Het vierde tijdvak

24 maart 2017, column Bert van den Braak

In de ontwikkeling van het partijwezen (na 1848) zijn globaal vier tijdvakken te onderscheiden. Het eerste tijdvak was dat van consolidatie van de hervormingen van 1848 en van economische modernisering. Voor de aanduiding 'het liberale tijdvak' is in die zin wel veel te zeggen, maar ondanks de prominente rol die Thorbecke speelde, was er geen dominerende liberale partij. Veeleer bepaalden 'pragmatische liberalen' 1) de koers. Daartoe behoorden ook gematigde conservatieven die zich neerlegden bij '1848' en bereid waren op onderdelen steun te geven aan hervormingen. Het was in 1886 zelfs de conservatief-zonder-partij Jan Heemskerk die de grondwetsherziening tot stand bracht; een herziening die de weg opende naar verdere democratisering. Een conservatieve partij was nooit van de grond gekomen. Pas in 1885 kwam er een weinig homogene Liberale Unie.

De conservatieven gingen als parlementaire stroming ten onder en hun kiezers verdeelden zich na 1870 deels over de rechtervleugel van de liberalen en deels over de opkomende confessionelen, waarvan de orthodox-protestanten zich in 1879 organiseerden in de ARP. Samen met de Katholieken legden zij de basis voor een nieuwe partijformatie, waarin de tegenstelling tussen confessioneel en niet-confessioneel centraal (Kuypers antithese) stond. In dat tweede tijdvak, tussen 1888 en 1918, was er, mede door uitbreiding van het kiesrecht, sprake van opkomst van emancipatie- of massapartijen. Wel versplinterde de liberale stroming, uitmondend in twee liberale partijen en een vrijzinnig-democratische partij. 'Links' (liberalen) en 'rechts' (confessionelen) regeerden afwisselend, waarbij het kiesstelsel vooral gunstig was voor de liberalen.

Vanaf 1918 tot omstreeks 1990 domineerden de aan zuilen gelieerde politieke partijen, met lang een leidende rol voor de christelijke partijen. Geruime tijd was er in dit derde tijdvak sprake van grote stabiliteit, waarin bij verkiezingen vaak enkele zetels verschoven. Het publieke, uiterlijke vertoon was groot, maar verhoudingen lagen feitelijk vast. Twee van de drie liberale (vrijzinnige) partijen verenigden zich in 1921 nog wel in één partij, de Liberale Staatspartij (de Vrijheidsbond), maar dat kon hun neergang niet stoppen. In 1937 had de partij nog slechts vier van de honderd zetels.

Na de Bevrijding kwam er vooral door de oprichting van de PvdA een zekere hergroepering, maar de 'doorbraak' van confessionele kiezers naar niet-christelijke partijen bleef uit. De herleefde liberale partij kreeg vanaf 1948 door oprichting van de VVD enig nieuw elan. Het was de ontzuiling vanaf de jaren zestig die tot teruggang leidde van de confessionelen en die ruimte gaf aan nieuwe partijen als D66, DS'70 en PPR. Daarnaast kwamen er kansen voor groei van VVD en PvdA. De VVD ging zich onder Wiegel bovendien op bredere maatschappelijke groepen richten. Die omstandigheden dwongen de drie christelijke partijen tot een proces van samenwerking, uitmondend in de fusie van 1980. Daarmee verdwenen de gevestigde partijen ARP, CHU en KVP, die lange tijd zo dominant waren geweest. Dat proces was op zichzelf wel succesvol, want de christendemocraten hervonden hun zelfvertrouwen en herstelden via het CDA hun macht.

Vanaf 1994 begon een geleidelijke teruggang van de dominerende partijen, waarbij vaak één partij in verkiezingen 'het haasje' was. In 2002 de PvdA, in 2006 (minder dramatisch) de VVD, in 2010 het CDA en nu dan opnieuw de PvdA. In 1989 hadden CDA, PvdA en VVD samen 125 zetels, nu nog slechts 61. De VVD wist zich overigens wel te handhaven met een zeteltal van tussen de 31 in 1994 en 41 in 2012. Het afnemen van het belang van ideologie maakte dat er ruimte kwam voor partijen met een specifieke doelstelling (dierenwelzijn, ouderen, directe democratie, migranten). Minstens zo kenmerkend voor dit vierde tijdvak werd dan ook de versplintering, met ruimte voor nieuwkomers als LPF, PVV, Partij voor de Dieren, 50PLUS en nu DENK en Forum voor Democratie. Het aantal zetels dat gemiddeld bij verkiezingen verschuift, steeg naar de dertig.

Of die ontwikkeling snel is te keren, is de vraag. Het is voorstelbaar dat er (opnieuw) een streven komt naar concentratie, bijvoorbeeld door fusie(s). Het staat buiten kijf dat daarin op zich plaats is voor een partij die de progressieve (linkse) stroming vertegenwoordigt, een stroming die nu sterker verdeeld is dan ooit. Dát er zo'n nieuwe linkse partij zal (en moet) komen, staat echter allerminst vast. In ons stelsel van evenredige vertegenwoordiging is de noodzaak daarvoor sowieso kleiner dan in landen met een meerderheidsstelsel. Een soort 'groen-rode' ad hoc-coalitie, waarin bestaande partijen min of meer zelfstandig samenwerken, is evenzeer denkbaar.

Zeker lijkt dat áls er al een nieuwe progressieve partij zou komen, die duidelijke vleugels zal kennen: van pragmatisch links tot radicaal, pacifistisch en groen. Vraag is dan natuurlijk hoe stabiel en duurzaam die partij zal zijn. Het lijkt een nogal hachelijk avontuur. Het einde van het vierde - gefragmenteerde - tijdvak is nog allerminst te voorzien.

  • 1) 
    de term werd geïntroduceerd in J.Th.J. van den Berg en J.J. Vis, De Eerste honderdvijftig jaar, p. 355


Andere recente columns