Verdrag van Rome

Robert Schuman

Op 25 maart 1957 werd in Rome het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ondertekend dat de basis vormt voor wat tegenwoordig de Europese Unie heet. Dit 'Verdrag van Rome' was een ambitieus plan van zes West-Europese landen die op die manier wilden voorkomen dat Europa voor de derde keer in één eeuw het toneel zou worden van een verwoestende oorlog.

De politieke leiders van die zes landen gaven daarmee gevolg aan het initiatief dat de Franse minister Robert Schuman zeven jaar daarvoor had genomen, toen hij op 9 mei 1950 Frankrijk en Duitsland opriep hun productie van kolen en staal onder één gemeenschappelijke autoriteit te brengen. Dit initiatief mondde in 1953 uit in het Verdrag tot oprichting van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS-Verdrag), waarna in 1957 het EEG-Verdrag werd ondertekend in Rome. Dat was de voorloper van het huidige Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Het was de tijd dat de politieke leiders in Europa werden geïnspireerd door een droom, een droom die eenvoudig was samen te vatten in de woorden "nooit meer oorlog". En deze droom wilden zij werkelijkheid laten worden langs de weg van economische samenwerking. Vandaar kolen en staal: onmisbare grondstoffen voor de oorlogsindustrie. Vandaar de Europese Economische Gemeenschap. Uiteraard moesten Frankrijk en Duitsland destijds de hoeksteen van deze samenwerking vormen. Want zonder deze twee rivaliserende grootmachten zou het ideaal van 'nooit meer oorlog' niet levensvatbaar zijn. Italië sloot zich aan, en ook België, Nederland en Luxemburg, die al geruime tijd als Benelux een douane-unie vormden.

Voorgeschiedenis Verdrag van Rome

De verschrikkingen van twee wereldoorlogen en de zware economische gevolgen van de Tweede Wereldoorlog maakten het klimaat rijp voor het streven naar Europese samenwerking. In diverse landen ontstond een Europese Beweging. Dat streven werd door de Verenigde Staten gestimuleerd, die het economische hulpprogramma (Marshall-Plan) koppelde aan Europese samenwerking. In april 1948 werd daarom de Organisatie van Europese Economische Samenwerking (OEES) opgericht. Daaraan namen 16 Europese landen deel.

Via de OEES werd gestreefd naar vrijer handels- en betalingsverkeer door opheffing van douanebelemmeringen en invoerrechten. Het streven naar een douane-eenheid had overigens in 1944 al een eerste aanzet gehad door oprichting van de Benelux, de samenwerking tussen België, Nederland en Luxemburg.

Behalve het economische belang, speelde ook de dreiging uit Oost-Europa, en met de Sovjet-Unie, een belangrijke rol. Vooral de communistische omwenteling in Tsjechoslowakije in februari 1948 maakte grote indruk. In maart 1948 werd als reactie hierop het Pact van Brussel gesloten, waarbij de West-Europese Unie werd opgericht, waarvan de landen zich verbonden tot wederzijdse militaire bijstand bij een gewapende aanval op één van hen. In april 1949 zou het militaire bondgenootschap verder worden uitgebreid en omgezet in een Atlantisch pact in de vorm van de NAVO.

In mei 1949 sloten de Europese landen een verdrag over oprichting van een Raad van Europa. Deze richt zich vooral op het veiligstellen van de mensenrechten.Doel van de Raad van Europa was het bevorderen van de democratie en de mensenrechten.

Van samenwerkingsverband tot een EU van 28 lidstaten

Wat in de jaren na de oorlog was begonnen als een ideaal, ontwikkelde zich in de loop van de tijd tot een praktisch, economisch samenwerkingsverband: de controles aan de binnengrenzen verdwenen, de interne markt kwam tot stand in de jaren '80 en de euro werd in een groot deel van de EU-landen geïntroduceerd als gemeenschappelijk betaalmiddel. En de EU breidde zich uit, met onder andere het Verenigd Koninkrijk in 1973, Spanje in 1986 en later tien landen die vroeger tot het Oostblok werden gerekend. De EU bestaat nu uit 28 landen en is met zo'n 500 miljoen inwoners een van de grootste economische blokken in de wereld.

Na de oprichting van de EEG was er in dit deel van de wereld relatieve stabiliteit. Een derde wereldoorlog bleef uit en economisch ontwikkelden de lidstaten zich in dit klimaat zeer voortvarend. Nederland, met zijn op de buitenlandse handel georiënteerde economie, had economisch gezien veel baat bij de Europese samenwerking.

Hoe nu verder?

Maar met de ontwikkeling van de EU als economisch samenwerkingsverband raakte ook het oorspronkelijke ideaal van de grondleggers steeds verder op de achtergrond. Steeds meer werd het middel -economische samenwerking- aangezien voor het doel van Europese integratie, zeker door de generatie die was opgegroeid in een klimaat van politieke stabiliteit waarin het ideaal van 'nooit meer oorlog' steeds minder tot de verbeelding sprak.

Meer of minder Europa?

Het proces van Europese integratie was zo ver voortgeschreden dat hier en daar scepsis en weerstand opdoken. Aan het begin van de jaren '90 was dat duidelijk voelbaar in Denemarken toen de bevolking tijdens een referendum in eerste instantie tegen het Verdrag van Maastricht stemde. Angst voor verlies van eigenheid en soevereiniteit lagen als regel aan de basis van dergelijke reacties. Nu de EU zo ver was doorgedrongen in het dagelijks leven, begonnen veel burgers zich af te vragen wat er nog over bleef van hun nationale identiteit en soevereiniteit. Het 'nee' dat in 2005 bij referenda in Frankrijk en Nederland werd uitgesproken tegen de Europese Grondwet, was in dat verband veelzeggend: twee van de landen die 50 jaar geleden het Europese ideaal vorm gaven, toonden nu openlijk hun aarzelingen tegen verdere samenwerking.

Uiteindelijk werden een aantal aanpassingen aangebracht die aan de bezwaren tegemoet moesten komen, en werd het Verdrag van Lissabon in 2007 goedgekeurd door de Europese Raad. Het verdrag werd op 1 december 2009 van kracht.