| - | |
redacteur C.H.-dagblad "De Nederlander", van 1892 tot 1908 |
| - | |
lid gemeenteraad van Rotterdam, van 12 september 1901 tot 20 februari 1908 |
| - | |
lid Provinciale Staten van Zuid-Holland, van 13 juni 1902 tot 8 mei 1920 (1902-1919 voor het kiesdistrict Ridderkerk) |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Schiedam, van 4 november 1907 tot 17 september 1918 |
| - | |
lid Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, van 11 februari 1908 tot mei 1920 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 september 1918 tot 30 augustus 1921 |
| - | |
burgemeester van Arnhem, van 8 mei 1920 tot 28 juli 1921 |
| - | |
minister van Financiën, van 28 juli 1921 tot 11 augustus 1923 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 juli 1922 tot 18 september 1922 |
| - | |
minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw, van 4 augustus 1925 tot 8 maart 1926 |
| - | |
minister van Financiën, van 8 maart 1926 tot 26 mei 1933 |
| - | |
voorzitter van de ministerraad, van 8 maart 1926 tot 8 augustus 1929 |
| - | |
fractievoorzitter CHU Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 28 april 1933 tot 10 augustus 1939 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 9 mei 1933 tot 10 augustus 1939 |
| - | |
lid Provinciale Staten van Zuid-Holland, van 2 juli 1935 tot 10 augustus 1939 |
| - | |
minister van Financiën, van 10 augustus 1939 tot 3 september 1940 |
| - | |
minister van Algemene Zaken ad interim, van 10 augustus 1939 tot 3 september 1940 |
| - | |
voorzitter van de ministerraad, van 10 augustus 1939 tot 3 september 1940 |
| - | |
regeringsafgevaardigde naar Nederlands-Indië, november 1940 |
| - | |
lid Staatscommissie inzake de evenredige vertegenwoordiging (Staatscommissie-Oppenheim), van 19 november 1913 tot 25 mei 1914 |
| - | |
lid Centrale Commissie voor de Drinkwatervoorziening, vanaf 25 juni 1916 (nog in 1921) |
| - | |
lid Centraal Stembureau, van 1918 tot 1920 |
| - | |
lid Staatscommissie inzake algehele herziening der Gemeentewet (Staatscommissie-Oppenheim), van 6 december 1918 tot september 1920 |
| - | |
lid Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening (Staatscommissie-Ruys de Beerenbrouck), van 20 december 1918 tot 27 december 1920 |
| - | |
lid Centrale Commissie voor de Statistiek, omstreeks 1920 |
| - | |
informateur, van 19 juli 1922 tot 22 juli 1922 (geheime opdracht) |
| - | |
kabinetsformateur, van 1 maart 1926 tot 4 maart 1926 |
| - | |
kabinetsformateur, van 4 augustus 1939 tot 9 augustus 1939 |
| - | |
lid College van Curatoren Rijksuniversiteit Groningen, van 12 september 1935 tot 19 augustus 1939 |
| - | |
lid Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening (Staatscommissie-De Wilde), van 24 januari 1936 tot 8 juni 1936 |
| - | |
lid Staatscommissie inzake concentratie van scholen voor bijzonder lager onderwijs, van 4 april 1936 tot 16 december 1936 |
| - | |
voorzitter Staatscommissie inzake toezicht op particuliere banken, van 7 maart 1937 tot 11 oktober 1939 |
| - | |
Bracht in 1922 samen met de ministers Ruijs de Beerenbrouck, De Visser en Van Dijk de Pensioenwet tot stand. Deze regelt de pensioenvoorziening voor ambtenaren van Rijk, gemeente, provincie, waterschappen, Raden van Arbeid, de Rijksverzekeringsbank en Kamers van Koophandel. Ook onderwijspersoneel en beambten van aan de overheid gelieerde bedrijven vallen onder de wet. Pensioen wordt uitgekeerd aan ambtenaren vanaf hun 65ste en bij invaliditeit, en aan weduwen en wezen van ambtenaren. De pensioenvoorziening wordt ondergebracht in het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Dit wordt bestuurd door de Pensioenraad. |
| - | |
