Grenzen aan de individualisering

23 oktober 2020, column J.Th.J. van den Berg

Meer dan dertig jaar geleden mocht ik meewerken aan een rapport dat de oude boodschap van de sociaaldemocratie moest confronteren met diepgaande maatschappelijke veranderingen die zich (uiterlijk) vanaf de jaren zestig hadden voltrokken. Die zouden ertoe moeten leiden dat niet haar kernboodschap maar wel de methoden om die uit te dragen en vruchtbaar te maken aan vernieuwing toe waren. Een van de belangrijke tendensen in dit rapport, ‘Schuivende Panelen’ 1) werd volgens de auteurs gevormd door een proces van individualisering. Ik heb er twee maanden geleden ook al aandacht aan besteed2).

Kort gezegd: mensen maken zich los van dwingende sociale verbanden, van gezin tot vereniging en kerk, in het verlangen zelf over hun lot te beschikken en zelf te kiezen welke vormen van samenleven de meest zinvolle zijn. ‘Dekolonisatie van het dagelijks leven’, zoals het ook wel werd genoemd.

Zoals het rapport het vervolgens zei: ‘(…) de burger wenst als onafhankelijk en mondig individu te worden aangesproken; overheidsoptreden moet worden beargumenteerd en verantwoord; het besluit tot naleving van overheidsregels wordt zelfstandig gewogen. Democratisering en maatschappelijke ongehoorzaamheid blijken twee kanten van dezelfde medaille, waardoor de staat zowel aan slagvaardigheid als aan dwingend vermogen verliest’ 3).

Voor een partij met zo hoge verwachtingen van overheidsoptreden als de Partij van de Arbeid was dat natuurlijk een lastige observatie: enerzijds was zij geneigd de dekolonisatie van de gewone man en vooral vrouw te ondersteunen, maar anderzijds wilde zij haar verwachtingen van een dwingende overheid niet zomaar opgeven. Ook andere partijen zouden ermee te worstelen krijgen. Als zij de noodzaak zagen van overheidsingrijpen moesten zij zich telkens ook de vraag stellen of daar in de samenleving wel ‘draagvlak’ voor zou zijn.

De behoedzaamheid om met dwangmiddelen te werken werd voorts steeds groter. Zo kon ook het idee groeien dat Nederlanders zich wel willen laten overtuigen maar niet laten bevelen, alsof dat een grondtrek van onze bevolking zou zijn. Beetje onzin, want als er één gehoorzaam volkje tot de jaren zestig op aarde had verkeerd was dat het Nederlandse. In onderzoek van de jaren vijftig werd nog als belangrijkste eigenschap van fatsoenlijke burgers aangetroffen, dat ‘mensen hun plaats weten’. Kom daar nog eens om.

Individualisering is gepaard gegaan met een sterk vergroot beroep op ‘rechtsgelijkheid’. Zo zeer dat art. 1 van de Grondwet dat daarover gaat wordt gezien als belangrijker dan de vrijheidsrechten die erop volgen. Dat dit gelijkheidsbeginsel niet verder gaat dan gelijke behandeling in gelijke gevallen wordt over het hoofd gezien.

Het lijkt erop dat deze individualisering, die ten dele bevrijding heeft betekend maar ten dele ook gebrek aan besef van gemeenschappelijk belang, op haar grenzen is gestuit in de huidige corona-pandemie. Grenzen die te meer voelbaar zijn geworden, naarmate de bijbehorende beperkingen aan onze vrijheid van handelen veel langer duren dan aanvankelijk voorzien.

Het is veel moeilijker geworden van een bevolking te verlangen dat zij zichzelf allerlei gedragsbeperkingen oplegt en allerlei ontplooiing en vermaak achterwege laat. ‘Dat maak ikzelf wel uit’ ligt ons immers in de mond bestorven. Daar komt bij dat de overheid, zeker in Nederland, in de laatste decennia wel heel veel regels heeft gesteld maar de handhaving ervan systematisch heeft verwaarloosd. Enerzijds te duur en anderzijds vreesachtig voor ‘escalatie’. Wee, als zij alsnog noodgedwongen tot handhaving overgaat.

Omgekeerd zijn wij zeer bedreven geraakt in uitvluchten die de ‘schuld’ voor wat er misgaat in de naleving van coronamaatregelen bij de overheid deponeren. Misschien echter is het probleem niet, in elk geval niet alleen, de overheid maar zijn wij het zelf die aan vermogen tot loyaliteit en inschikkelijkheid hebben verloren.

De coronacrisis laat onze bevolking haar in jaren gegroeide eigengereidheid en betweterigheid nogal pijnlijk zien. Zij toont tevens dat er grenzen zijn aan individuele vrijheid en dat er ook zoiets als gemeenschappelijke waarden en belangen zijn; dat ons eigen individuele oordeel van waarde is maar niet belangwekkender dan dat van anderen. Het is bovendien jammer dat het gezag van de staat ons daaraan moet herinneren en dat onze maatschappelijke verbanden, nieuw of traditioneel, daarvoor blijkbaar niet sterk genoeg meer zijn. Zoals trouwens dertig jaar geleden in ‘Schuivende Panelen’ werd gevreesd.

Werk aan de winkel dus, sociaal en politiek.


  • 1) 
    Schuivende panelen. Continuïteit en vernieuwing in de sociaal-democratie, Amsterdam: Partij van de Arbeid, 1987, 51 – 57.
  • 2) 
    J.Th.J. van den Berg, ‘Grondrechten als ideologie’, column, 28 augustus 2020.
  • 3) 
    Schuivende panelen, 55.


Andere recente columns