Minister van BZ: van diplomaat naar politicus

9 maart 2018, column Bert van den Braak

Ministers van Buitenlandse Zaken waren vaker dan andere bewindslieden onderwerp van biografieën en overzichtswerken en zij publiceerden ook zelf vaker memoires dan andere ministers. In 1974 verscheen van de hand van mevrouw M.W. Jurriaanse een boekje met biografische schetsen van de Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken in de negentiende eeuw. Dat kreeg in 1999 een vervolg met veel uitgebreidere beschrijvingen (inclusief beleidsdaden) van de ministers uit de twintigste eeuw. Over Stikker, Beyen, Luns en Van der Stoel verschenen gedegen biografieën. De goed geschreven biografie van Anet Bleich over Van der Stoel schetst niet alleen een mooi beeld van deze PvdA-politicus, maar ook van de Nederlandse buitenlandse politiek aan het einde van de twintigste eeuw.

Ministers van Buitenlandse Zaken zijn interessant en hadden vaak ook zelf genoeg interessants te melden. Eelco van Kleffens, Dirk Stikker, Johan Beyen en Ben Bot publiceerden hun memoires. 1) En voor een eerdere periode gaven de fraai uitgegeven dagboeken van de oud-liberale politicus W.H. de Beaufort, minister van Buitenlandse Zaken in 1897-1901, veel inzicht in de buitenlandse politiek rond 1900. 2) Opgemerkt kan nog worden dat van de hand van de diplomaat Pim Waldeck vorig jaar een biografie verscheen van M. van der Goes van Dirxland, de eerste minister van Buitenlandse Zaken. Daarin is te lezen hoezeer het 'jonge' Nederland toen speelbal was van Frankrijk.

Toch kun je stellen dat buitenlandse politiek tot 1940 een wat ondergeschoven kind was in politiek Den Haag. Gezien de neutrale positie, met goede handelsbetrekkingen als voornaamste doel, was dat niet zo vreemd. Het departement had een klein personeelsbestand en diplomatieke posten speelden minstens zo'n belangrijke rol als het ministerie van BZ aan (toen) het Plein. Het was in dat licht ook niet vreemd dat er onder de veelal adellijke ministers veel waren met diplomatieke ervaring. Hun politieke profiel was vaak nogal vaag, al stond daar tegenover dat soms de kabinetsleider de post Buitenlandse Zaken voor zijn rekening nam. Dat was bijvoorbeeld zo bij Van Hall (1853-1856), Graaf Van Zuylen van Nijevelt (1866-1868), Van Tienhoven (1891-1894) en Röell (1894-1897). Dat die combinatie mogelijk was is veelzeggend.

Beyen was in 1952 onze laatste partijloze minister. Eerder bleek een gering politiek profiel onder meer al uit de langdurige aanwezigheid van de liberaal Van Karnebeek in de hoofdzakelijk confessionele kabinetten na 1918. Gedachte aan continuering speelde overigens ook in de zomer van 1918 toen de confessionelen even overwogen de gezagvolle liberale minister Loudon te handhaven. En in 1937 was er even sprake van dat minister De Graeff, een partijloze liberaal, zou doorstromen naar het confessionele kabinet-Colijn IV. De Graeff was in 1933 minister geworden als vermeende CHU'er. Het verhaal ging althans dat de CHU veronderstelde dat hij tot hun kring behoorde. Geloofwaardiger is dat De Geer dat verhaal nodig had om te voorkomen dat de erg Colijn-gezinde J.C. Kielstra (wel CHU) op BZ zou komen.

Was in 1868 al eens de uit de journalistiek afkomstige Th.M. Roest van Limburg (nadien gezant in Washington) minister van BZ geworden - overigens een tamelijke mislukking - en in 1888 de conservatieve koopman Jhr. C. Hartsen, eerst in 1948 zorgde de komst van zakenman en VVD-voorzitter Stikker voor een ander type minister op BZ. Buitenlandse Zaken werd 'politieker'. Hoewel Luns een populair KVP-politicus was, liet pas de komst van Schmelzer in 1971 zien dat het politieke profiel inmiddels (vrijwel altijd) voorop stond bij de keuze van de minister van BZ. Dat bleek evenzeer uit de benoeming van Max van der Stoel in 1973, al dicht biografe Bleich hem terecht kwaliteiten als 'stille' diplomaat toe.

De moeite om een kandidaat te vinden, onder meer omdat ten onrechte werd gedacht dat Toxopeus niet beschikbaar was, leidde er in december 1977 nog wel toe dat diplomaat Chris van der Klaauw voor de VVD minister van BZ werd. Het werd geen groot succes. Hij voelde zich meer thuis op recepties dan in het parlement. Zou die 'ervaring' reden zijn geweest dat benoeming van een diplomaat nadien nauwelijks nog voorkwam (Bot was de uitzondering)? Anderzijds laat Sigrid Kaag zien, dat ook diplomaten uitstekende ministers kunnen zijn. Met de benoeming van Stef Blok wordt echter de lijn gevolgd dat een politicus op BZ (zoals Van den Broek, Verhagen, Timmermans en Koenders) 'veiliger' wordt gevonden dan een 'buitenstaander'. Al gold dat nou net weer niet voor Halbe Zijlstra.


  • 1) 
    Van Kleffens, Belevenissen I en II (1980-1983), Stikker, Memoires (1966) en Bot, Achteraf bezien. Memoires van een politieke diplomaat (2015)
  • 2) 
    Rijks Geschiedkundige Publicatiën: "Dagboeken en aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort 1874-1918", (bewerkt door J.P. de Valk en M. van Faasen, RGP kleine serie 73/74, 2 banden, 1993)

Andere recente columns

 



© PDC Informatie Architectuur - Alle rechten voorbehouden