| - | |
advocaat en procureur te Dordrecht, van 1930 tot mei 1943 |
| - | |
ambtenaar ministerie van Sociale Zaken te Londen, 1943 (verbindingsman met het Militair Gezag) |
| - | |
minister zonder portefeuille, belast met het terugkeerbeleid (voorbereiding van het herstel van het bestuur na de bevrijding), van 11 augustus 1943 tot 31 mei 1944 |
| - | |
minister van Binnenlandse Zaken, van 31 mei 1944 tot 27 januari 1945 |
| - | |
president Tribunaal, arrondissement Dordrecht, vanaf september 1945 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 20 november 1945 tot 16 september 1962 |
| - | |
waarnemend fractievoorzitter PvdA Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 15 januari 1951 tot september 1951 (in verband met ziekte van Donker) |
| - | |
fractievoorzitter PvdA Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 3 september 1952 tot 16 september 1962 |
| - | |
lid Eerste Kamer der Staten Generaal, van 5 juni 1963 tot 1 oktober 1970 |
| - | |
lid Europees Parlement, van 20 oktober 1966 tot 29 september 1970 (aangewezen door de Staten-Generaal) |
| - | |
lid Raad van State, van 1 oktober 1970 tot 1 september 1979 |
| - | |
fractiesecretaris PvdA Tweede Kamer der Staten-Generaal, van juni 1946 tot juli 1948 |
| - | |
vicefractievoorzitter PvdA Tweede Kamer der Staten-Generaal, van juli 1948 tot september 1952 |
| - | |
lid partijbestuur PvdA, van 1953 tot 1962 |
| - | |
politiek leider PvdA, van 22 december 1958 tot 16 september 1962 |
| - | |
vicefractievoorzitter PvdA Eerste Kamer der Staten-Generaal, van september 1968 tot 1 oktober 1970 |
| - | |
lid werkgroep PvdA inzake herziening parlementair stelsel, van 1966 tot april 1967 |
| - | |
voorzitter kandidaatstellingscommissie PvdA Tweede-Kamerverkiezingen 1967 |
| - | |
lid PvdA-studiegroep "Een politiek voor vrede", van februari 1967 tot september 1967 |
| - | |
secretaris afdeling Instituut voor Arbeidersontwikkeling |
| - | |
lid Raad van Advies Landelijk Comité voor Rechtszekerheid, van januari 1946 tot 1947 |
| - | |
kantonrechter-plaatsvervanger te Dordrecht, van 1948 tot 1952 |
| - | |
correspondent Bureau voor arbeidsrecht NVV (Nederlands Verbond van Vakverenigingen) |
| - | |
voorzitter VARA (Vereniging van Arbeiders-Radio Amateurs), van 5 november 1949 tot 22 april 1966 |
| - | |
lid Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad, van 1949 tot januari 1957 |
| - | |
kabinetsformateur, van 25 mei 1955 tot 2 juni 1955 (na de zgn. Huurwetcrisis) |
| - | |
informateur, van 21 september 1956 tot 9 oktober 1956 |
| - | |
lid Pacificatiecommissie voor de omroepkwestie, van 30 december 1963 tot 1965 |
| - | |
voorzitter Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad |
| - | |
gedelegeerde bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties |
| - | |
lid Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad, omstreeks 1967 |
| - | |
lid Noord-Atlantische Assemblée tot 1970 |
| - | |
lid Defensiecommissie, omstreeks 1968 tot 1970 |
| - | |
lid Comité-Monnet |
| - | |
informateur, van 1 februari 1973 tot 3 april 1973 |
| - | |
kabinetsformateur, van 23 april 1973 tot 11 mei 1973 (samen met Ruppert) |
| - | |
lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van januari 1951 tot september 1951 |
| - | |
lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1952 tot september 1962 |
| - | |
voorzitter West-Indische Commissie (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van november 1952 tot september 1953 |
| - | |
ondervoorzitter vaste commissie voor Overzeese Rijksdelen (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1953 tot september 1956 |
| - | |
