Parlementaire enquêtes in historisch perspectief

Het grondwettelijke recht van enquête bestaat sinds 1848 en de Wet op de Parlementaire Enquête sinds 1850. Van 1852-1887 hield de Tweede Kamer acht enquêtes. Daarna raakte het instrument van de parlementaire enquête bijna honderd jaar lang in onbruik, met uitzondering van de tussen 1947 en 1956 gehouden oorlogsenquête. Sinds 1977 kunnen ook ministers en ambtenaren onder ede worden gehoord. Sindsdien zijn er weer geregeld enquêtes. De Eerste Kamer heeft nog nooit een enquête gehouden.

Enquêterecht sinds 1848

Sinds 1848 bestaat het grondwettelijk recht op onderzoek in de vorm van een enquête. Dit enquêterecht is uitgewerkt in de Wet op de Parlementaire Enquête. Deze wet bestaat vanaf 1850 maar is sindsdien een aantal keren herzien.

Gebruik van het enquêterecht

Aangezien de coalitiefracties in het algemeen een meerderheid in de Tweede Kamer hebben, is het voor de oppositie niet mogelijk om zonder steun vanuit één of meer coalitiefracties een enquête te doen houden. In Duitsland is slechts steun van een kwart van de parlementariërs vereist voor het houden van een enquête.

Soms wordt het om politieke redenen onwenselijk geacht om van enquêtebevoegdheden gebruik te maken, maar ook wordt het onder ede verhoren van getuigen niet altijd nodig geacht. In dergelijke gevallen kan de Kamer voor het lichtere parlementair onderzoek kiezen.

Parlementaire enquêtes in de 19e eeuw

  • Parlementaire enquêtes in de 19e eeuw

    In de negentiende eeuw heeft de Tweede Kamer acht parlementaire enquêtes gehouden. In veel gevallen hadden ze het karakter van een onderzoek vooraf, die vooral werden gehouden om de kennis van Kamerleden over bepaalde maatschappelijke toestanden te vergroten. Feitelijk fungeerden deze enquêtes als hoorzittingen.

Herontdekking van het enquêterecht

Na de oorlog werd een enquête gebruikt om (achteraf) controle uit te kunnen oefenen over de parlementsloze periode. Na de oorlogsenquête (1947-1956) raakte het instrument lange tijd in onbruik. Het enquêterecht werd nieuw leven ingeblazen nadat werd geregeld dat ook ministers (en ambtenaren) onder ede kunnen worden verhoord

Tot 1977 waren ministers niet verplicht zich te laten horen door een enquêtecommissie. Ambtenaren konden zich beroepen op hun verschoningsrecht, dat wil zeggen dat zij hun minister niet in de problemen hoefden te brengen. Bij de herziening van de Wet op de Parlementaire Enquête in 1977 is dit veranderd.

Politieke gevolgen

Een enkele enquête had directe politieke gevolgen. Zo traden naar aanleiding van de paspoortenquête minister Van Eekelen en staatssecretaris Van der Linden af. Noodzakelijk is dat echter niet. Belangrijker zijn waarheidsvinding en aanbevelingen over toekomstig beleid en wetgeving. Zo leidde de enquête over de sociale zekerheid tot een andere organisatie van toezicht op en uitvoering van de sociale zekerheid.

In 1994 traden de ministers Van Thijn en Hirsch Ballin af naar aanleiding van de IRT-affaire, waarover later de IRT-enquête werd gehouden. De Srebrenica-crisis vormde in 2002 de aanleiding voor de val van het kabinet-Kok II. Ook over Srebrenica kwam later een parlementaire enquête.

In december 2002 trad demissionair minister van Defensie Korthals af naar aanleiding van de conclusies van de parlementaire enquêtecommissie bouwnijverheid.

Parlementaire enquêtes in de Eerste Kamer

Vernieuwing Wet op de Parlementaire Enquête