De grote uittocht?

25 augustus 2006, column Bert van den Braak

De ministers Veerman, Dekker, Peijs en Hoogervorst hebben hun vertrek uit de actieve politiek aangekondigd. De ministers Bot, De Geus, Van Ardenne en (mogelijk) Zalm willen wel terugkeren als minister, maar zien af van een plaats op de kandidatenlijst. Dat lijkt op het eerste gezicht een opmerkelijke lijst, maar in de Nederlandse politiek zou eerder het omgekeerde - aankondiging van voortzetting van de politieke loopbaan - opmerkelijk zijn.

Er zijn diverse groepen waaruit ministers worden gerekruteerd. De grootste groep daarvan is die van de 'beroepspolitici'. Meer en meer is het ministerschap een stap in een politieke loopbaan die is begonnen in de Tweede Kamer of het Europees Parlement. Tweede Kamerleden die minister werden, waren (recentelijk) onder meer Wim Kok, Jan Peter Balkenende, Annemarie Jorritsma, Hans Dijkstal, Roger van Boxtel, Thom de Graaf, Ad Melkert, Hans Alders, Relus ter Beek, Maria van der Hoeven en Henk Kamp. Via het Europees Parlement kwamen Hedy d'Ancona, Hanja Maij-Weggen en Karla Peijs. Regelmatig vindt er ook doorstroming plaats vanuit een staatssecretariaat. Dat gold onder anderen voor de ministers Johan Remkes, Frank de Grave, Willem Vermeend, Joop Wijn en Tineke Netelenbos.

Soms keren oud-Kamerleden, zoals Klaas de Vries, Evelien Herfkens, Loek Hermans en Laurens Jan Brinkhorst, later als minister terug in de Haagse politiek. Daarnaast worden ministers soms gerekruteerd uit de kring van openbaar bestuurders en van (ex-)partijbestuurders. Gedacht kan worden aan Alexander Pechtold (burgemeester van Wageningen, voorzitter D66), Frits Korthals Altes (ex-voorzitter VVD) en Piet Bukman (ex-voorzitter CDA).

Zelfs voor ministers uit de groep 'insiders' is (langdurige) voortzetting van de politieke loopbaan na het ministerschap eerder uitzondering dan regel. Enigszins typerend is dat van alle naoorlogse premiers alleen Den Uyl na zijn premierschap zijn politieke loopbaan voortzette. Marijnen, Biesheuvel en Van Agt werden wel Tweede Kamerlid, maar verlieten spoedig Den Haag. Beroepspolitici die wel na een ministerschap nog langere tijd Tweede Kamerlid bleven, waren, naast Den Uyl, Anne Vondeling, Frans Jozef van Thiel, Ko Suurhoff, Bauke Roolvink en Maarten Vrolijk.

De groep 'buitenstaanders' die minister werden, is veel kleiner. Het gaat dan om ministers die afkomstig waren uit het bedrijfsleven (Ruding, Winsemius, Wijers), de rechterlijke macht (Sorgdrager) of de wetenschap (Pais, Ritzen, Kooijmans). In de meeste naoorlogse periode waren er per kabinet als regels slechts drie tot vijf ministers van buiten de politiek-bestuurlijke wereld. In het eerste kabinet-Balkenende wijzigde dat beeld. Toen traden liefst zeven 'buitenstaanders' toe (Nawijn, Heinsbroek, De Boer, Bomhoff, Veerman, Donner en De Geus). In het opvolgende kabinet traden van buiten de politiek Sybilla Dekker, Rita Verdonk en later Ben Bot toe.

Bij buitenstaanders kwam (langdurige) voortzetting van de politieke carrière na het ministerschap nog sporadischer voor. Na vier jaar vertrokken bijvoorbeeld Stikker, Van den Brink, De Pous, Langman, Van der Klaauw en Winsemius. Anderen (Duisenberg, Hirsch Ballin) lieten zich nog wel op een kandidatenlijst plaatsen, maar vertrokken spoedig.

De bekendste (en vrijwel enige) uitzondering van een buitenstaander die wél een 'politiek dier' werd en bleef, is Ruud Lubbers. Hij werd in 1973, na ondernemer te zijn geweest, minister van Economische Zaken en keerde in 1977 terug als Tweede Kamerlid. Na zijn fractievoorzitterschap (1978-1982) was hij twaalf jaar premier. Een tweede voorbeeld is Jos van Kemenade, die hoogleraar was en na zijn ministerschap in het kabinet-Den Uyl vier jaar Tweede Kamerlid werd. Na zijn tweede ministerschap keerde hij wederom terug in de Kamer, maar toen vertrok ook hij - na nog twee jaar Kamerlidmaatschap.

Als al sprake is van een opmerkelijk beeld, dan zit dat meer in het feit dat in 2002 en 2003 veel buitenstaanders toe traden, dan dat zij nu weer vertrekken. Anders dan vroeger maken de vertrekkers dat bovendien publiekelijk bekend. Dat er in 1971 ook zeven van de veertien ministers uit de politiek verdwenen en in 1981 acht van de zestien bleef vrijwel onopgemerkt. En in 1982 keerden weliswaar elf ex-bewindslieden (uit de kabinetten-Van Agt II en III) terug in de Kamer, maar zeven van hen vertrokken toen voor het einde van de parlementaire periode alsnog.