Een paradoxale beschermer van de democratie

11 mei 2018, column J.Th.J. van den Berg

Ooit, een halve eeuw geleden, beschuldigde een bezorgde gereformeerde dominee mij ervan dat ik wel erg ver afstond van de ‘Drie formulieren van Enigheid’ 1) en dat ik mij bovendien schuldig maakte aan ‘syncretisme’. Het waren de jaren van intensieve kennismaking met het Nederlandse protestantisme, vooral de meer orthodoxe varianten daarvan. Daartoe behoorden toen ook nog de (synodale) Gereformeerde Kerken. Om dominee van antwoord te kunnen dienen, moest ik eerst eens opzoeken wat dan wel die ‘formulieren van enigheid’ waren en voorts wat ‘syncretisme’ 2) nu eigenlijk was. Mijn roomse opvoeding had mij daar niet erg vertrouwd mee gemaakt. Het zal wel niet zijn bedoeling zijn geweest, maar ik heb van die dominee veel geleerd maar zonder mij iets van zijn kritiek aan te trekken.

De tijden mogen zijn veranderd maar ook weer niet helemaal. Bovengenoemde begrippen kwamen allemaal weer terug bij de lezing van ‘Mannen van Gods Woord. De Staatkundig Gereformeerde Partij 1918 – 2018’3) die door twee buitenstaanders werd geredigeerd, maar waaraan een aantal auteurs uit eigen kring bijzonder knappe en ook zelfkritische bijdragen hebben geleverd. Een bundel waarvan veel valt te leren over de allesbehalve statische geschiedenis van de SGP, die vaak als een monument van standvastigheid (maar ook onbeweeglijkheid) wordt gezien en beschreven. Uit het boek wordt wel duidelijk dat het oude ‘theocratische’ ideaal nog leeft, maar dat dit niet hoeft te betekenen dat de partij zich van haar omgeving isoleert. Voor een niet onbelangrijk deel heeft dat te maken met de sterke intellectuele ontwikkeling die de staatkundig gereformeerden juist de laatste kwart eeuw hebben doorgemaakt, mede dankzij hun eigen onderwijsinstellingen.

Wat immers ook opvalt is, dat de SGP het zichzelf lange tijd politiek-intellectueel niet moeilijk maakte: de Drie Formulieren van Enigheid waren de grondslag en het politieke programma stond in de kern compleet in art. 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, het gereformeerde credo zoals het was ontworpen tijdens de roemruchte synode van Dordrecht in 1618 – 1619.

Overheden waren volgens dat artikel het noodzakelijk kwaad, gevolg was van de zondeval. ‘En hun taak is niet alleen acht te nemen en te waken over het staatsbestuur, maar ook de hand te houden aan de heilige kerkendienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk van de antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen (…). Met valse godsdienst werd heel lang bedoeld: de katholieke kerk, ‘de hoer van Babylon’. Vandaar het systematische antipapisme van de SGP.

Het moet ds. H.G. Kersten, een der oprichters van de SGP, een sardonisch genoegen hebben bezorgd bij te dragen aan de beruchte ‘Vaticaancrisis’ in 1925, waarbij een kabinet van katholieken en protestanten onder H. Colijn struikelde over handhaving van een gezantschap bij het Vaticaan. Een eigen echte bijdrage aan politieke gedachtenvorming leverde het allemaal niet op. Dat is intussen wel anders geworden, al vergroot de intellectuele groei van de SGP wel het risico van ‘syncretisme’.

Als het beginselprogram van de SGP uit 2000 tot maatstaf wordt genomen, is er echter nog weinig ‘gevaar’. Nog immer staat de SGP op de onverkorte handhaving van art. 36 als opdracht aan alle overheden. Al is het gevaar van het katholicisme in de praktijk vervangen door dat van de Islam. De beginselen zoals die zijn geformuleerd maken de democratie niet tot een doel van staatkundig streven, maar hooguit tot instrument. Daarin doet de SGP denken aan de CPN, die de democratie wel aanvaardde, maar gedreven door motieven van opportuniteit in plaats van beginsel.

Intussen is de SGP in de praktijk een constructieve democratische partij geworden en is er ook twijfel denkbaar over de vraag of zij de politiek louter als noodzakelijk kwaad beschouwt. Wat blijft is de ‘reservatio mentalis’ uit art. 1 en 2 van het Program van Beginselen jegens de democratie als doel van politiek handelen.

Des te opmerkelijker is het, dat zowel Marcus Bakker in zijn nadagen als nu Kees van der Staaij (en eerder al Bas van der Vlies) in de Tweede Kamer paradoxaal als beschermheer optreden van dit instituut van de democratie. Moet je er gereserveerd tegenover staan om de waarde ervan echt onder ogen te zien?


  • 1) 
    Met de ‘Drie Formulieren van Eenigheid’ worden sinds de Gereformeerde Synode van Dordrecht (1616 – 1619) de geschriften bedoeld die de eenheid van de christelijke kerk gestalte moesten geven: 1. de Nederlandse Geloofsbelijdenis, in Dordt geformuleerd en ten dele het werk van de Franse Vlaming, Guido de Brès, 2. de Heidelberger Catechismus en 3. de Dordtse Leerregels, tijdens de synode vastgesteld en zich kerend tegen de remonstranten. Naar Guido de Brès is het wetenschappelijk instituut van de SGP genoemd.
  • 2) 
    Met ‘syncretisme’ wordt gedoeld op een zekere versmelting van religieuze waarden en overtuigingen die in vrijzinnige kring als normaal wordt beschouwd maar waar orthodoxe stromingen allergisch voor zijn. Zoals die dominee van vijftig jaar terug.
  • 3) 
    Gerrit Voerman en Hans Vollaard (red.), Mannen van Gods Woord. De Staatkundig Gereformeerde Partij 1918 – 2018, Hilversum: Verloren, 2018.

Andere recente columns