Bracht in 1926 de Bioscoopwet tot stand (verdedigde deze ook in de Eerste Kamer hoewel hij geen minister van Binnenlandse Zaken meer was). Deze wet maakte gemeentelijke voorschriften voor filmvoorstellingen aan personen onder de 18 jaar mogelijk en voerde de mogelijkheid van gemeentelijke nakeuring (naast de verplichte rijkskeuring) van films voor volwassenen in. |
| - | |
Bracht in 1926 de Motorrijtuigenbelastingwet tot stand, waarbij de wegenbelasting werd ingevoerd waarvan de opbrengsten ten goede kwamen aan het wegenfonds. De belasting werd geheven van motorrijtuigen op grond van het gewicht van de voertuigen. De in 1924 tijdelijk ingestelde rijwielbelasting werd een blijvende retributie. |
| - | |
Bracht in 1927 de Comptabiliteitswet tot stand. Hiermee werd uitvoering gegeven aan een grondwettelijke bepaling die al in 1848 was opgenomen. De wet legde het reeds gehanteerde repressieve stelsel vast: de uitgaven werden gecontroleerd, nadat ze waren gedaan. Twistpunten tussen de Rekenkamer en de regering over een uitgave werden aan de Staten-Generaal voorgelegd. Ook de door de Rekenkamer goedgekeurde rijksrekening moet aan de Staten-Generaal worden voorgelegd. Het ledental van de Algemene Rekenkamer werd teruggebracht van zeven naar vijf. De Rekenkamer mag zelf aanbevelingen doen bij vervulling van vacatures. De maximum leeftijd voor het lidmaatschap werd 70 jaar. De centrale rol van de minister van Financiën bij het opstellen van de begroting werd vastgelegd; hij krijgt de bevoegdheid om voorschriften te geven voor de inrichting van de begroting(en). Aan de miljoenennota werd een wettelijke basis gegeven. |
| - | |
Bracht in 1928 samen met minister Kan de Natuurschoonwet tot stand. Deze wet biedt eigenaren van landgoederen die onder de wet vallen, vermindering van belasting indien zij hun landgoed onderhouden. De wet heeft alleen betrekking op met bossen bezette landgoederen. |
| - | |
Bracht in 1929 samen met minister Kan de Financiële-Verhoudingswet tot stand, waarbij onder meer het Gemeentefonds wordt ingesteld. De gemeentelijke inkomstenbelasting werd vervangen door een Gemeentefondsbelasting waaruit het Gemeentefonds werd gevoed. Daarnaast werden er 50 opcenten op de vermogensbelasting geheven. De gelden uit het Gemeentefonds werden verdeeld op basis van vijfjaarlijks vast te stellen uitgaven voor onderwijs, politie en armenzorg en het gemiddelde inkomen per inwoner in een gemeente. |
| - | |
Bracht in 1931 de Wet op de bezine-accijns tot stand en wetten tot verhoging van het invoertarief tot stand voor thee, tabak en benzine |
| - | |
Eén van de eerste rechtse politici die voor algemeen kiesrecht en vrouwenkiesrecht pleitte |
| - | |
Werd in september 1912 als tweede op de voordracht voor het Tweede-Kamervoorzitterschap gezet. Zat regelmatig de avondvergaderingen voor, omdat Voorzitter Van Nispen zich vanwege zijn gezondheid moest beperken tot het leiden van de dagvergaderingen. |
| - | |
Werd in september 1918, 1919 en 1920 als derde op de voordracht voor het Tweede-Kamervoorzitterschap gezet |
| - | |
Verklaarde in 1919 al in het C.H.-blad "De Nederlander" het wenselijk te vinden dat de SDAP regeringsverantwoordelijkheid zou gaan dragen |
| - | |
Kwam kort voor het einde van de formatie in 1922 terug op zijn toezegging om wederom minister van Financiën te worden vanwege bezwaren tegen de financiering van de Vlootwet. Was alsnog bereid de post te aanvaarden na de toezegging dat een staatscommissie de financiering zou onderzoeken. |
| - | |
Trad in op 18 juli 1923 onverwacht af als minister van Financiën in verband met bezwaren tegen de voorgestelde financiering van de vlootuitbreiding (Vlootwet). Had hierover geen overleg gevoerd met geestverwanten. |
| - | |
Gaf een dag na zijn ontslagaanvrage in een interview met het Algemeen Handelsblad uitleg over zijn beweegredenen om ontslag te vragen |
| - | |
Had vrijwel geen belangstelling voor buitenlandse politiek en liet het lidmaatschap van de commissie voor Buitenlandse Zaken over aan Tilanus |
