Eerste Kamer en initiatiefwetgeving

De Eerste Kamer beschikt niet over een recht van initiatief . Zij kan dus niet zelf wetsvoorstellen indienen, waar de Tweede Kamer dat wel kan. De Eerste Kamer kan wel initiatiefvoorstellen tegenhouden en dat gebeurt relatief vaak.

De verwerping van het initiatiefvoorstel over abortus in 1970 had veruit de grootste impact. Toen verwierp de VVD zijn eigen initiatiefvoorstel onverwachts in de Eerste Kamer.

Het meest recent is de verwerping in 2017 van het initiatiefvoorstel over de doorverkoop van toegangskaarten voor evenementen .

Achtergrond

Initiatiefvoorstellen van Tweede Kamerleden stranden naar verhouding veel vaker dan wetsvoorstellen van het kabinet . Sinds indieningsjaar 1995 zijn 28 wetsvoorstellen verworpen in de Eerste Kamer, waarvan 8 initiatiefvoorstellen (29 procent).

Een belangrijke reden voor het feit dat initiatiefvoorstellen relatief vaak stranden in de Eerste Kamer is dat bij verwerping normaliter geen kabinetscrisis op de loer ligt. Het voorstel maakte immers geen deel uit van het regeerakkoord . Senatoren zullen zich hierdoor vrijer voelen een kritische opstelling aan te nemen, waar zij in andere gevallen wellicht de stabiliteit van het kabinet zwaarder laten wegen.

Voor 1945 kwam verwerping van initiatiefwetsvoorstel al voor, maar toen maakten Kamerleden veel minder gebruik van dat recht. De bekendste verwerping vóór 1945 was het voorstel over invoering van het staatspensioen in 1918. Verder verwierp de Eerste Kamer in 1922 en 1925 voorstellen om een plaatselijk referendum in te voeren over verkoop van sterke drank.

Voorbeelden (1945-heden)

Na 1945 kwam het veel vaker voor dat initiatiefvoorstellen van Tweede Kamerleden in de Eerste Kamer werden verworpen. Hieronder volgen een aantal bekende voorbeelden.

Aanpak doorverkoop toegangskaarten

Dit voorstel van SP en CDA beoogde een verbod op het te koop aanbieden van toegangskaarten voor evenementen en het doorverkopen daarvan tegen een onredelijk hogere prijs. Een meerderheid had twijfels over de noodzaak van de wetgeving dan wel over de uitvoerbaarheid daarvan. Het voorstel werd met 41 tegen 34 zetels verworpen.

Aansprakelijkheid ouders voor gedragingen kinderen

In 2015 stemde de Eerste Kamer in meerderheid tegen een initiatiefvoorstel van de CDA'er Peter Oskam om de aansprakelijkheid van ouders voor gedragingen van kinderen vanaf veertien jaar te verruimen. Op het voorstel kwam bij de behandeling in 2013 veel kritiek, onder meer vanwege het ontbreken van een 'vrijpleitmogelijkheid'. Uiteindelijk stemden in mei 2015 alleen CDA en PVV voor.

Verbod onverdoofd ritueel slachten

Het door PvdD-fractievoorzitter Thieme ingediende voorstel over verplichte verdoving van dieren bij ritueel slachten kreeg in 2012 geen meerderheid, omdat er volgens de meerderheid onvoldoende rekening was gehouden met de vrijheid van godsdienst.

Scheiding zonder rechterlijke tussenkomst

In juni 2006 verwierp de Eerste Kamer een voorstel van de VVD'er Ruud Luchtenveld over scheiding zonder rechterlijke tussenkomst. Ouders zouden verantwoordelijk worden voor een ouderschapsplan voor de opvoeding van de kinderen na de scheiding. Een meerderheid vreesde onder meer een te grote toeloop naar de rechter bij problemen over het ouderschapsplan. Verder waren er juridische bezwaren tegen het voorstel. Alleen D66 stemde uiteindelijk voor. In 2008 kwam een wet tot stand die vooral het voortgezette ouderschap na echtscheiding regelde.

Bevordering deeltijdarbeid

Een voorstel van GroenLinks-voorman Paul Rosenmöller over bevordering van deeltijdarbeid stuitte in 1997 op bezwaren van een senaatsmeerderheid. Door het voorstel moesten werknemers het recht krijgen de arbeidsduur te verminderen en werd het werkgevers verboden te discrimineren op grond van arbeidsduur. De meerderheid vond dat bevordering van deeltijd een zaak was van de sociale partners en niet van de overheid.

