![]() |
voornamen |
personalia |
partij/stroming |
loopbaan |
| - | advocaat te Amsterdam, van 1837 tot 1842 | |
| - | substituut-Officier van Justitie te Amsterdam, van 1842 tot 30 maart 1846 | |
| - | raadsheer Provinciaal Gerechtshof in Noord-Holland, van 30 maart 1846 tot 20 februari 1860 | |
| - | lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amsterdam, van 13 februari 1849 tot 20 augustus 1850 | |
| - | lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amsterdam, van 7 oktober 1850 tot 26 april 1853 | |
| - | lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amsterdam, van 14 juni 1853 tot 20 februari 1860 | |
| - | minister van Justitie, van 21 februari 1860 tot 1 februari 1862 | |
| - | lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amsterdam, van 15 september 1862 tot 1 oktober 1866 | |
| - | lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amsterdam, van 24 november 1866 tot 3 januari 1868 | |
| - | lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amsterdam, van 25 februari 1868 tot 13 januari 1870 | |
| - | lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amsterdam, van 11 december 1871 tot 22 september 1881 |
| - | minister van Staat, van 10 maart 1881 tot 25 juni 1882 (vanwege totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht) |
nevenfuncties |
| - | lid Raad van Commissarissen Nederlandsche Rhijn-Spoorweg Maatschappij, omstreeks 1858 | |
| - | president Hoofdcommissie tot de zaken der Israëlieten |
opleiding |
| - | studie Atheneum Illustre te Amsterdam | |
| - | Romeins en hedendaags recht (gepromoveerd op dissertatie) Hogeschool te Leiden, van 12 juni 1832 tot 31 mei 1837 |
activiteiten |
| - | Interpelleerde in 1865 minister Olivier over het zwijgsysteem in de strafgevangenis te Woerden | |
| - | Interpelleerde in 1874 minister Geertsema over de toestand van de werken aan het Noordzeekanaal | |
| - | Diende in 1879 met Lenting en Patijn een voorstel in tot wijziging van het Reglement van Orde, waardoor al voorafgaande aan de schriftelijke voorbereiding van het ontwerp-Wetboek van Strafrecht rapporteurs konden worden benoemd. Deze werden bij loting over de afdelingen verdeeld. Dit voorstel werd in oktober 1879 aangenomen. | |
| - | Een door hem ingediend (en aangenomen) amendement op de wet inzake de besmettelijke ziekten voerde de verplichte vaccinatie in | |
| - | Speelde als Kamerlid een belangrijke rol bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht |
| - | Stemde in 1868 vóór de motie-Blussé van Oud-Alblas | |
| - | Stemde in 1872 tegen de ontwerp-Wet op de inkomstenbelasting van minister Blussé |
| - | De door hem in 1861 tot stand gebrachte Wet op de rechterlijke organisatie werd nooit ingevoerd |
| - | Bracht in 1861 de Wet op de Raad van State tot stand. Deze wet regelde de samenstelling en bevoegdheden van de Raad van State, waarvan de koning voorzitter is. De Raad bestond uit een vice-president en veertien staatsraden. De Prins van Oranje had vanaf zijn achttiende jaar van rechtswege zitting in de Raad. Er konden ten hoogste vijftien staatsraden in buitengewone dienst worden benoemd. Over alle wetsvoorstellen en maatregelen van inwendig bestuur moest de Raad advies uitbrengen. Voorstellen tot vernietiging van besluiten van Provinciale of Gedeputeerde Staten of van gemeentebesturen werden aan de Raad voorgelegd. Er kwam een afzonderlijke afdeling voor het onderzoek van geschillen van bestuur. Adviezen van de Raad van State aan de koning vielen onder de ministeriële verantwoordelijkheid, waardoor de Raad geen privé-raad van de vorst(in) werd. |
wetenswaardigheden |
| - | Werd in 1852 door het kabinet-Thorbecke voorgedragen als opvolger van minister Nedermeijer van Justitie | |
| - | De koning maakte aanvankelijk bezwaar tegen deze kandidatuur, onder meer vanwege het feit dat Godefroi Jood was, maar stemde uiteindelijk toe. Bedankte echter vanwege zijn gezondheidstoestand voor de eer. |
| - | Eerste joodse minister uit de geschiedenis | |
| - | Leed aan doofheid. Maakte zich de stenografie eigen, zodat hij het stenogram nog tijdens het debat kon lezen. | |
| - | Zijn vader was commissionair |
| - | Werd vanaf 1848 steeds in de eerste stemmingsronde gekozen. Behaalde enkele malen van alle in kandidaten in zijn district de meeste stemmen. |
| - | minister van Justitie, februari 1866 (bedankt) |
| - | Commandeur in de Orde van de Eikenkroon, 1854 | |
| - | Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 23 november 1860 |
publicaties/bronnen |
| - | Lavater jr., "Politieke Photografien van de aftredende leden der Tweede Kamer" (1879) | |
| - | Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel IV, 661 |
familie/gezin |
| personalia |
||
| partij/stroming |
||
| loopbaan |
||
| nevenfuncties |
||
| opleiding |
||
| activiteiten |
||
| wetenswaardigheden |
||
| publicaties/bronnen |
||
| familie/gezin |
||