Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Tekst

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42 en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Op grond van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad (4) kan de Unie op de interne markt en in derde landen voorlichtings- en afzetbevorderingsacties uitvoeren voor landbouwproducten en de wijze waarop deze worden geproduceerd, alsook voor bepaalde levensmiddelen op basis van landbouwproducten.

(2) Rekening houdend met de opgedane ervaring enerzijds en met de te verwachten ontwikkelingen in de landbouwsector en op de markten binnen en buiten de Unie anderzijds, dient de bij Verordening (EG) nr. 3/2008 vastgestelde regeling te worden herzien en doeltreffender en coherenter worden gemaakt. Verordening (EG) nr. 3/2008 dient derhalve te worden ingetrokken en door een nieuwe verordening te worden vervangen.

(3) Het doel van dergelijke voorlichtings- en afzetbevorderingsacties is het concurrentievermogen van de landbouwsector in de Unie te vergroten en de mededinging zowel op de interne markt als in derde landen eerlijker te maken. Meer bepaald moeten de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de interne markt en in derde landen tot doel hebben de consumenten meer bewust te maken van de voordelen van landbouwproducten en -productiemethoden van de Unie en voor meer bekendheid en erkenning van de kwaliteitsregelingen van de Unie zorgen. Daarnaast moeten zij leiden tot verbetering van de concurrentiepositie en verhoging van de consumptie van landbouwproducten van de Unie, het profiel van die producten zowel binnen als buiten de Unie verhogen en het marktaandeel ervan vergroten, met speciale aandacht voor de markten in derde landen die het grootste groeipotentieel bieden. In geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen, moeten deze maatregelen de normale marktomstandigheden helpen herstellen. Die voorlichtings- en afzetbevorderingsacties moeten een nuttige aanvulling op en versterking van de door de lidstaten uitgevoerde acties vormen. Teneinde hun doelstellingen te kunnen bereiken, moeten de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties zowel binnen als buiten de Unie worden uitgevoerd.

(4) De acties moeten ook tot doel hebben de authenticiteit van producten van de Unie te valoriseren met als doel de kennis van de consumenten over de eigenschappen van authentieke producten, in tegenstelling tot imitatie- en namaakproducten, te verbeteren, hetgeen in aanzienlijke mate zou bijdragen tot de kennis in de Unie en in derde landen over symbolen, vermeldingen en afkortingen die wijzen op deelname aan Europese, bij Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (5) vastgestelde kwaliteitsregelingen.

(5) Tot de sterke punten van de Unie op het gebied van voedselproductie behoren de diversiteit van haar producten en de specifieke kenmerken ervan die met verschillende geografische gebieden en verschillende traditionele methoden verbonden zijn en unieke smaken bieden, met de verscheidenheid en authenticiteit waarnaar de consument steeds vaker op zoek is, zowel binnen als buiten de Unie.

(6) Naast het geven van voorlichting over de intrinsieke kenmerken van de landbouwproducten en levensmiddelen van de Unie, kunnen de subsidiabele acties ook consumentvriendelijke boodschappen overbrengen, waarbij onder meer de nadruk wordt gelegd op voedingswaarde, smaak, traditie, diversiteit en cultuur.

(7) De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties mogen niet afgestemd zijn op merken of oorsprongsgericht zijn. Om de kwaliteit en de doeltreffendheid van productdemonstraties, proeverijen en voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal te vergroten, moet het echter mogelijk zijn het handelsmerk en de oorsprong van een product te vermelden, op voorwaarde dat het non-discriminatiebeginsel geëerbiedigd wordt en de acties niet tot doel hebben de consumptie van een product uitsluitend vanwege de oorsprong ervan te stimuleren. Voorts dienen die acties te stroken met de algemene beginselen van het Unierecht en mogen zij niet leiden tot beperkingen van het vrije verkeer van landbouwproducten en levensmiddelen, die indruisen tegen artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Er moeten specifieke regels worden vastgesteld met betrekking tot de zichtbaarheid van merknamen en oorsprongsvermeldingen in de hoofdboodschap van de Unie in het kader van een campagne.

(8) De Unie voert hoofdzakelijk afgewerkte landbouwproducten uit, waaronder landbouwproducten die niet onder bijlage I bij het VWEU vallen. De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties moeten bijgevolg ook worden opengesteld voor bepaalde producten die niet onder bijlage I bij het VWEU vallen. Dat zou stroken met de andere regelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), zoals de Europese kwaliteitsregelingen, die reeds voor deze producten zijn opengesteld.

(9) De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties van de Unie met betrekking tot wijnen waarin het GLB voorziet, vertegenwoordigen een van de kernmaatregelen van de steunprogramma’s in de wijnbouwsector. Wat wijn betreft, mag alleen wijn met een oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding en wijn met aanduiding van het gebruikte druivenras in aanmerking komen voor de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties. In het geval van monoprogramma’s moet het desbetreffende programma ook betrekking hebben op een ander landbouwproduct of levensmiddel. Evenzo voorziet Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (6) in de bevordering van de visserij- en aquacultuurproducten. Bijgevolg mogen visserij- en aquacultuurproducten die in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) zijn opgenomen alleen in aanmerking komen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties in het kader van deze regeling indien zij verband houden met een ander landbouwproduct of levensmiddel.