ondervoorzitter vaste commissie voor Binnenlandse Zaken (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1953 tot september 1956 |
| - | |
voorzitter vaste commissie voor de Binnenlandse Veiligheidsdienst (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1953 tot 25 september 1962 |
| - | |
voorzitter Commissie van Voorbereiding ontwerp-Oorlogswet voor Nederland (Tweede Kamer der Staten-Generaal), vanaf maart 1961 |
| - | |
voorzitter vaste commissie voor de Europese Samenwerkingsorganisaties (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van 23 juni 1970 tot 1 oktober 1970 |
| - | |
lid afdeling Defensie (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling Verkeer en Waterstaat (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling Landbouw en visserij (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling geschillen van bestuur (Raad van State) |
| - | |
Hield zich in de Tweede Kamer onder meer bezig met binnenlandse zaken en justitie (onder andere perszuivering). Bleef ook als fractievoorzitter nog tot 1955 justitie-woordvoerder. |
| - | |
Interpelleerde in 1948 minister Gielen over het beleid inzake de perszuivering |
| - | |
Was in 1951 woordvoerder van zijn fractie bij de behandeling van het wetsvoorstel Buitengewone Bevoegdheden Burgerlijk Gezag |
| - | |
Interpelleerde in 1952 minister Donker over de gratieverlening voor Lages. Door hem vrij onverwacht een interpellatie toe te staan, werd de CPN-fractie de mogelijkheid daartoe onthouden. |
| - | |
Was in 1957 één van de woordvoerders van zijn fractie bij de behandeling van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het E.E.G.-verdrag |
| - | |
Was in 1957 één van de woordvoerders van zijn fractie bij de behandeling van de ontwerp-Deltawet |
| - | |
Interpelleerde in 1959 minister-president De Quay over de opvolging van minister Van den Bergh als minister van Defensie |
| - | |
Interpelleerde in 1960 minister Van Rooy over de conferentie over de lonen in het personenvervoer op de weg |
| - | |
Was woordvoerder defensie van de PvdA-Eerste-Kamerfractie |
| - | |
Kreeg op 25 mei 1955 de opdracht tot reconstructie van het kabinet. Formuleerde een voorstel over het gerezen geschil over de (verworpen) Huurwet, dat op 31 mei en 1 en 2 juni in het kabinet werd besproken. Dat overleg en overleg met de betrokken fractievoorzitters leidde op 2 juni tot de advisering aan het staatshoofd het kabinet om intrekking van zijn ontslagaanvrage te vragen, hetgeen gebeurde. |
| - | |
Werd op 21 september 1956 verzocht een onderzoek in te stellen naar mogelijkheden tot samenstelling van een kabinet. Nadat overleg in Parijs tussen hem en Romme vóór 21 september al had geleid tot het wegwerken van de laatste programmatische verschillen (m.n. over de bezitsvorming), werkte hij vooral aan de zetelverdeling en personele bezetting. Doordat de VVD uiteindelijk afzag van een kabinetspost (Verkeer en Waterstaat waarvoor Korthals was benaderd) kon aan de ARP een tweede zetel worden toebedeeld. Voor het vice-premierschap werd Struycken aangezocht. Op 9 oktober bracht Burger eindrapport uit, waarin geadviseerd werd Drees te belasten met de formatie. |
| - | |
