Dit is één van de middelen die nationale parlementen kunnen inzetten om ervoor te zorgen dat het subsidiariteitsbeginsel wordt nageleefd. Wanneer zij van mening zijn dat het onderwerp van een wetsvoorstel niet op Europees niveau, maar op landelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau thuishoort, kunnen zij dat laten weten aan de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie. Als de helft van de nationale parlementen deze mening deelt, zal de Europese Commissie het voorstel moeten heroverwegen. Er wordt dan gesproken over de 'oranje kaart'.
De optie van de oranje kaart maakt het voor de Europese Commissie als indiener van Europese wetsvoorstellen lastiger om ongestoord haar gang te gaan. Als zij na heroverweging alsnog besluit om een bepaald wetsvoorstel in te dienen, zal zij redenen moeten geven voor haar besluit. De Raad van Ministers en het Europees Parlement besluiten vervolgens of zij het wetsvoorstel al dan niet in behandeling zullen nemen.
Als 55 procent van de leden van de Raad van Ministers of een gewone meerderheid van het Europees Parlement vinden dat het voorstel in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel, wordt het niet behandeld.