(10) Producten die onder de kwaliteitsregelingen van de Unie en onder door lidstaten erkende kwaliteitsregelingen vallen, moeten in aanmerking komen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties, aangezien dergelijke regelingen de consument waarborgen bieden inzake de kwaliteit en de kenmerken van het product of het productieproces, meerwaarde opleveren voor de betrokken producten en hun marktkansen vergroten. Biologische productiemethoden en het logo voor kwaliteitsproducten van de landbouw die specifiek zijn voor de ultraperifere gebieden moeten eveneens in aanmerking komen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties.

(11) In de periode van 2001 tot 2011 was slechts 30 % van de middelen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties bestemd voor markten in derde landen, terwijl die markten een belangrijk groeipotentieel bieden. Er dienen regelingen te worden vastgesteld om de uitvoering van een groter aantal voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten van de Unie in derde landen te bevorderen, met name via het verlenen van een versterkte financiële ondersteuning.

(12) Om te garanderen dat de uitgevoerde voorlichtings- en afzetbevorderingsacties doeltreffend zijn, moeten deze in het kader van voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s worden geplaatst. Dergelijke programma’s werden tot dusverre ingediend door beroeps- en/of brancheorganisaties. Om het aantal voorgestelde acties te verhogen en de kwaliteit ervan te verbeteren, moeten ook producentenorganisaties en unies daarvan, groeperingen en instanties van de agrovoedingssector die tot doel hebben voorlichting te verstrekken en landbouwproducten te promoten, toegang krijgen tot deze programma’s.

(13) De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties die door de Unie worden gecofinancierd, moeten een specifieke Uniedimensie hebben. Daarom en om een versnippering van middelen te vermijden en de zichtbaarheid van Europa via deze voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten en bepaalde levensmiddelen te vergroten, dient een werkprogramma te worden vastgesteld waarin de strategische prioriteiten van deze acties op het vlak van beoogde doelgroepen, producten, regelingen of markten zijn bepaald, alsook de kenmerken van de voorlichtings- en afzetbevorderingsboodschappen. Bij het ontwerpen van het programma moet worden uitgegaan van de algemene en specifieke doelstellingen van deze verordening en moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden die zich aandienen op de markten en met de noodzaak om de door de lidstaten en de marktdeelnemers uitgevoerde acties aan te vullen en te versterken, zowel op de interne markt als in derde landen, teneinde een coherent afzetbevorderings- en voorlichtingsbeleid te waarborgen. Daarom moet de Commissie bij het ontwerpen van dat programma de lidstaten en de relevante belanghebbenden raadplegen.

(14) Het werkprogramma moet onder meer voorzien in specifieke afspraken over de wijze waarop op ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen moet worden gereageerd. Daarnaast moet de Commissie in het bijzonder rekening houden met de vooraanstaande plaats die kmo’s innemen in de agrovoedingssector, met de sectoren waarvoor uitzonderingsmaatregelen gelden ingevolge de artikelen 219, 220 en 221 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8) en, voor op derde landen gerichte acties, met de vrijhandelsovereenkomsten die onder het gemeenschappelijk handelsbeleid van de Unie vallen. Bij het ontwerpen van dat programma dient de Commissie ook rekening te houden met de handicaps van berggebieden, eilanden en ultraperifere gebieden van de Unie.

(15) Om ervoor te zorgen dat de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties doeltreffend worden uitgevoerd, moet de uitvoering ervan via een vergelijkende procedure aan uitvoeringsinstanties worden toevertrouwd. In gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is, moeten indienende organisaties echter de mogelijkheid hebben om rechtstreeks bepaalde delen van hun programma uit te voeren.

(16) De Commissie moet op eigen initiatief voorlichtings- en afzetbevorderingsacties kunnen uitvoeren, onder meer in de vorm van missies op hoog niveau, in het bijzonder om bij te dragen aan het aanboren van nieuwe markten. Ook moet de Commissie eigen campagnes kunnen voeren om snel en doeltreffend te kunnen optreden in geval van ernstige marktverstoringen of verlies van vertrouwen bij de consument. De Commissie moet indien nodig de planning van haar eigen initiatieven herzien om dergelijke campagnes ten uitvoer te leggen. De toegewezen kredieten voor lopende mono- of multiprogramma’s op het gebied van voorlichting en afzetbevordering moeten niet worden verlaagd wanneer de Commissie in zo’n gevallen actie onderneemt.

(17) Naast voorlichtings- en afzetbevorderingsacties moet de Commissie ook technische ondersteuningsdiensten op Unieniveau ontwikkelen en coördineren om de marktdeelnemers te helpen bij hun deelname aan gecofinancierde programma’s, de verwezenlijking van doeltreffende campagnes en de ontwikkeling van exportactiviteiten. Deze diensten moeten in het bijzonder bestaan in het opstellen van richtsnoeren om potentiële begunstigden te helpen aan de aan dit beleid verbonden regels en procedures te voldoen.

