Bestuurlijke vernieuwing

Bestuurlijke vernieuwing is het aanbrengen van wijzigingen in de organisatiestructuur van de (rijks-)overheid zodat die beter, efficiënter en krachtdadiger kan optreden. Bestuurlijke vernieuwingen worden vaak in een adem genoemd met staatkundige en/of staatsrechtelijke vernieuwingen, die niet alleen een efficiëntere overheid tot doel hebben maar die ook de democratie beter willen verankeren. Daarmee moet een mogelijke kloof tussen kiezer, gekozene en overheid kleiner worden.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

De weg naar bestuurlijke vernieuwing

De behoefte naar bestuurlijke vernieuwingen vloeit voort uit een veranderende maatschappij, waarbij de vorming, samenstelling, inrichting en werkwijze van het (lands-)bestuur ter discussie wordt gesteld. Voor bestuurlijke vernieuwingen zijn vaak wijzigingen van de Grondwet noodzakelijk. Dat is een zware procedure die lange tijd vergt en waar uiteindelijk een meerderheid van tweederde van Tweede en Eerste Kamer voor nodig. Dat maakt het niet makkelijker bestuurlijk vernieuwingen door te voren.

Terugkerende thema's zijn het kiesstelsel, directe democratie, de positie van de Eerste Kamer en de inrichting van bestuurslagen, zoals gemeenten, provincies en waterschappen. De regering stelt met enige regelmaat Staatscommissies of andere fora in om bestuurlijke vernieuwing voor te bereiden. De adviezen van deze commissies worden niet altijd opgevolgd. Het kabinet-Balkenende IV legde bijvoorbeeld in 2008 het advies van het Burgerforum Kiesstelsel naast zich neer.

Minister Ronald Plasterk van BZK stelde op 27 januari 2017 de Staatscommissie parlementair stelsel in. Deze commissie met als voorzitter Johan Remkes brengt advies uit over de noodzaak van veranderingen in het parlementaire stelsel en de parlementaire democratie. Aanleiding voor het instellen van deze commissie was de grotere behoefte aan burgerparticipatie, invloed op Europese besluitvorming en decentralisatie van rijkstaken.

3.

Historische ontwikkeling

Bestuurlijke of staatsrechtelijke vernieuwingen zijn niet van vandaag of gisteren, maar bepalen al sinds de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden op gezette tijden de politieke agenda. Zo is de de Grondwet van 1848 een gevolg van het liberale gedachtegoed dat Europa in die periode in haar greep had. Ook de sinds 1848 geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht - tot aan de verlaging van de gerechtigde leeftijd naar 18 jaar en het stemrecht van niet Nederlanders voor gemeente- en eilandraden in 1983 - zijn een gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen. Belangrijke mijlpalen zijn daarin de invoering van het algemeen mannenkiesrecht in 1917 en het vrouwenkiesrecht in 1919.

Tijdens de jaren 60-70 van de vorige eeuw overspoelde een ware democratiseringsgolf de maatschappij. Medezeggenschap in het bestuur van universiteiten werd afgedwongen en ook in het economisch leven ontstond meer medezeggenschap door een herziening van de Wet op de Ondernemingsraden.

In 1966 werd D66 (oorspronkelijk D'66) opgericht waarbij de D voor Democraten stond. Een directere democratie in de politiek was hun devies waarbij de gekozen minister-president, de gekozen burgemeester en referenda hoog op hun verlanglijstje stond. D66 haalde meteen zeven zetels en was sindsdien met ups en downs succesvol. Regelmatig maakten zij deel uit van de regering, waarbij zij trachten hun 'kroonjuwelen' te verzilveren, nagenoeg altijd zonder succes. In 2018 maakte de partij zelfs deel uit van de coalitie die het raadgevend referendum afschafte.

In de jaren naar 2000 kwam er meer roep om directe democratie. Zowel TROTS, PVV en Forum voor Democratie waren en zijn daar voorstander van. In 2018 lanceerde de beweging Code Oranje voorstellen voor vormen van directere democratie.

4.

Staatscommissies en Grondwetsherzieningen

In de loop der tijden hebben staatscommissies zich regelmatig gebogen over Grondwetsherzieningen. Dat leidde - de ene keer meer dan de andere keer - tot aanpassingen van de Grondwet. De laatste grote aanpassing van de Grondwet vond plaats in 1983. Die werd voorbereid door de commissie Cals-Donner.

In het najaar van 2015 startte VVD-fractievoorzitter Hermans in de Eerste Kamer een discussie over de toekomstbestendigheid van het parlementaire stelsel. Dit leidde, na aanname van een motie en overleg met de Tweede Kamer en de regering, in januari 2017 tot de instelling van de Staatscommissie parlementair stelsel.


Meer over