Depolitisering als retoriek

30 september 2005, column J.Th.J. van den Berg

In het slot van zijn verdediging van het regeringsbeleid, tijdens de Algemene Beschouwingen na Prinsjesdag, zei minister-president Balkenende iets merkwaardigs. Hij benadrukte dat het hervormingsbeleid van zijn kabinet geen kwestie is van politieke keuzes maar van noodzakelijke maatregelen om de Nederlandse samenleving economisch en sociaal weer bij de tijd te brengen.

Als je dit hoort, denk je aanvankelijk: dat kan de goede man niet menen. Het programma van dit kabinet, uitvloeisel van het in 2003 gesloten regeerakkoord op hoofdlijnen, is bij uitstek een verzameling politieke keuzes van een politiek bondgenootschap. Dat meent daarmee de vraagstukken van ons land het beste aan te kunnen pakken. Alleen al uit het feit dat de parlementaire oppositie ertegen te hoop loopt - ook weer tijdens deze Algemene Beschouwingen - kan worden afgeleid dat het blijkbaar gaat om politieke keuzes. Een kabinet is er om te kiezen en graag zo duidelijk mogelijk. Naar hun aard zijn dat politieke keuzes. Men kan het kabinet verwijten de verkeerde keuzes te maken, maar men moet ieder kabinet prijzen dat uitgesproken keuzes maakt.

Stond de minister-president dus een beetje te jokken? Ongetwijfeld deed hij dat niet en geloofde hij oprecht in wat hij zei. (Zeker, er zijn politici die op het geëigende moment in staat zijn in hun eigen leugens te geloven, maar in die categorie valt de huidige premier niet.)

Het gebeurt wel vaker, niet alleen in Nederland, dat een regeringsleider zozeer is gaan geloven in zijn boodschap, dat hij zich niet goed meer kan voorstellen dat andere keuzes ook mogelijk waren geweest. Voorts wordt hier weer eens de weg van de depolitisering (zie ook column, 2 september 2005) gekozen: omdat het in Nederland onder meer een voor de hand liggende stijlfiguur is van de politieke retorica. Noodzakelijke maatregelen klinkt een stuk overtuigender dan dit zijn onze politieke keuzes.

Begrijpelijke retoriek en al oud: ooit verdedigde wethouder Wibaut van Amsterdam, overtuigd marxist, de sterke gemeentelijke bemoeienis met publieke voorzieningen als een kwestie van doelmatig gemeentebeheer. Kan het nog technocratischer worden uitgedrukt? (Zijn retoriek bleek overigens hoogst effectief!)

Gek blijft het: deze ontkenning van de politiek door politici. Net zo als de ambitie, destijds in 1994, van minister-president Kok om premier van alle Nederlanders te zijn. Hebben wij voor alle Nederlanders niet de koningin en hebben wij de premier niet voor de politieke keuzes?

Draagt zulke depolitisering in de retorica van politici niet bij aan de weerzin tegen het politieke bedrijf in de bevolking? Als politici er al niet van willen weten....



Andere recente columns