Abortus

De verwerping van het initiatiefwetsvoorstel van de leden Geurtsen , Lamberts , Roethof en Veder-Smit over abortus had verruit de grootste politieke betekenis van alle verworpen voorstellen. De abortuskwestie (invoering van het recht van vrouwen om zelf, zonder strafrechtelijke vervolging, te beslissen over medisch verantwoorde afbreking van zwangerschap) was sinds begin jaren zeventig een heikel politiek onderwerp.

In 1970 kwamen de PvdA-Kamerleden Lamberts en Roethof met een voorstel waardoor abortus uit het strafrecht zou worden gehaald. De christendemocraten (eerst vanuit het kabinet-Biesheuvel, later als parlementair initiatief) wilden abortus alleen op medische gronden toestaan, maar wel onder het strafrecht laten vallen. In 1976 kwamen ook de VVD-leden Geurtsen en Veder-Smit met een eigen voorstel. Dat werd kort daarna samengevoegd met het PvdA-voorstel.

De Tweede Kamer aanvaardde het PvdA/VVD-voorstel in september 1976 met 83 tegen 58 stemmen. In de Eerste Kamer rees onverwacht verzet vanuit de VVD-fractie met name tegen de voorgestelde grenzen waarbinnen abortus nog was toegestaan. Acht van de twaalf leden, onder wie fractievoorzitter Haya van Someren , stemden tegen, waardoor het voorstel met 41 tegen 34 stemmen op 14 december 1976 - in een voor het eerst voltallig aanwezige Senaat - sneuvelde.

Invoering cassatie

In november 1973 verwierp de Senaat een voorstel van PPR-fractievoorzitter Bas de Gaay Fortman over het invoeren van cassatie en cassatie in het belang der wet in het militair strafrecht. Tegen een bepaling over de ontslagprocedure van leden van het Hoog Militair Gerechtshof werden grondwettelijke bezwaren aangevoerd, waarna het voorstel met 34 tegen 28 stemmen sneuvelde. Erik Jurgens wist later een enigszins gewijzigd voorstel wel door de Senaat te loodsen.

Vervroeging Prinsjesdag

In februari 1972 werd de mogelijkheid tot vervroeging van Prinsjesdag verworpen. Dit betrof een grondwetsvoorstel in tweede lezing ingediend door vijf fracties (KVP, ARP, D66, PvdA en VVD) met Westerterp (KVP) als eerste ondertekenaar. Door mogelijke vervroeging van Prinsjesdag moest tijdige parlementaire afhandeling van de rijksbegroting eenvoudiger worden. Met 14 tegen 40 stemmen werd het voorstel verworpen, onder meer omdat harmonisatie in Europees verband een vroeger tijdstip onwenselijk maakte. Bij de Grondwetswijziging van 1983 zou de mogelijkheid van vervroeging alsnog worden opgenomen in de Grondwet.

Parlementaire enquête

In januari 1948 verwierp de Eerste Kamer een wetsvoorstel dat afkomstig was van de parlementaire enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945 . Dat voorstel beo ogde het mogelijk te maken dat bij een parlementaire enquête oud-ministers ook over besprekingen in de ministerraad konden worden gehoord. In de Eerste Kamer keerden KVP, ARP, CHU en PvdV (de voorloper van de VVD) zich tegen het voorstel. Het kabinet kwam daarna met een compromisvoorstel, waardoor oud-ministers wel over beslissingen van de ministerraad konden worden gehoord, maar vrij stonden om wel of geen mededelingen te doen over de beraadslagingen in die raad.

Een (hernieuwde) poging van twee Kamerleden, Van der Burg (CDA) en Stoffelen (PvdA) om het recht van enquête te verlenen aan een parlementaire minderheid (minderheidsrecht enquête), werd in maart 1986 verworpen. Een dergelijk regeringsvoorstel was in 1981 door de Eerste Kamer bij de tweede lezing van de grondwetsherziening verworpen. In 1986 keerden de meerderheid (CDA, VVD, SGP en GPV) zich er opnieuw tegen vanwege de gevolgen voor aantasting van de persoonlijke levenssfeer van getuigen.


meer over

Bent u als journalist of wetenschapper op zoek naar statistische gegevens over moties, stemgedrag, Kamervragen of andere parlementaire activiteiten? PDC, partner van het Montesquieu Instituut, kan deze gegevens onder voorwaarden beschikbaar stellen voor wetenschappelijk onderzoek en journalistieke publicaties. Neem voor meer informatie contact op .

Op bovenstaande tekst en gegevens zijn auteursrechten van PDC van toepassing; overname, in welke vorm dan ook, is zonder expliciete goedkeuring niet toegestaan. Ook de afbeeldingen zijn niet rechtenvrij.