Onderwijs- en jeugdbeleid

Met het onderwijsbeleid wil de EU iedereen de mogelijkheid bieden een opleiding te volgen of de opgedane kennis tijdens het beroepsleven te vergroten. De EU heeft daarom een aantal programma’s en projecten in het leven geroepen. Voorbeelden zijn het uitwisselingsprogramma Erasmus + en het Europees Solidariteitskorps.

 
Een klaslokaal met 9 werkende kinderen
Bron: KalvinKalvin - WikiMedia

Lidstaten dragen in de Europese Unie zelf de verantwoordelijkheid voor het verzorgen en inrichten van onderwijs. Het Europese onderwijsbeleid is daarom terughoudend. Wel staat de Europese Unie lidstaten bij in het vaststellen van gemeenschappelijke doelstellingen en het uitwisselen van kennis op het gebied van onderwijs.

In 2018 publiceerde de Commissie nieuwe voorstellen voor investeringen in het onderwijsbeleid. Zo wil de Commissie het Europees Solidariteitskorps uitbreiden tot 350.000 leden en moeten er 200.000 gratis Interrail-passen beschikbaar gesteld worden voor jongeren om Europa te verkennen onder DiscoverEU. Ook wil de Commissie de financiering van het Erasmus + programma verdubbelen en een Europese Onderwijsruimte creëren. Het Parlement en de lidstaten moeten zich nog over deze en andere voorstellen buigen.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Staand beleid

Budget

De EU wil ook in 2020 doorgaan met het financieel ondersteunen van de jeugd. Voor onderwijs onder het Erasmus+-programma is voor 2010 2.8 miljard euro beschikbaar gesteld. Dit is een stijging van 1.8% vergeleken met 2019. Het totale budget voor Erasmus+ over de periode 2014-2020 is 14.74 miljard. Het Erasmus+ programma investeert naast onderwijs en opleiding ook in jongeren en sport. De Europese Commissie wil de financiering van Erasmus+ voor de periode 2021-2027 verdubbelen tot 30 miljard euro.

Het beleid dat tot 2020 van kracht is, is gericht op het bereiken van vier doelen.

  • Levenslang leren promoten en het bevorderen van leermobiliteit, door het mogelijk te maken om, bijvoorbeeld, in het buitenland te studeren. Hiervoor wordt onder andere geld vanuit Erasmus + gebruikt om onderwijs en opleiding op alle niveaus en voor alle leeftijden te faciliteren.
  • Het verbeteren van de kwaliteit en efficiëntie van onderwijs en opleiding. Om dit te bereiken zette de EU in 2012 rethinking education op, om te kijken hoe het ervoor stond met het onderwijs in de EU en wat er gedaan moest worden om het te verbeteren. Met het resultaat van dat onderzoek, is de EU zich meer gaan richten op onder andere talen en ondernemersvaardigheden.
  • De kansengelijkheid, sociale binding en actief burgerschap bevorderen. Het Europees Solidariteitskorps en DiscoverEU zijn programma’s die in het leven zijn geroepen om hieraan bij te dragen.
  • Creativiteit, ondernemerschap en innovatie bevorderen op alle onderwijs- en opleidingsniveaus.

2.

Mijlpalen

Een moeizaam begin

De Europese Unie voert sinds de jaren '70 beleid op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding. Het eerste actieprogramma in de vorm van een resolutie op het gebied van onderwijs werd overeengekomen in 1976. Dit actieprogramma was voornamelijk gericht op het vaststellen van kaders voor toekomstige samenwerking op het gebied van onderwijs. Ook werd er een onderwijscomité in het leven geroepen.

In de decennia die daarop volgden werd het onderwijsbeleid steeds verder uitgebreid, met onder andere de oprichting van verschillende programma’s, zoals Comett I (1986), Erasmus (1987), Force (1990) en Tempus (1990). De specifieke doelen van het onderwijsbeleid werden vastgelegd in de verdragen van Maastricht (1992) en Amsterdam (1997).