| - | |
Ging onmiddelijk na de beëdiging van zijn tweede kabinet (augustus 1939) op vakantie in Duitsland. Keerde later terug naar zijn buitenhuis bij Arnhem, maar was op de beslissende kabinetsvergadering over het afkondigen van de mobilisatie afwezig. |
| - | |
Bood in augustus 1939 en nogmaals in december van dat jaar Colijn aan de leiding van zijn kabinet over te nemen, vanwege diens grotere internationale prestige. In beide gevallen weigerde Colijn. |
| - | |
Hield in november 1939 een radiotoespraak waarin hij stelde dat er evenmin als bij de mobilisatie in september 1939 een direct gevaar bestond dat ons land bij de oorlog zou worden betrokken |
| - | |
Stelde op 10 mei 1940 de proclamatie op, waarin de koningin en kabinet krachtig protesteerden tegen de Duitse aanval |
| - | |
Was na de Duitse veroveringen overtuigd dat Duitsland lange tijd de dienst zou uitmaken op het Europese vasteland |
| - | |
Hield in mei 1940 een rede voor de BBC waarin hij Nederlandse burgers en ambtenaren opriep mee te werken met de Duitse bezettingsautoriteiten. Die rede was zonder overleg met zijn ambtgenoten tot stand gekomen. |
| - | |
Was na de Franse nederlaag voorstander van het sluiten van een afzonderlijke vrede met Duitsland |
| - | |
Zijn ontslag in 1940 kwam vooral tot stand onder druk van Koningin Wilhelmina |
| - | |
Vertrok op 5 november 1940 naar Nederlands-Indië met de opdracht een onderzoek in te stellen naar de financiële verhouding tussen Nederland en Nederlands-Indië, speciaal met het oog op de naoorlogse toestand |
| - | |
Ging echter via Lissabon en Berlijn terug naar bezet Nederland, waarna hij onder meer de brochure 'De synthese in den oorlog' publiceerde |
| - | |
Naar aanleiding van zijn houding en optreden in de oorlog veroordeelde de Bijzondere Raad van Cassatie hem op 29 oktober 1947 tot 1 jaar gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar |
| - | |
Groningen (jeugdjaren) |
| - | |
Rotterdam (jeugdjaren) |
| - | |
Velp (Gld.) (jeugdjaren) |
| - | |
Rotterdam, Oostzeedijk 53, van 1901 tot 1908 |
| - | |
's-Gravenhage, Johan van Oldenbarneveltlaan 65, van 1908 tot 1915 |
| - | |
's-Gravenhage, Prins Mauritslaan 71, van 1915 tot 14 mei 1920 |
| - | |
Arnhem, Sonsbeekweg 18, van 14 mei 1920 tot juli 1920 |
| - | |
Arnhem, Velperweg 37, van juli 1920 tot september 1925 |
| - | |
's-Gravenhage, Prins Mauritslaan 61, van 1925 tot november 1942 |
| - | |
Soest, Kerkstraat 15, van november 1942 tot 27 november 1960 (mocht vanaf 1947 niet zonder toestemming de gemeente Soest verlaten) |
| - | |
"De grenslijn tusschen opzet en schuld" (dissertatie, 1895) |
| - | |
"De beginselen der rechterzijde", in "Onze Eeuw" (1901) |
| - | |
"Hoe te stemmen?" (1918) |
| - | |
"De staatsfinanciën" (1924) |
| - | |
"Nieuwe stroomingen getoetst aan het oude beginsel" (1933) |
| - | |
"De toekomst van de Volkenbond" (1938) |
| - | |
"Religie en staatkunde" (1939) |
| - | |
"De synthese in den oorlog" (mrt. 1942) (brochure, uitgegeven bij D. van Sijn en zonen te Rotterdam) |
| - | |
"Van lang vervlogen dagen" (1949) |
| - | |
"Collectieve veiligheid of collectieve zelfmoord" (1950) (brochure) |
| - | |
"Als de avondklok luidt" (1953) |
| - | |
"Hou en trouw tot het einde" (1953) |
| - | |
"Herinneringen" (1959) |
| - | |
"Evenwicht of rechtsherstel" (1960) |
| - | |
L. de Jong, "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog", deel I, 612-617 |
| - | |
G. Puchinger, "Nederlandse minister-presidenten van de twintigste eeuw" (1984) |
| - | |
J. Bosmans, "Geer, jhr. Dirk Jan de (1870-1960)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel III, 181 |
| - | |
H. van Osch, "Jonkheer D.J. de Geer. De teloorgang van een minister-president" (2007) |
| - | |
Onze Afgevaardigden, 1909 en 1913 |