Beleid ontwikkelingssamenwerking

Het ontwikkelingsbeleid van de EU is erop gericht om hulp te bieden en handel te drijven. Achtergebleven bevolkingsgroepen moeten weer controle krijgen over hun eigen ontwikkeling. Deze ontwikkeling moet op duurzame wijze en in onderlinge samenwerking plaatsvinden.

Het grootste deel van de Europese ontwikkelingshulp wordt gefinancierd uit het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI). Ook kunnen organisaties met projecten in ontwikkelingslanden goedkope leningen afsluiten bij de Europese Investeringsbank. De uitvoering van de ontwikkelingssamenwerking ligt bij de Europese Commissie. Er is een afzonderlijke commissaris voor het beleid humanitaire hulp en rampenbestrijding.

De aanpak van klimaatverandering en migratie staan tegenwoordig hoog op de agenda van dit beleidsterrein. In grote lijnen sluit het EU-ontwikkelingsbeleid aan bij de doelen van de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling. Dit is een mondiaal programma met als doel armoede uit te bannen. De EU en haar lidstaten verstrekten in 2019 in totaal circa 85 miljard euro aan officiële ontwikkelingshulp.

De EU heeft een speciaal samenwerkingsverband met de leden van de Organisatie van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (OACPS, voorheen de ACS-landen), die gebaseerd is op de Cotonou-overeenkomst. In 2021 werd onderhandeld over een post-Cotonou-overeenkomst, een nieuwe partnerschapsovereenkomst waarin de politieke, economische en sectorale samenwerking voor de komende twintig jaar wordt vastgesteld. Naast het actieve samenwerkingsverband met de ACS-landen, bestaat er ook nauwe samenwerking met de overzeese gebieden die onderdeel uitmaken van Denemarken, Frankrijk, en Nederland en zo verbonden zijn met de Europese Unie. Verder wordt er samengewerkt met de landen in het zuidelijk en oostelijk gedeelte van het Middellandse Zeegebied, landen in Midden- en Oost-Europa en voormalige Sovjetrepublieken in Centraal-Azië. De Europese Unie koppelt steun voor landen in Afrika en het Midden-Oosten aan medewerking bij het in de eigen regio te houden of weer opnemen van migranten, met als doel de migratiestromen in te perken en het aantal mensen dat tijdens hun reis omkomt, terug te dringen.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Mijlpalen

Sinds de oprichting van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) middels het Verdrag van Rome in 1957 is ontwikkelingshulp een centraal thema in de EU.

In 1975 werd de relatie tussen de ACS-landen (nu OACPS-landen) en de Europese Unie geregeld in de overeenkomst van Lomé. 25 jaar later werd dit opnieuw gedaan door de Cotonou-overeenkomst, die in 2005 werd herzien. In 2021 zal deze overeenkomst vervangen worden door de post-Cotonou-overeenkomst, waarbij de huidige samenwerking gemoderniseerd wordt en het toepassingsgebied en de omvang van de ambities van de EU en de OACPS uitgebreid worden om de huidige en toekomstige uitdagingen beter aan te pakken.

In oktober 2011 is het beleid van de EU voor ontwikkelingssamenwerking hervormd. Doel van deze hervormingen was Europese ontwikkelingshulp meer te richten op regio's, landen en staten die de hulp het meest kunnen gebruiken. Landen en regio's die zelf over genoeg middelen beschikken, ontvangen geen subsidies meer, maar zullen profiteren van hulp in de vorm van partnerschappen met de Unie.

De Europese Commissie heeft destijds negen financiële instrumenten ingevoerd voor het uitvoeren van het beleid ontwikkelingssamenwerking. De Europese Unie sluit daarbij met ieder land dat ontwikkelingshulp ontvangt een verdrag over een 'nationaal indicatief programma' (NIP). Daarin worden per land specifieke doelen vastgelegd die met de steun van de EU bereikt moeten worden. In 2014 werden de eerste NIP-akkoorden gesloten, gebaseerd op analyses van het hulpbehoevende land en het overheidsbeleid.

In september 2015 werd het verdrag voor de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling goedgekeurd, waar de EU als actieve partner aan meegewerkt heeft. In september 2019 presenteerde de EU een gezamenlijk verslag dat elke vier jaar wordt gepubliceerd, waar de EU-maatregelen om de Agenda 2030 te verwezenlijken in beschreven staan.

2.

Wie doet wat

De uitvoering van het Europese ontwikkelingsbeleid, de gunning van contracten en de onderhandelingen met (bijvoorbeeld) Afrikaanse overheden over de besteding van ontwikkelingsgelden berust bij de Europese Commissie. Bij de besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement een rol. De besluitvorming verloopt volgens de gewone wetgevingsprocedure.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Eurocommissaris voor Crisisbeheer

Eurocommissaris voor Internationale Partnerschappen

Parlementaire commissie Europees Parlement

parlementaire commissie Ontwikkelingssamenwerking

Nederlands lid commissie Europees Parlement

Er zitten geen Nederlandse leden in deze commissie

Raad van de Europese Unie

Raad Buitenlandse Zaken (RBZ)

Nederlandse afvaardiging Raad van Ministers

Sigrid Kaag (D66), minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Invloed nationale parlementen

Nationale parlementen van de lidstaten kunnen binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Betrokken bij uitvoering

 

Betrokken instantie EU/internationaal

Verantwoordelijke

Directoraat-Generaal

DG Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Operaties

Organisatie

Europese Investeringsbank (EIB)