Van onderwijs naar jeugd

Het beleid dat de Europese Commissie voerde was zeker aan het begin voornamelijk gericht op onderwijs. In maart 2005 keurden de staatshoofden en regeringsleiders van de EU echter een Europees pact voor de jeugd goed. Daarin werden algemene beginselen vastgesteld, zoals het creëren van banen voor jongeren, het bijbrengen van een aantal basisvaardigheden tijdens hun opleiding en het totstandbrengen van een evenwicht tussen werk en privé-leven, zodra ze een baan hebben.

Bestrijding jeugdwerkloosheid

Jeugdwerkloosheid werd een steeds groter probleem in de Europese Unie. Door de economische crisis steeg de werkloosheid onder jongeren van 15% in 2008 naar. In 2013 besloten de lidstaten daarom om een EU-brede politieke toezegging te doen: alle jongeren onder de 25 jaar moeten binnen vier maanden na het afstuderen of na werkloos te zijn geworden een goede baan, een nieuwe opleiding of een stage aangeboden krijgen. Dit lijkt te werken: in het eerste kwartaal van 2019 is het percentage jeugdwerkloosheid in de EU gedaald naar 14.6%.

Het Europees Solidariteitskorps

Om jongeren meer ervaring op te laten doen in een ander land en ze beter te betrekken bij de Europese gemeenschap, riep de Europese Unie het Europees Solidariteitskorps in het leven. Sinds december 2016 kunnen jongeren tussen de 18 en 30 jaar zich opgeven voor het Solidariteitskorps. Via het korps krijgen jongeren de kans om een steentje bij te dragen aan de Europese samenleving door bijvoorbeeld te helpen bij de integratie van vluchtelingen of ander vrijwilligerswerk te doen.

Toekomst van het beleid

De Europese Commissie wil ervoor zorgen dat er in 2025 een Europese onderwijsruimte is. Met deze onderwijsruimte moeten alle jongeren in de Europese Unie toegang krijgen tot het beste onderwijs en de mogelijkheid om later in heel Europa aan de slag te kunnen. Om deze onderwijsruimte te bewerkstelligen, heeft de Commissie een aantal voorstellen gedaan. Zo wil de Commissie dat diploma's voortaan in heel Europa erkend worden, dat er een jeugdstrategie komt voor de periode 2019-2027 om jongeren meer te betrekken bij Europa en dat er extra aandacht wordt besteed aan het leren van meerdere Europese talen.

Verder heeft de Raad Onderwijs, Jeugdzaken, Cultuur en Sport in mei 2019 gesproken over de arbeidssituatie van jongeren. Bij deze Raad werd vastgesteld dat onzekerheid over werk, weinig sociale bescherming en onzekere arbeidsvoorwaarden de belangrijkste problemen vormen in de werkomgeving van jongeren. Dit zijn dan ook problemen die de EU in de toekomst wil gaan aanpakken.

Lees meer

3.

Wie doet wat

Bij de besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement een rol. De besluitvorming verloopt volgens de gewone wetgevingsprocedure. Bij onderwerpen waar de lidstaten op dit terrein wel Europees samenwerken, maar niet direct op basis van de Europese verdragen, vindt besluitvorming plaats volgens de open coördinatiemethode.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Eurocommissaris voor Onderwijs, Cultuur, jongeren en sport

Parlementaire Commissie EP

parlementaire commissie Cultuur en Onderwijs

Nederlands lid parlementaire commissie EP

Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Onderwijszaken, Jeugd, Cultuur en Sport

Nederlandse afvaardiging Raad van de Europese Unie

Ingrid van Engelshoven (D66), minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Arie Slob (ChristenUnie), minister voor Basis en Voortgezet Onderwijs en Media

Paul Blokhuis (ChristenUnie), staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (voor jeugdzaken)

Invloed nationale parlementen

Het Nederlandse parlement heeft ook een rol in de totstandkoming van Europees beleid. Dat kan formeel op twee manieren. Ten eerste controleert de Staten-Generaal de minister of staatssecretaris die naar de Raad van de Europese Unie gaat om over het onderwerp te praten. Daarnaast kunnen nationale parlementen van de lidstaten binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Betrokken bij wetgeving en uitvoering