(18) De inspanningen met betrekking tot de afzetbevordering van producten uit de Unie op de markten van derde landen worden soms geschaad door de concurrentie van imitatie- en namaakproducten. De door de Commissie ontwikkelde technische ondersteuningsdiensten moeten ook bestaan uit het adviseren van de sector over de bescherming van producten van de Unie tegen imitatie en vervalsing.

(19) Vereenvoudiging van de regelgeving van het GLB is een belangrijke prioriteit voor de Unie. Deze benadering dient eveneens te worden toegepast voor deze verordening. In het bijzonder moeten de beginselen inzake het administratief beheer van voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s worden herzien met als doel deze beginselen te vereenvoudigen en de Commissie in staat te stellen de regels en procedures voor de indiening, evaluatie en selectie van programmavoorstellen vast te stellen. De Commissie dient er evenwel voor te zorgen dat de lidstaten tijdig informatie ontvangen over alle voorgestelde en geselecteerde programma’s. Die informatie moet met name betrekking hebben op het aantal ontvangen voorstellen, de betrokken lidstaten en sectoren en het resultaat van de evaluatie van die voorstellen.

(20) De samenwerking tussen marktdeelnemers uit verschillende lidstaten draagt er in grote mate toe bij dat de meerwaarde van de Unie toeneemt en dat de diversiteit van de landbouwproducten van de Unie sterker wordt benadrukt. Hoewel voorrang werd verleend aan programma’s die gezamenlijk door indienende organisaties uit verschillende lidstaten zijn ontwikkeld, waren deze programma’s in de periode 2001-2011 goed voor slechts 16 % van de begroting voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties. Bijgevolg moeten met name betreffende het beheer van multiprogramma’s nieuwe bepalingen worden vastgesteld om de huidige moeilijkheden bij de uitvoering daarvan het hoofd te bieden.

(21) Er moeten voorschriften voor de financiering van de acties worden vastgesteld. Als algemene regel geldt dat de financiering van de programma’s slechts gedeeltelijk ten laste van de Unie zou mogen vallen, om te waarborgen dat de betrokken indienende organisaties hun deel van de verantwoordelijkheid dragen. Bepaalde administratie- en personeelskosten, die geen verband houden met de uitvoering van het GLB, maken echter integrerend deel uit van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties en moeten dus in aanmerking kunnen komen voor financiering door de Unie.

(22) Elke maatregel dient te worden gemonitord en geëvalueerd om de kwaliteit ervan te verbeteren en de resultaten ervan aan te tonen. In dit verband dient een lijst van indicatoren te worden vastgesteld en dient het effect van het afzetbevorderingsbeleid te worden getoetst aan de strategische doelstellingen. De Commissie dient een monitoring- en evaluatiekader voor dat beleid vast te stellen dat in overeenstemming is met het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader van het GLB.

(23) Teneinde bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen. Deze bevoegdheidsdelegatie moet betrekking hebben op de aanvulling van de lijst in bijlage I bij deze verordening, de subsidiabiliteitscriteria voor de indienende organisaties, de voorwaarden voor de vergelijkende procedure voor de selectie van uitvoeringsinstanties, de specifieke voorwaarden voor de subsidiabiliteit van monoprogramma’s, de kosten van voorlichtings- en afzetbevorderingsacties en administratie- en personeelskosten en bepalingen die de overgang van Verordening (EG) nr. 3/2008 naar deze verordening faciliteren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(24) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot nadere regels inzake de zichtbaarheid van handelsmerken bij productdemonstraties of proeverijen en op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal en de zichtbaarheid van de oorsprong van producten op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal, de jaarlijkse werkprogramma’s, de selectie van monoprogramma’s, nadere regels op basis waarvan het een indienende organisatie kan worden toegestaan bepaalde delen van een monoprogramma zelf uit te voeren, de uitvoeringsregelingen, monitoring en controle van monoprogramma’s, de regels betreffende het sluiten van contracten in verband met de uitvoering van monoprogramma’s die zijn geselecteerd uit hoofde van deze verordening, en het gemeenschappelijk kader voor de effectbeoordeling van de programma’s en een specifiek indicatorsysteem. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (9).

(25) Daar, gezien het verband tussen het afzetbevorderingsbeleid en de andere GLB-instrumenten en vanwege de meerjarige garantie van financiering door de Unie en de gerichtheid van die financiering op duidelijk afgelijnde prioriteiten, de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, doch beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt de voorwaarden vast waaronder de Unie middelen uit haar begroting kan gebruiken voor de volledige of gedeeltelijke financiering van op de interne markt of in derde landen uitgevoerde voorlichtings- en afzetbevorderingsacties met betrekking tot landbouwproducten en bepaalde op basis van landbouwproducten geproduceerde levensmiddelen („voorlichtings- en afzetbevorderingsacties”).

