Onderwijs- en jeugdbeleid

Met het onderwijsbeleid wil de EU iedereen de mogelijkheid bieden een opleiding te volgen en de kennis tijdens het beroepsleven te vergroten. De EU heeft daarom een aantal programma’s en projecten in het leven geroepen. Voorbeelden zijn het uitwisselingsprogramma Erasmus + en het Europees Solidariteitskorps.

 
Een klaslokaal met 9 werkende kinderen
Bron: KalvinKalvin - WikiMedia

Lidstaten dragen in de Europese Unie zelf de verantwoordelijkheid voor het verzorgen en inrichten van onderwijs. Het Europese onderwijsbeleid is daarom terughoudend. Wel staat de Europese Unie lidstaten bij in het vaststellen van gemeenschappelijke doelstellingen en het uitwisselen van kennis op het gebied van onderwijs.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Mijlpalen

Een moeizaam begin

De Europese Unie voert sinds de jaren '70 beleid op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding. Het eerste actieprogramma in de vorm van een resolutie op het gebied van onderwijs werd overeengekomen in 1976. Dit actieprogramma was voornamelijk gericht op het vaststellen van kaders voor toekomstige samenwerking op het gebied van onderwijs. Ook werd er een onderwijscomité in het leven geroepen.

In de decennia die daarop volgden werd het onderwijsbeleid steeds verder uitgebreid, met onder andere de oprichting van verschillende programma’s, zoals Comett I (1986), Erasmus (1987), Force (1990) en Tempus (1990). De specifieke doelen van het onderwijsbeleid werden vastgelegd in de verdragen van Maastricht (1992) en Amsterdam (1997).

Van onderwijs naar jeugd

Het beleid dat de Europese Commissie voerde was zeker aan het begin voornamelijk gericht op onderwijs. In maart 2005 keurden de staatshoofden en regeringsleiders van de EU echter een Europees pact voor de jeugd goed. Daarin werden algemene beginselen vastgesteld, zoals het creëren van banen voor jongeren, het bijbrengen van een aantal basisvaardigheden tijdens hun opleiding en het totstandbrengen van een evenwicht tussen werk en privé-leven, zodra ze een baan hebben.

Erasmus +

Over de jaren heen werden er behoorlijk wat verschillende subsidieprogramma’s opgericht met diverse doeleinden in het kader van onderwijs en ontwikkeling van de jeugd. Voorbeelden zijn Erasmus, Erasmus Mundus, Comenius en Leonardo da Vinci. In 2013 werd echter besloten om al deze programma’s samen te voegen onder Erasmus +. Dit programma ging van kracht in januari 2014.

Erasmus+ richt zich op drie soorten kernacties:

  • Individuele leermobiliteit: dit moet de participatie van jongeren in de democratie vergroten en modernisering van onderwijsinstellingen bevorderen.
  • Samenwerking voor innovatie en goede praktijken: projecten die gericht zijn op innovatie op het gebied van onderwijs, beroepsopleidingen en jongeren.
  • Ondersteuning van beleidshervormingen in lidstaten.

Bestrijding jeugdwerkloosheid

Jeugdwerkloosheid werd een steeds groter probleem in de Europese Unie. Door de economische crisis steeg de werkloosheid onder jongeren in de periode van 2008 tot 2013 van 15% tot 24%. In 2013 besloten de lidstaten daarom om een EU-brede politieke toezegging te doen: alle jongeren onder de 25 jaar moeten binnen vier maanden na het afstuderen of na werkloos te zijn geworden een goede baan, een nieuwe opleiding of een stage aangeboden krijgen. Dit lijkt te werken: in het eerste kwartaal van 2019 is het percentage jeugdwerkloosheid in de EU gedaald naar 14,6%.

Het Europees Solidariteitskorps

Om jongeren meer ervaring op te laten doen in een ander land en ze beter te betrekken bij de Europese gemeenschap, riep de Europese Unie het Europees Solidariteitskorps in het leven. Sinds december 2016 kunnen jongeren tussen de 18 en 30 jaar zich opgeven voor het Solidariteitskorps. Via het korps krijgen ze de kans om een steentje bij te dragen aan de Europese samenleving door bijvoorbeeld te helpen bij de integratie van vluchtelingen of ander vrijwilligerswerk te doen.

Lees meer

2.

Wie doet wat

Bij de besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement een rol. De besluitvorming verloopt volgens de gewone wetgevingsprocedure. Bij onderwerpen waar de lidstaten op dit terrein wel Europees samenwerken, maar niet direct op basis van de Europese verdragen, vindt besluitvorming plaats volgens de open coördinatiemethode.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Eurocommissaris voor Innovatie, Onderzoek, Cultuur, ...

Eurocommissaris voor de Bevordering van onze Europese ...

Parlementaire Commissie EP

parlementaire commissie Cultuur en Onderwijs

Nederlands lid parlementaire commissie EP

Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Onderwijszaken, Jeugd, Cultuur en Sport

Nederlandse afvaardiging Raad van de Europese Unie

Ingrid van Engelshoven (D66), minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Arie Slob (ChristenUnie), minister voor Basis en Voortgezet Onderwijs en Media

Paul Blokhuis (ChristenUnie), staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (voor jeugdzaken)

Invloed nationale parlementen

Het Nederlandse parlement heeft ook een rol in de totstandkoming van Europees beleid. Dat kan formeel op twee manieren. Ten eerste controleert de Staten-Generaal de minister of staatssecretaris die naar de Raad van de Europese Unie gaat om over het onderwerp te praten. Daarnaast kunnen nationale parlementen van de lidstaten binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Betrokken bij wetgeving en uitvoering