Regionale representativiteit

10 augustus 2018, column Bert van den Braak

Het Nederlandse parlement kent van oudsher in beide Kamers leden uit alle delen van het land, maar er is een dominantie van Randstedelingen. Regionaal herkenbare afgevaardigden zijn altijd wenselijk gevonden, maar dit specifieke aspect van representatie lijkt wel aan gewicht te verliezen. De Staatscommissie denkt na over oplossingen, maar vraag is wat haalbaar is. Voor partijen met minder dan twintig zetels is het moeilijk om recht te doen aan alle 'spreidings'verlangens, zoals man/vrouw, jong/oud, nieuwkomer/autochtoon en generalist/specialist. De voorkeursdrempel van 25 procent van de kiesdeler biedt wel kansen op een succesvolle campagne voor regionale kandidaten. Camiel Eurlings , Annie Schreijer-Pierik en Maurits von Martels werden via die weg Kamerlid en Pieter Omtzigt handhaafde zich.

Toen Thorbecke in 1850 zijn Kieswet ontwierp, benadrukte hij dat (Tweede) Kamerleden het gehele land en niet een bepaalde provincie, regio of stad vertegenwoordigden. De grenzen van de kiesdistricten werden, anders dan sommigen wilden, niet gekoppeld aan de provinciegrenzen. Dat nam niet weg dat sommige streken sterker hechtten aan 'eigen' afgevaardigden. Dat gold zeker voor regio's die ver van Den Haag lagen of die zich achtergesteld voelden, zoals Groningen, Drenthe, Limburg, Zeeuws-Vlaanderen en Noord-Brabant.

Al spoedig bleek dat het soms wenselijk was een niet-streekgebonden persoon te kandideren, bijvoorbeeld omdat er in diens eigen omgeving geen kans op verkiezing was. Het bekendste voorbeeld is uiteraard Thorbecke (Zwollenaar, maar woonachtig in Den Haag), die na de protestantse Aprilbeweging alleen gekozen kon worden via de districten Breda en Maastricht. Later was hij afgevaardigde voor Deventer, Groningen en Assen. Zijn geestverwant, de uit Leiden afkomstige De Fremery was in 1851 overigens al gekozen via het district Steenwijk. Toen er landelijke partijen kwamen, werd de toedeling van kansrijke districten aan prominente kandidaten nog gebruikelijker. De Leidenaar Aalberse was afgevaardigde voor Almelo, de Groningse liberaal Goeman Borgesius werd vanaf 1891 gekozen door respectievelijk Zutphen, Enkhuizen, Rotterdam I en Emmen. De socialist Albarda (geboren Fries en woonachtig in Den Haag) was afgevaardigde voor het district Enschede.

Na invoering van de evenredige vertegenwoordiging, met een lijstenstelsel, was het lang gebruikelijk dat er per kieskring (of groep daarvan) een afzondelijke lijst kwam. Landelijke lijsttrekkers waren lang eerder uitzondering dan regel (Troelstra en Nolens waren dat bijvoorbeeld nooit). Door die regionale lijsten was regionale spreiding bijna vanzelfsprekend. Wel gold toen uiteraard dat katholieken oververtegenwoordigd waren in Noord-Brabant en Limburg en nauwelijks Kamerleden hadden uit bijvoorbeeld de drie noordelijke provincies. Voor ARP en CHU gold juist het omgekeerde. Er was een sterke relatie tussen 'aanhang' en 'afgevaardigden'. Liberalen en vrijzinnig-democraten hadden altijd wel een Groninger en Noord-Hollander in hun gelederen, omdat zij daar nu eenmaal veel aanhang hadden.

Vanaf de jaren zestig werd landelijke kandidaatstelling gebruikelijker, al kenden KVP en PvdA nog wel lijsten per landsdeel. Bij de VVD wisselde deels de volgorde van kandidaten, waarmee regionale verbondenheid werd benadrukt. Tussen 1971 en 1989 had de PvdA zelfs een geheel regionaal opgezette kandidaatstelling, waarbij er wel een landelijk lijsttrekker was, maar gewesten de lijsten samenstelden. Ook toen kwam het voor dat een prominent lid werd 'toebedeeld' aan een lijst. De in Den Haag woonachtige Jan Pronk stond in 1986 op de Limburgse lijst, Utrechtenaar Jaap van der Doef werd in 1982 gekozen via de Zeeuwse lijst.

Er zijn zeker provincies die hechten aan 'eigen' vertegenwoordigers. Herkenbaarheid en 'benaderbaarheid' van Kamerleden zijn aspecten die aandacht verdienen. Denkbaar is dat partijen hun kandidaten na verkiezing zelf een regio toewijzen. De mogelijkheden om iets wettelijks op te leggen, zijn echter zeer gering. Of worden gekozenen straks gedwongen naar 'hun' regio te verhuizen? Vraag is hoe dat moet bij fracties met slechts drie of vier leden. En dan: wat is een specifieke regiovertegenwoordiger. Hoe zit dat bij de in Limburg geboren Amsterdamse Lilianne Ploumen , bij de in Goes wonende Joba van den Berg (geboren in Utrecht) of bij Achterhoeker Tom van der Lee , die in Amsterdam woont?

Als partijen verstandig zijn, dan zorgen ze zelf voor goede regionale spreiding. Waar dat onvoldoende gebeurt, biedt verkiezing via voorkeurstemmen een goed alternatief. Als op die wijze bij verkiezingen ineens bijvoorbeeld veel Friezen of veel Brabanders worden gekozen, dan zullen partijen dat bovendien ongetwijfeld meewegen bij de volgende kandidaatstelling.

Deze column is de zevende uit een reeks die collega Van den Berg en ik wijden aan de tussenrapportage van de Staatscommissie parlementair stelsel.


andere recente columns

10 augustus 2018
Regionale representativiteit - Bert van den Braak
Alleen partijen kunnen voor goede regionale spreiding van Kamerleden zorgen.
3 augustus 2018
Meer doordachte decentralisatie - J.Th.J. van den Berg
In de 'Tussenstand’ van de Staatscommissie parlementair stelsel sluipt de term ‘stelselverantwoordelijkheid’ binnen. Waar gaat het dan over?
27 juli 2018
Bestaand of nieuw terugzendrecht? - Bert van den Braak
Om tot kwalitatief goede wetgeving te komen, staan vele wegen open.