Artikel 2

Algemene en specifieke doelstellingen van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties

  • 1. 
    De algemene doelstelling van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties is het versterken van het concurrentievermogen van de landbouwsector van de Unie.
  • 2. 
    De specifieke doelstellingen van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties zijn:
  • a) 
    meer bekendheid geven aan de voordelen van de landbouwproducten van de Unie en de hoge normen die aan de productiemethoden in de Unie worden gesteld;
  • b) 
    het concurrentievermogen en de consumptie van landbouwproducten en bepaalde levensmiddelen uit de Unie vergroten en het profiel ervan zowel binnen als buiten de Unie verhogen;
  • c) 
    de bekendheid met en erkenning van kwaliteitsregelingen van de Unie verhogen;
  • d) 
    het marktaandeel van landbouwproducten en bepaalde levensmiddelen uit de Unie vergroten, met specifieke aandacht voor de markten in derde landen die het grootste groeipotentieel bieden;
  • e) 
    de normale marktomstandigheden herstellen in geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen.

Artikel 3

Beschrijving van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties

De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties hebben tot doel:

  • a) 
    de aandacht te vestigen op de specifieke kenmerken van de landbouwproductiemethoden van de Unie uit het oogpunt van met name voedselveiligheid, traceerbaarheid, authenticiteit, etikettering, aspecten betreffende voedingswaarde en gezondheid, dierenwelzijn, milieuzorg en duurzaamheid en op de kenmerken van landbouwproducten en levensmiddelen, met name uit het oogpunt van hun kwaliteit, smaak, verscheidenheid of tradities;
  • b) 
    meer bekendheid te geven aan de authenticiteit van Europese beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten.

Deze acties bestaan in het bijzonder uit PR-activiteiten en voorlichtingscampagnes en kunnen de vorm aannemen van deelname aan evenementen, beurzen en tentoonstellingen van nationaal, Europees of internationaal belang.

Artikel 4

Kenmerken van de acties

  • 1. 
    De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties zijn niet afgestemd op handelsmerken. De handelsmerken mogen evenwel zichtbaar zijn bij productdemonstraties of proeverijen en op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal, op voorwaarde dat het non-discriminatiebeginsel geëerbiedigd wordt en dat het algemene beginsel van de niet op handelsmerken afgestemde aard van de acties blijft gelden. Het non-discriminatiebeginsel houdt in dat gelijke behandeling en toegang voor alle merken van de indienende organisaties en gelijke behandeling van alle lidstaten gewaarborgd wordt. Elk merk is even zichtbaar en voor de grafische presentatie ervan wordt een kleiner formaat gebruikt dan voor de hoofdboodschap van de Unie voor de campagne. Er worden meerdere merken getoond, behalve in naar behoren gerechtvaardigde gevallen die verband houden met de specifieke situatie van de betrokken lidstaat.
  • 2. 
    De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties zijn niet oorsprongsgericht. De acties hebben niet tot doel de consumptie van een product te stimuleren uitsluitend wegens de oorsprong ervan. De oorsprong van producten kan evenwel zichtbaar zijn op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal overeenkomstig de volgende regels:
  • a) 
    op de interne markt moet de vermelding van de oorsprong altijd ondergeschikt zijn aan de hoofdboodschap van de Unie voor de campagne;
  • b) 
    in derde landen mag de vermelding van de oorsprong op hetzelfde niveau staan als de hoofdboodschap van de Unie voor de campagne;
  • c) 
    voor producten die krachtens de in artikel 5, lid 4, onder a), bedoelde kwaliteitsregelingen zijn erkend, mag de oorsprong zoals die in de benaming is geregistreerd zonder beperkingen worden genoemd.
  • 3. 
    De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen nadere regels vast voor:
  • a) 
    de zichtbaarheid van handelsmerken bij demonstraties of proeverijen of op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal als bedoeld in lid 1, alsook de eenvormige voorwaarden waaronder een afzonderlijk merk mag worden getoond; en
  • b) 
    de zichtbaarheid van de oorsprong van producten op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal als bedoeld in lid 2.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 5

In aanmerking komende producten en regelingen

  • 1. 
    Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties kunnen op de volgende producten betrekking hebben:
  • a) 
    de producten vermeld in bijlage I bij het VWEU, met uitzondering van tabak;
  • b) 
    de producten vermeld in bijlage I bij deze verordening;
  • c) 
    gedistilleerde dranken met een uit hoofde van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (10) beschermde geografische aanduiding.
  • 2. 
    Teneinde met marktontwikkelingen rekening te houden, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de lijst in bijlage I bij deze verordening door levensmiddelen aan die lijst toe te voegen.
  • 3. 
    Onverminderd lid 1:
  • a) 
    kunnen voorlichtings- en afzetbevorderingsacties alleen op wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding en op wijn met vermelding van het druivenras betrekking hebben. In het geval van monoprogramma’s als bedoeld in artikel 6, lid 3, moet het desbetreffende programma eveneens betrekking hebben op andere in lid 1, onder a) of b), bedoelde producten;
  • b) 
    mogen de acties voor de interne markt voor in lid 1, onder c), bedoelde gedistilleerde dranken, voor wijn als bedoeld in dit lid, onder a), en voor bier, de consument enkel voorlichten over de in lid 4 genoemde regelingen en over verantwoorde consumptie van deze dranken;
  • c) 
    kunnen de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 bedoelde visserij- en aquacultuurproducten slechts in aanmerking komen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s indien het desbetreffende programma ook betrekking heeft op andere in lid 1 bedoelde producten.
  • 4. 
    Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties kunnen op de volgende regelingen betrekking hebben:
  • a) 
    de in Verordening (EU) nr. 1151/2012, in Verordening (EG) nr. 110/2008 en in artikel 93 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde kwaliteitsregelingen;
  • b) 
    de biologische productiewijze, als omschreven in Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (11);
  • c) 
    het logo van kwaliteitsproducten van de landbouw die specifiek zijn voor de ultraperifere gebieden, als bedoeld in artikel 21 van Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12);
  • d) 
    de kwaliteitsregelingen als bedoeld in artikel 16, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13).

