Bijdrage Joël Voordewind aan het algemeen overleg Noodhulp

Met dank overgenomen van J.S. (Joël) Voordewind i, gepubliceerd op woensdag 15 juli 2015.

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Joël Voordewind als lid van de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan een algemeen overleg met minister Ploumen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Onderwerp:   Noodhulp

Kamerstuk:    32 605          

Datum:           7 oktober 2014

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Het is goed dat we over dit onderwerp spreken. De aanleiding is, zoals de heer Van Laar al zei, positief maar vooral heel erg triest. De nood in de wereld wordt alleen maar groter en dus is er meer geld nodig. Ook de ChristenUnie is blij dat het kabinet mede op aandringen van de ChristenUnie en andere partijen extra geld heeft vrijgemaakt. 945 miljoen voor de opvang van vluchtelingen, zowel daar, 570 miljoen, als in Nederland, 375 miljoen. Dit wordt niet zo vaak genoemd, maar ook daar zijn wij blij mee, want als het kabinet dit geld niet extra ter beschikking had gesteld, was dit ten koste gegaan van de begroting van ontwikkelingssamenwerking.

Het is goed dat de Minister naar Irak is geweest. Zij heeft nu met eigen ogen gezien hoe de situatie in Erbil en Dohuk is. Zij heeft verslag gedaan van die schrijnende situatie die nog steeds voortduurt. Het geeft wel aan hoe de coördinatie van OCHA en UNHCR verloopt op het moment dat zo’n crisis ontstaat. Ik heb in een eerder leven gewerkt als hulpverlener. Ik heb gezien dat op het moment dat mensen massaal ergens naar toe vluchten, de ngo’s, de grote hulporganisaties, vaak de eerste coördinatie op zich nemen en dat de VN-organisaties langzamerhand binnen druppelen om na vier of zes weken die coördinatie op zich te nemen. Ook al heeft OCHA die rol, dan nog zien wij dat OCHA en UNHCR langzaam op stoom komen, ook nu weer in Irak. Ziet de Minister nog instrumenten of mogelijkheden binnen OCHA of de VN waardoor zij sneller de coördinatie op zich kunnen nemen, want het is natuurlijk wel goed dat de VN dat doet.

Hoe verloopt de samenwerking met de international non-governmental organizations (ingo’s)? Toen ik een maand geleden in Irak was, bleek dat de implementatie van de subcontracten van de ingo’s heel langzaam verliep. Men had nog geen juridische medewerkers om de contracten op te stellen. De pakhuizen stonden vol goederen, want er waren geen implementing partners. Hoe kan worden verklaard dat die implementatie en de distributie zo lang op zich laten wachten? Waarom duurt het zo lang voor de mensen in regio’s als Irak worden geholpen?

Wij hebben bij het nieuwe voorstel waarover wij nu spreken, ook ervoor gepleit dat een percentage wordt gereserveerd voor de hulporganisaties. Ik heb eerder een aandeel van 20% genoemd – in de brief lees ik dat de Minister daarop heeft gestuurd – niet omdat wij het belangrijk vinden dat die ngo’s worden ingezet, maar omdat je moet kijken waar de gaten zitten en waar de VN-organen niet en de ngo’s wel kunnen komen. Ik ben blij dat in dit fonds geld voor die ngo’s wordt gereserveerd. Dit komt ten goede aan de effectiviteit van de noodhulp.

Ik heb eerder al gezegd dat wij ervoor moeten waken om alleen hulp te geven aan vluchtelingen in een bepaald land. Wij moeten er verder voor zorgen dat wordt voorzien in de noden van de bevolking van het gastland. De Minister heeft hieraan ook aandacht besteed in haar brief. Hoe zal dit bijvoorbeeld verlopen in Libanon? Nederland geeft geen directe hulp aan dit land en de overheid wordt gedomineerd door de Hezbollah. Hoe kun je daar dan toch, geoormerkt voor onderwijs en zorg, geld geven opdat de lokale bevolking nog steeds toegang heeft tot die zorg?

Ik onderschrijf het pleidooi van de heer Van Laar met betrekking tot UNICEF en de lost generation. Laten wij toch vooral de kinderen onderwijs blijven geven, ook al zitten zij in benarde situaties in kampen et cetera. UNICEF doet dit gelukkig ook. Het krijgt een standaardbedrag van Nederland. Ik ben echter bereid om te kijken of wij nog iets meer kunnen doen.

Ik heb nog een vraag over de FPA-voorwaarden. Is het niet genoeg om als zich een ramp voordoet, te kijken naar de Nederlandse ngo’s ter plaatse die een trackrecord hebben en bekend zijn bij en eerder subsidie hebben ontvangen van Buitenlandse Zaken? Is dat niet voldoende voorwaarde of graadmeter voor ngo’s om in aanmerking te komen voor subsidies? Moeten wij daar nu ook nog eens die ECHO-funding als voorwaarde aan koppelen?

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.