Onmogelijk intermezzo

30 april 2021, column Bert van den Braak

Nadat het eerste kabinet-Colijn was gevallen, omdat de katholieke ministers zich niet neerlegden bij de afschaffing van het gezantschap bij de paus, vormde de CHU-politicus Dirk de Geer in maart 1926 een intermezzo-kabinet. Dat gebeurde na een crisis die vier maanden had geduurd en uitzichtloos leek1). De Geer was politicus en zelfs een vooraanstaande. Dat gold niet voor de andere ministers; alleen Slotemaker de Bruïne was Eerste Kamerlid. Het kabinet-De Geer regeerde daarna ruim drie jaar. Zou een dergelijk kabinet, met kleurloze buitenstaanders, nu ook denkbaar zijn?2)

Allereerst iets over het politieke landschap. De verkiezingen van 1925 hadden de zittende regeringspartijen (de coalitie) weliswaar licht verlies bezorgd, maar ARP, RKSP en CHU beschikten samen over een meerderheid van 54 zetels (in een Tweede Kamer van 100 leden). De grootste oppositiepartij was de SDAP met 24 zetels, daarnaast waren er twee liberale partijen, de Vrijheidsbond (9 zetels) en de VDB (7 leden), alsmede de SGP met twee zetels en vier eenmansfracties. In de Eerste Kamer beschikte de coalitie over 31 van de 50 zetels. Het beeld was - anders dan nu - overzichtelijk en stabiel.

Dat de breuk in de coalitie in 1925 niet volledig was, bleek in mei 1926 toen De Geer in de Eerste Kamer met succes een wetsvoorstel verdedigde dat het gevaar moest beteugelen dat bioscopen vormden voor de 'zedelijkheid'. De Geer had het voorstel als minister van Binnenlandse Zaken met succes in de Tweede Kamer verdedigd en deed dat nu ook - nota bene als minister van Financiën - in de Eerste Kamer. De stemverhouding was links (liberalen en socialisten) tegen rechts (christelijke partijen). (Er zijn niettemin mensen die denken dat de Eerste Kamer pas recentelijk 'politieker' is geworden).

Er wachtte het kabinet-De Geer daarna nog één grote uitdaging. In april 1925 had minister Van Karnebeek een verdrag met België gesloten, waardoor de sinds Eerste Wereldoorlog verstoorde verhoudingen moesten worden hersteld. Het parlement diende dat uiteraard te ratificeren. Tegemoet­komingen aan de Belgen (zoals de voorgestelde verbinding van Antwerpen met Moerdijk) leidden tot maatschappelijk protest. Eén van de voormannen daarbij was Anton Mussert. Vrijwel alle partijen waren verdeeld. Desondanks nam de Tweede Kamer de goedkeuringswet met 50 tegen 47 stemmen aan. In maart 1927 volgde de behandeling in de Eerste Kamer. Liefst 27 van de 50 leden voerden het woord en de Senaat trok er acht dagen voor uit. Het debat eindigde op 23 maart in verwerping (33 tegen 17 stemmen)3). Dat leidde tot het aftreden van minister Van Karnebeek, die het verdrag als zijn levenswerk had beschouwd.

Verder was het in politiek opzicht heel rustig. De begroting vertoonde een licht overschot en er brak een korte periode aan van relatieve welvaart. De rol van een regering was toen sowieso veel beperkter dan tegenwoordig. De belangrijkste reden voor de rust was echter bijna even simpel als (nu) onvoorstelbaar. De Geer verklaarde in de regeringsverklaring op 11 maart 1926:

"De politieke vraagstukken, die verband houden met de partijgroepeering zooals die tot dusver hier te lande heeft bestaan, zullen blijven rusten en gehandhaafd blijven in het stadium, waarin zij op dit oogenblik verkeeren."

Er werd door het kabinet-De Geer niet aan 'politiek' gedaan. Na de omstreden Bioscoopwet kwamen er dan ook vrijwel geen politiekgevoelige kwesties op de agenda. Het parlement was bovendien feitelijk machteloos, omdat er vooralsnog geen alternatief voor het kabinet-De Geer was. De enige belangrijke wet die het kabinet wel realiseerde, de Financiële Verhoudingswet, werd breed gesteund.

Denk eens in hoe dat nu zou zijn: een paar jaar zonder politieke besluiten over woningmarkt, stikstofproblematiek, klimaatmaatregelen, zorgstelsel, herstel van de economie, asielbeleid, leenstelsel etc. etc. Dat is volstrekt ondenkbaar. Wie meent dat een soort 'kabinet-De Geer' de oplossing voor de lopende formatie is, miskent de gewijzigde omstandigheden en miskent dat we ons langdurige politieke besluiteloosheid helemaal niet kunnen veroorloven.


  • 1) 
    Op 2 maart 1926 vroeg SDAP-leider Albarda om ontbinding van de Tweede Kamer.
  • 2) 
    Hans Goslinga, "Zo lost een extra-parlementair kabinet de problemen op", Trouw, 17 april 2021 (Hij erkent overigens de machteloosheid van zo'n kabinet).
  • 3) 
    Het was de eerste maal dat alle 50 Eerste Kamerleden aan een stemming meededen.


Andere recente columns