HOOFDSTUK II

UITVOERING VAN VOORLICHTINGS- EN AFZETBEVORDERINGSACTIES

AFDELING 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 6

Soorten acties

  • 1. 
    De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties hebben de volgende vorm:
  • a) 
    voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s („programma’s”), en
  • b) 
    de in artikel 9 bedoelde acties op initiatief van de Commissie.
  • 2. 
    De programma’s bestaan uit een samenhangende reeks maatregelen en worden ten uitvoer gelegd gedurende een periode van minimaal een en maximaal drie jaar.
  • 3. 
    Monoprogramma’s, waarvan de details zijn opgenomen in afdeling 2 van dit hoofdstuk kunnen worden ingediend door één of meerdere in artikel 7, lid 1, onder a), c) of d), bedoelde indienende organisaties uit eenzelfde lidstaat.
  • 4. 
    Multiprogramma’s, waarvan de details zijn opgenomen in afdeling 3 van dit hoofdstuk kunnen worden ingediend door:
  • a) 
    ten minste twee van de in artikel 7, lid 1, onder a), c) of d), bedoelde indienende organisaties, die allemaal uit ten minste twee lidstaten zijn;
  • b) 
    ofwel door een of meer organisaties van de Unie als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder b).

Artikel 7

Indienende organisaties

  • 1. 
    Een programma kan worden ingediend door:
  • a) 
    beroeps- of brancheorganisaties die gevestigd zijn in een lidstaat en representatief zijn voor de betrokken sector of sectoren in die lidstaat, en in het bijzonder de brancheorganisaties als bedoeld in artikel 157 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en groeperingen als gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, op voorwaarde dat zij representatief zijn voor de benaming die krachtens de laatstgenoemde verordening beschermd is en welke onder dat programma valt;
  • b) 
    beroeps- of brancheorganisaties van de Unie die representatief zijn voor de desbetreffende sector of sectoren op Unieniveau;
  • c) 
    producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties als bedoeld in de artikelen 152 en 156 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en die door een lidstaat zijn erkend;
  • d) 
    instanties van de agrovoedingssector die als doelstelling hebben het verstrekken van voorlichting over en het bevorderen van de afzet van landbouwproducten en waaraan de lidstaten een duidelijk omschreven openbaredienstverleningstaak op dit gebied hebben toevertrouwd; deze instanties moeten ten minste twee jaar voordat de in artikel 8, lid 2, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen wordt uitgeschreven, wettelijk gevestigd zijn in de desbetreffende lidstaat.
  • 2. 
    De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de specifieke voorwaarden worden bepaald voor de indiening van een programma door elk van de in lid 1 bedoelde indienende organisaties, groeperingen en instanties. Die voorwaarden waarborgen met name dat die organisaties, groeperingen en instanties representatief zijn en dat het programma voldoende omvangrijk is.

Artikel 8

Jaarlijks werkprogramma

  • 1. 
    De Commissie stelt elk jaar uitvoeringshandelingen vast waarin een jaarlijks werkprogramma wordt vastgelegd en waarin de te verwezenlijken operationele doelstellingen, de operationele prioriteiten, de verwachte resultaten, de uitvoeringsmethode en het totaalbedrag van het financieringsplan worden vastgesteld. Dat jaarlijks werkprogramma en in het bijzonder de operationele prioriteiten ervan moeten voldoen aan de algemene en specifieke doelstellingen van artikel 2. Het programma voorziet met name in specifieke tijdelijke regelingen om te reageren in geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e). Het programma bevat ook de voornaamste evaluatiecriteria, een beschrijving van de te financieren acties, een indicatie van het voor elk soort actie toegewezen bedrag, een indicatief tijdschema voor de uitvoering en voor de subsidies, het maximumpercentage voor de financiële bijdrage van de Unie. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
  • 2. 
    Het in lid 1 bedoelde werkprogramma wordt, voor mono- en voor multiprogramma’s, ten uitvoer gelegd aan de hand van de bekendmaking door de Commissie van oproepen tot het indienen van voorstellen overeenkomstig deel I, titel VI, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (14).