Kreeg op 1 februari 1973 de opdracht tot het vormen van een kabinet, dat in voldoende mate steun in de volksvertegenwoordiging kon ondervinden. Stuurde aan op een kabinet-Den Uyl van PvdA, PPR en D'66, en zo mogelijk aangevuld met christen-democraten. Op programmatisch gebied streefde hij naar het overbruggen van de voornaamste geschilpunten tussen de verkiezingsprogramma's van progressieven en christen-democraten. Het progressieve programma 'Keerpunt'72' zou worden geactualiseerd. Op 19 februari resulteerde dit in een door hem ontworpen basisakkoord. Op 27 februari verklaarde minister Boersma bereid toe te treden tot een kabinet-Den Uyl. Een dag later sloot De Gaay Fortman sr. zich hier - onder voorwaarden - bij aan. De besprekingen met de fractievoorzitters van ARP, KVP en CHU resulteerden erin dat laatstgenoemde partij op 22 maart verklaarde zich terug te trekken uit de formatie-onderhandelingen. Toen er twijfel ontstond over deelname van KVP'ers, omdat door de KVP de confessionele programmatische inbreng onvoldoende achtte, vroeg Burger op 4 april ontheffing van zijn opdracht. |
| - | |
Op 23 april 1973 kregen hij en Ruppert de opdracht tot het vormen van een kabinet, dat in voldoende mate steun in de volksvertegenwoordiging kon ondervinden. Op basis van de conclusies van de informateurs Van Agt en Albeda kon de formatie van het kabinet-Den Uyl worden voltooid. De CHU kon zich niet vinden in de voorgestelde zetelverdeling en haakte definitief af. Onder leiding van Burger en Ruppert werden op 3 mei in een preconstituerend beraad mogelijke geschilpunten door de kandidaat-ministers opgelost. De formatie kon hierna op 11 mei worden afgerond. |
| - | |
Ging in november 1944 als één van de kwartiermaker-ministers naar het bevrijde Zuid-Nederland en verbleef daar geruime tijd om het lokale bestuur te helpen herstellen. Kwam hierbij regelmatig in conflict met het Militair Gezag. |
| - | |
Werd door minister-president Gerbrandy ontslagen vanwege een door hem voor Radio Herrijzend Nederland (in bevrijd Nederland) op 14 janunari 1945 gehouden radiorede over de wijze waarop volgens hem de zuivering en berechtiging van "foute" Nederlanders moest geschieden. Hij vond dat onderscheid moest worden gemaakt tussen "foute" Nederlanders en Nederlanders die fouten hadden gemaakt. Gerbrandy deelde hem op 24 januari in Londen, kort voor een extra vergadering van de ministerraad, mee dat hij ontslagen was. Later werd dit pro forma omgezet in een ontslag op verzoek. Burger stelde dat door hem geuite kritiek op het Militair Gezag de achterliggende reden voor zijn ontslag was. |
| - | |
Werd in september 1951 en juli 1952 als tweede op de voordracht voor het Tweede-Kamervoorzitterschap gezet |
| - | |
Kwam tijdens de algemene beschouwingen op 4 oktober 1961 in ernstige botsing met minister Cals toen hij suggereerde dat Cals steunpunt in het kabinet was van de groep-Rijkens. Dat was een groep van industriëlen die aanstuurde op een vergelijk met Indonesië over Nieuw-Guinea. In een 'persoonlijk feit' eiste Cals dat Burger zijn woorden zou terugnemen, hetgeen hij een dag later ook deed. Dit incident staat bekend als de 'Calsburgeroorlog'. |
| - | |
Trad af als fractievoorzitter, nadat vanuit de partij en door "Het Parool" kritiek was geuit op zijn wijze van oppositievoeren. Burger wilde dat het partijbestuur "Het Parool" zou verzoeken hiervan af te zien, dan wel zich meer zou profileren als onafhankelijk dagblad, zonder banden met de PvdA (in het Stichtingsbestuur zaten diverse vooraanstaande PvdA'ers). Het partijbestuur was in meerderheid echter niet bereid tot die stap. |
| - | |
In het Europees Parlement actief in de afdelingen Verenigde Naties, comité-Monnet, Beneluxraad, raad van socialistische partijen in de E.E.G. |
| - | |
Was in april 1971 in het alternatieve kabinet-Den Uyl/Van Mierlo/Aarden minister van Defensie |
| - | |
Schreef als informateur heldere brieven aan met name de christen-democratische fractievoorzitters, waarmee hij hen dwong een duidelijke keuze te maken voor deelname aan een kabinet-Den Uyl. De CHU haakte daarbij uiteindelijk af. De brieven werden (deels) uitgegeven door Gerda Brautigam ("Gedogen, schreef hij, gaat van au."). |