De beste kandidaat

5 juli 2013, column Bert van den Braak

De Europese Commissie is een belangrijke Europese instelling. De uit 28 leden bestaande Commissie kan worden beschouwd als het dagelijks bestuur van de EU. Zij heeft onder meer het recht van initiatief als het gaat om Europese wetgeving en speelt verder een belangrijke rol bij de handhaving van Europese regels, bij het uitvoeren van de begroting en bij internationale contacten en onderhandelingen. De Europese Commissie kan, indien nodig, bij meerderheid besluiten nemen. Bij de benoeming in 2014 van de nieuwe Commissie is de politieke kleur van de kandidaten zeker een factor om rekening mee te houden. Nederland is sinds 1999 in de Commissie door een liberaal vertegenwoordigd; eerst vijf jaar Frits Bolkestein en daarna (nu al negen jaar) Neelie Kroes.

Sinds de Commissie in 1958 werd ingesteld, heeft ons land sterke vertegenwoordigers gehad. Sicco Mansholt (1958-1973) en Pierre Lardinois (1973-1977) drukten als houders van de portefeuille landbouw een belangrijk stempel op de Europese landbouwpolitiek. Mansholt was tevens korte tijd voorzitter van de Commissie. Frans Andriessen had eveneens vijf jaar de portefeuille landbouw en speelde daarna als commissaris voor handelsbetrekkingen een belangrijke rol bij onderhandelingen met de VS en China. Hans van den Broek (Europees Commissaris 1993-1999) was een voorname 'speler' bij de besprekingen over uitbreiding van de EU met Midden- en Oost-Europese landen.

Alleen voor Henk Vredeling (1973-1977) was er sprake van een minder gelukkige periode als Europees Commissaris. Vredeling wilde dat sociaal beleid in Europa een zelfde belang kreeg als het landbouwbeleid. Hij stuitte echter op onwil bij andere lidstaten en had het economische tij tegen. Een richtlijn over medezeggenschap bij multinationals was het enige resultaat (zij pas enkele jaren later) van zijn commissariaat.

De periode-Vredeling liet zien dat de betekenis van een portefeuille vooral afhangt van de mate waarin er sprake is van vastgelegde Europese bevoegdheden. Nu is er wat dat betreft sinds 1977 uiteraard het nodige gebeurd, zodat voor veel beleidsterreinen geldt dat het belang ervan is toegenomen. Overigens wordt pas na het aantreden van de Commissie bepaald hoe de portefeuilleverdeling zal zijn. En belang kan ook op tweeërlei wijze worden uitgelegd: een portefeuille kan aansprekend zijn, dan wel invloedrijk. Neelie Kroes had met de portefeuille concurrentiebeleid een erg 'zichtbare' post, omdat zij hoge boetes kon opleggen aan bedrijven die regels overtraden. Dat is echter hoofdzakelijk een handhavingsfunctie en veel minder een beleidsbepalende. Voor haar huidige post 'digitale agenda' geldt bijna het omgekeerde: erg zichtbaar is dat niet, maar wel veel 'sturender'.

In een Commissie van 28 leden is de invloed en betekenis van individuele leden relatief beperkt. Een belangrijke portefeuille kan dat deels compenseren. Nederland mag best aanspraak maken op zo'n zware post; zelfs het (tijdelijke) voorzitterschap van de eurogroep doet daaraan niets af. Het is dan vooral zaak om met een goede kandidaat te komen. En dat gebeurde, zoals uit het bovenstaande bleek, in het verleden ook altijd. Alle Nederlandse commissarissen waren (oud-)minister en sommigen (Mansholt, Lardinois, Vredeling, Van den Broek) stapten zelfs als 'zittend' minister over naar de Europese Commissie.

Als dit keer opnieuw een (oud-)minister wordt gezocht, dan is het aanbod echter kleiner dan wellicht gedacht. Sommigen (Bos, Eurlings, Van der Laan, Donner, Verhagen, Koenders, Nicolaï) hebben inmiddels al een belangrijke functie en de kans dat zij die zullen opgeven, is niet erg groot. Anderen (Hirsch Ballin, Klink, Hillen, Van Middelkoop, Van Bijsterveldt, Ter Horst, Cramer) lijken geen voor de hand liggende kandidaten. Dan blijven, wat de oud-ministers betreft, over: Spies, Balkenende, De Jager en Pechtold.

Het is niet te verwachten dat een CDA'er zal worden benoemd, al is politieke kleur slechts een factor bij de voordracht. Jan Kees de Jager is bijvoorbeeld best gekwalificeerd voor de functie. Het is de vraag of hij zelf zou willen. Na vijftien jaar liberalen en achttien jaar christendemocraten is benoeming van een sociaaldemocraat bovendien alleszins redelijk. Ervan uitgaande dat zittende ministers (bijvoorbeeld Plasterk, Timmermans) niet in aanmerking willen komen, is er dan slechts één goede kandidaat: Ad Melkert. Hij is oud-minister met internationale ervaring, staat bekend als een uitstekend onderhandelaar en zou kandidaat kunnen zijn voor diverse belangrijke posten (milieu, handelsbeleid, buitenlandse betrekkingen).

Dat in sommige kringen bezwaren zullen bestaan tegen zijn kandidatuur, is duidelijk. Hen wil ik graag een aanbeveling uit onverdachte hoek in herinnering brengen. Iemand noemde Melkert ooit 'een scherp debater' (en zo voegde hij er aan toe: 'en daar houd ik van'). Wie dat zei? Pim Fortuyn (op 12 april 2002, nadat zij onderling op tv hadden gedebatteerd).



Andere recente columns