Artikel 9

Acties op initiatief van de Commissie

  • 1. 
    De Commissie kan voorlichtings- en afzetbevorderingsacties als omschreven in artikel 3 uitvoeren, waaronder campagnes in geval van een ernstige marktverstoring, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e). Het kan met name gaan om missies op hoog niveau, deelname aan beurzen en tentoonstellingen van internationaal belang, door middel van stands of activiteiten om het imago van producten uit de Unie te bevorderen.
  • 2. 
    De Commissie ontwikkelt technische ondersteuningsdiensten, met name om:
  • a) 
    de kennis van de verschillende markten te bevorderen, onder meer door middel van verkennende handelsbezoeken;
  • b) 
    een dynamisch professioneel netwerk ter flankering van het voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid in stand te houden, met inbegrip van het verstrekken van advies aan de sector op het gebied van de bescherming van hun producten tegen nagemaakte en vervalste producten in derde landen; en
  • c) 
    de kennis van de voorschriften van de Unie inzake de opzet en uitvoering van de programma’s te verbeteren.

Artikel 10

Verbod op dubbele financiering

Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties gefinancierd uit hoofde van deze verordening, komen niet in aanmerking voor enige andere financiering uit de begroting van de Unie.

AFDELING 2

Uitvoering en beheer van monoprogramma’s

Artikel 11

Selectie van monoprogramma’s

  • 1. 
    De Commissie evalueert en selecteert voorstellen voor monoprogramma’s die werden ontvangen in antwoord op een in artikel 8, lid 2, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen, waarin de specifieke subsidiabiliteitsvoorwaarden met betrekking tot monoprogramma’s worden bepaald.
  • 2. 
    De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast, waarin de geselecteerde monoprogramma’s worden bepaald, alsook de eventuele wijzigingen daarvan en de bijbehorende begrotingen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 12

Informatie over de selectie van monoprogramma’s

De Commissie verstrekt het in artikel 23 bedoelde comité, en derhalve de lidstaten, tijdig informatie over alle voorgestelde of geselecteerde programma’s.

Onverminderd Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, verstrekt de Commissie in het bijzonder:

  • a) 
    informatie over het aantal ontvangen voorstellen, de lidstaten waar de indienende organisaties zijn gevestigd, de betrokken sectoren en de beoogde markt of markten;
  • b) 
    informatie over het resultaat van de evaluatie van de voorstellen en een korte beschrijving ervan.

Artikel 13

Met de uitvoering van monoprogramma’s belaste instanties

  • 1. 
    Na een naar behoren verrichte vergelijkende procedure kiezen de indienende organisaties de instanties die de geselecteerde monoprogramma’s uitvoeren, met name om een doeltreffende uitvoering van de acties te waarborgen.

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen, waarin de voorwaarden worden bepaald voor de vergelijkende procedure voor de selectie van de in de eerste alinea, bedoelde uitvoeringsinstanties.

  • 2. 
    In afwijking van lid 1 kan een indienende organisatie bepaalde delen van een programma zelf uitvoeren, mits wordt voldaan aan de voorwaarden inzake de ervaring van de indienende organisatie met het uitvoeren van dergelijke acties en mits de kosten van die acties in verhouding staan tot de normale markttarieven en evenredig zijn aan het aandeel van het door de indienende organisatie uitgevoerde deel van het programma in de totale kosten.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de nadere regels worden bepaald volgens welke de indienende organisatie kan worden toegestaan om bepaalde onderdelen van het programma zelf uit te voeren. Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 14

Uitvoering, monitoring en controle van monoprogramma’s

  • 1. 
    De betrokken lidstaten zijn verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de uit hoofde van artikel 11 geselecteerde monoprogramma’s en voor de daarmee samenhangende betalingen. De lidstaten zien erop toe dat het in het kader van deze programma’s geproduceerde voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal in overeenstemming is met het recht van de Unie.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de regelingen worden bepaald voor de uitvoering, monitoring en controle en de regels voor het sluiten van contracten voor de uitvoering van de uit hoofde van deze verordening geselecteerde monoprogramma’s. Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

  • 2. 
    De lidstaten zorgen voor de uitvoering van, en monitoren en controleren de monoprogramma’s overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (15) en in overeenstemming met de krachtens lid 1 vast te stellen uitvoeringshandelingen.

Artikel 15

Financiële bepalingen voor monoprogramma’s

  • 1. 
    De financiële bijdrage van de Unie aan monoprogramma’s op de interne markt bedraagt 70 % van de subsidiabele uitgaven. De financiële bijdrage van de Unie aan monoprogramma’s bedraagt in derde landen 80 % van de subsidiabele uitgaven. De rest van de uitgaven komt uitsluitend ten laste van de indienende organisaties.
  • 2. 
    De in lid 1 vermelde percentages worden verhoogd tot 85 % in geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e).
  • 3. 
    In afwijking van de leden 1 en 2, bedragen, voor in een lidstaat gevestigde indienende organisaties die op 1 januari 2014 of daarna financiële bijstand ontvangen overeenkomstig de artikelen 136 en 143 VWEU, de in lid 1 bedoelde percentages respectievelijk 75 % en 85 % en het in lid 2 bedoelde percentage 90 %.

De eerste alinea is uitsluitend van toepassing op programma’s waartoe de Commissie heeft besloten vóór de datum met ingang waarvan de betrokken lidstaat die financiële bijstand niet langer ontvangt.

