| - | |
kamerheer van koning Lodewijk, vanaf 25 augustus 1808 |
| - | |
kamerheer van keizer Napoleon Bonaparte, vanaf 1810 |
| - | |
lid municipaliteit van Amsterdam |
| - | |
wethouder van Amsterdam, van 1 juli 1810 tot 1813 |
| - | |
lid Provinciale Staten van Noord-Holland voor de landelijke stand (Muiden), van 3 juli 1821 tot 19 oktober 1824 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie (Noord-)Holland, van 19 oktober 1824 tot 20 oktober 1840 |
| - | |
voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 22 oktober 1829 tot september 1830 |
| - | |
lid Eerste Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Noord-Holland, van 13 februari 1849 tot 20 augustus 1850 |
| - | |
In 1828 één van de drie Noord-Nederlanders die tegen de begroting voor 1829 stemde |
| - | |
Beantwoordde in 1830 de vraag of tot scheiding van Noord en Zuid moest worden overgegaan met "ja" |
| - | |
Behoorde in 1831 tot de 20 leden die tegen een wetsvoorstel stemden over een vrijwillige en verplichte geldlening |
| - | |
Behoorde in 1833 tot de minderheid die vóór een wetsvoorstel tot verhoging van de accijns op steenkolen stemde. Het wetsvoorstel werden verworpen met 34 tegen 15 stemmen. |
| - | |
Behoorde in 1834 tot de acht leden die vóór het verworpen wetsvoorstel tot vaststelling van de grondbelasting 1835 stemden |
| - | |
Stelde in januari 1840 met vier anderen aan de Tweede Kamer voor om de gewenste wijzigingen van de Grondwet in de vorm van een wetsvoorstel aan de koning aan te bieden |
| - | |
In 1845 spraken hij, De Kempenaer en Luzac zich in de Tweede Kamer als enigen uit voor onbeperkte handelsvrijheid |
| - | |
Behoorde in 1847 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel over het stemrecht in steden en op het platteland stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 27 stemmen verworpen. |
| - | |
Stemde in 1848 tegen hoofdstuk IX (van de waterstaat) van de Grondwetsherziening |