij vond dat de voorstellen tot Grondwetsherziening niet genoeg tegemoet kwamen aan de roep om staatkundige veranderingen |
| - | |
Tegelijkertijd minister van Financiën ad interim bereidde hij de afschaffing van de belasting op het gemaal voor |
| - | |
Afgetreden in 1856 na onenigheid over de wens van de Koning om meer reactie en diens pleidooi voor een andere oplossing voor de onderwijskwestie. Vroeg ontslag in januari 1856 "om rust te krijgen", na aanvankelijke weigering werd het ontslag in juni verleend. |
| - | |
Afgetreden in 1861 naar aanleiding van onenigheid in de ministerraad over het voorzitterschap; zijn collegae weigerden Van Halls voorzitterschap na een jaar te verlengen |
| - | |
Levensbericht door R. van Boneval Faure, in: Levensberichten van leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1868, 137 |
| - | |
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel VII, 517 |
| - | |
J.G. Gleichman, "Mr. F.A. van Hall als minister" (1904) |
| - | |
L.C. Suttrop, "F.A. van Hall en zijn constitutioneele beginselen" (1932) |
| - | |
M.W. Jurriaanse, "De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken 1813-1900" |
| - | |
Ned. Patriciaat, 1975 |