  • 4. 
    Overeenkomstig het in artikel 25 bedoelde gemeenschappelijke kader uitgevoerde studies om de resultaten van afzetbevorderings- en voorlichtingsacties te evalueren, komen in aanmerking voor financiering van de Unie onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor het desbetreffende monoprogramma.
  • 5. 
    Overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 financiert de Unie volledig de kosten voor het raadplegen van deskundigen in het kader van de selectie van programma’s.
  • 6. 
    Om een goede uitvoering van monoprogramma’s te garanderen stellen de indienende organisaties zekerheden.
  • 7. 
    Overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 financiert de Unie voorlichtings- en afzetbevorderingsacties uitgevoerd op basis van monoprogramma’s.
  • 8. 
    De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen, waarin de specifieke voorwaarden worden bepaald inzake de subsidiabiliteit voor financiering van de Unie van de kosten voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties en, indien nodig, van de administratie- en personeelskosten.

AFDELING 3

Uitvoering en beheer van multiprogramma’s en van acties op initiatief van de commissie

Artikel 16

Vormen van financiering

  • 1. 
    De financiering kan plaatsvinden in een of meer in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 vastgestelde vormen en bestaan uit:
  • a) 
    subsidies voor multiprogramma’s;
  • b) 
    contracten voor op initiatief van de Commissie uitgevoerde acties.
  • 2. 
    Krachtens artikel 4, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 financiert de Unie voorlichtings- en afzetbevorderingsacties, uitgevoerd op basis van multiprogramma’s of op initiatief van de Commissie.

Artikel 17

Evaluatie van multiprogramma’s

De voorstellen voor multiprogramma’s worden geëvalueerd en geselecteerd op basis van de criteria die worden bekendgemaakt in de oproep tot het indienen van voorstellen als bedoeld in artikel 8, lid 2.

Artikel 18

Informatie over de uitvoering van multiprogramma’s

De Commissie verstrekt het in artikel 23 bedoelde comité, en derhalve de lidstaten, tijdig informatie over alle voorgestelde of geselecteerde programma’s.

Artikel 19

Financiële bepalingen voor multiprogramma’s

  • 1. 
    De financiële bijdrage van de Unie voor multiprogramma’s bedraagt 80 % van de subsidiabele uitgaven. De rest van de uitgaven komt uitsluitend ten laste van de indienende organisaties.
  • 2. 
    Het in lid 1 vermelde percentage wordt verhoogd tot 85 % in geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e).
  • 3. 
    In afwijking van de leden 1 en 2, bedragen, voor in een lidstaat gevestigde indienende organisaties die op of na 1 januari 2014 financiële bijstand ontvangen overeenkomstig de artikelen 136 en 143 VWEU, de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages respectievelijk 85 % en 90 %.

De eerste alinea is uitsluitend van toepassing op programma’s waartoe de Commissie heeft besloten vóór de datum met ingang waarvan de betrokken lidstaat die financiële bijstand niet langer ontvangt.

Artikel 20

Plaatsing van opdrachten voor acties op initiatief van de Commissie

Voor elke plaatsing van opdrachten die door de Commissie wordt uitgevoerd in haar eigen naam of gezamenlijk met lidstaten, gelden de regels met betrekking tot het plaatsen van opdrachten die zijn vastgesteld in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 en in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie (16).

Artikel 21

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

  • 1. 
    De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze afdeling gefinancierde acties, de financiële belangen van de Unie worden beschermd door de toepassing van preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen en, voor zover van toepassing, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties.
  • 2. 
    De Commissie of haar vertegenwoordigers en de Rekenkamer zijn bevoegd om audits te verrichten, op basis van documenten en ter plaatse, bij alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die middelen van de Unie hebben ontvangen.
  • 3. 
    Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan onderzoeken instellen, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (17) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (18), teneinde vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of -besluit of een contract betreffende financiering door de Unie, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.
  • 4. 
    Onverminderd de leden 1, 2 en 3 bevatten uit de uitvoering van een programma uit hoofde van deze verordening voortvloeiende samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten bepalingen die de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen dergelijke audits en onderzoeken te verrichten overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

AFDELING 1

Delegatie van bevoegdheden en uitvoeringsbepalingen

Artikel 22

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

  • 1. 
    De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
  • 2. 
    De in artikel 5, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 11, lid 1, artikel 13, lid 1, artikel 15, lid 8, en artikel 29, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 24 november 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
  • 3. 
    Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 11, lid 1, artikel 13, lid 1, artikel 15, lid 8, en artikel 29, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
  • 4. 
    Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
  • 5. 
    Een overeenkomstig deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn kan op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden worden verlengd.

Artikel 23

Comité

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten dat is ingesteld bij artikel 229 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
  • 2. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

AFDELING 2

Raadpleging, evaluatie en verslag

Artikel 24

Raadpleging

In het kader van de uitvoering van deze verordening kan de Commissie de krachtens Besluit 2013/767/EU van de Commissie (19) ingestelde groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld over kwaliteit en afzetbevordering raadplegen.

Artikel 25

Gemeenschappelijk kader voor de beoordeling van de impact van de acties

Overeenkomstig het in artikel 110 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde gemeenschappelijke monitoring- en evaluatiekader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin het gemeenschappelijke kader wordt bepaald voor de beoordeling van de impact van de uit hoofde van deze verordening gefinancierde voorlichtings- en afzetbevorderingsacties, alsook een indicatorsysteem. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Alle belanghebbende partijen delen de Commissie alle gegevens mee die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de impact van de acties.

Artikel 26

Verslag

  • 1. 
    Uiterlijk op 31 december 2018 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een tussentijds verslag in over de toepassing van deze verordening. Dat tussentijds verslag omvat het gebruikspercentage in de verschillende lidstaten, eventueel vergezeld van passende voorstellen.
  • 2. 
    Uiterlijk op 31 december 2020 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van deze verordening, eventueel vergezeld van passende voorstellen.

AFDELING 3

Staatssteun, intrekking, overgangsbepalingen, inwerkingtreding en datum van toepassing

Artikel 27

Staatssteun

In afwijking van artikel 211, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1184/2006 van de Raad (20), en op grond van artikel 42, eerste alinea, VWEU zijn de artikelen 107, 108 en 109 VWEU niet van toepassing op door de lidstaten, overeenkomstig deze verordening en in overeenstemming met de bepalingen ervan verrichte betalingen, noch op de uit parafiscale heffingen, verplichte bijdragen of andere financieringsinstrumenten afkomstige financiële bijdragen van de lidstaten voor programma’s die in aanmerking komen voor steun van de Unie en door de Commissie zijn geselecteerd overeenkomstig deze verordening.

Artikel 28

Intrekking

Verordening (EG) nr. 3/2008 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening moeten worden gelezen als verwijzingen naar deze verordening, overeenkomstig de concordantietabel in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 29

Overgangsbepalingen

  • 1. 
    Verordening (EG) nr. 3/2008 blijft van toepassing op voorlichtings- en afzetbevorderingsacties waarvoor de Commissie vóór 1 december 2015 tot subsidiëring heeft besloten.
  • 2. 
    De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen om een vlotte overgang van Verordening (EG) nr. 3/2008 naar deze verordening te garanderen.

Artikel 30

Inwerkingtreding en datum van toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 december 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

  • M. 
    SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

  • B. 
    DELLA VEDOVA

(1)  Advies van 30 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van 2 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 15 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 oktober 2014.

(4)  Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen (PB L 3 van 5.1.2008, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(9)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(10)  Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).

(11)  Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 23).

(13)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(14)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(15)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(16)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).

(17)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(18)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(19)  Besluit 2013/767/EU van de Commissie van 16 december 2013 tot invoering van een kader voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld betreffende zaken die vallen onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Besluit 2004/391/EG (PB L 338 van 17.12.2013, blz. 115).

(20)  Verordening (EG) nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in bepaalde landbouwproducten (PB L 214 van 4.8.2006, blz. 7).


BIJLAGE I

In artikel 5, lid 1, onder b), bedoelde producten

  • a) 
    bier,
  • b) 
    chocolade en afgeleide producten,
  • c) 
    brood, gebak, cake, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren,
  • d) 
    dranken op basis van plantenextracten,
  • e) 
    deegwaren,
  • f) 
    zout,
  • g) 
    natuurlijke gommen en harsen,
  • h) 
    mosterdpasta,
  • i) 
    suikermaïs,
  • j) 
    katoen.

BIJLAGE II

5.

Concordantietabel

als bedoeld in artikel 28

 

Verordening (EG) nr. 3/2008

Deze verordening

Artikel 1, lid 1, eerste alinea

Artikel 1

Artikel 1, lid 1, tweede alinea

Artikel 6, lid 1, onder a)

Artikel 1, lid 2

Artikel 4, leden 1 en 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikelen 3 en 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 8

Artikel 6, lid 1

Artikel 7

Artikel 6, lid 2

Artikel 7

Artikel 8

Artikelen 11, 12 en 17

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 9

Artikel 11

Artikel 13

Artikel 12, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 14

Artikel 13, lid 1

Artikel 16, lid 1, onder b)

Artikel 13, lid 2, eerste alinea

Artikel 15, lid 1, artikel 15, lid 2 en artikel 15, lid 3 en artikel 19

Artikel 13, lid 2, tweede alinea

Artikel 13, lid 2, derde alinea

Artikel 13, leden 3, 4 en 5

Artikel 13, lid 6

Artikel 27

Artikel 14

Artikel 15, lid 5, artikel 15, lid 7 en artikel 16, lid 2

Artikelen 15 en 16

Artikel 4, lid 3, artikel 5, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 1, artikelen 11 en 13, artikel 14, lid 1, artikel 15, lid 8, artikelen 22, 23, 25 en 29

Artikel 17

Artikel 24

Artikel 18

Artikel 26

Artikel 19

Artikel 28

Artikel 20

Artikel 30


Top

8.

Uitgebreide versie

Van deze pagina bestaat een uitgebreide versie met de juridische context.

De uitgebreide versie is beschikbaar voor betalende gebruikers van de EU Monitor van ANP en PDC Informatie Architectuur.

9.

EU Monitor

Met de EU Monitor volgt u alle Europese dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend voorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

De EU Monitor is ook beschikbaar in het Engels.

Als u meer wilt weten over de EU Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@eumonitor.eu.