Inkomen minister

Het salaris van een minister bedraagt bijna 134 duizend euro op jaarbasis inclusief vakantiegeld en exclusief eindejaarsuitkering. Incl. eindejaarsuitkering verdient een minister ongeveer 144 duizend euro. Daarnaast krijgt een minister een vaste onkostenvergoeding (in 2012 3943,56 euro per jaar, de vergoeding voor de minister van Buitenlandse Zaken is twee keer zo hoog) en maakt aanspraak op een aantal andere tegemoetkomingen en voorzieningen.

Ministers in omringende landen verdienden, toen dit werd onderzocht in 2003, over het algemeen meer.

Bezoldiging

Een minister ontvangt een salaris conform salarisschaal 21 van het BBRA. Het bruto maandsalaris in schaal 21 bedraagt € 10.325,86. Een minister krijgt verder 8 procent vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van 8,3 procent.

Het vakantiegeld wordt éénmaal per jaar uitbetaald over een periode van 12 maanden die is begonnen in de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.

De eindejaarsuitkering wordt berekend over de periode beginnend in de maand december, en wordt jaarlijks in november uitbetaald. Per 1 december 2009 is de procentuele eindejaarsuitkering verhoogd naar 8,3 procent.

Een minister ontvangt in 2012, inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering een bezoldiging van € 144.107,70.

Onkostenvergoedingen

Vaste onkostenvergoeding

Ministers krijgen in 2012 een vaste maandelijkse onkostenvergoeding van € 328,63 (€ 3943,56 per jaar) in verband met de uitoefening van hun functie. De vergoeding van de premier en de minister van Buitenlandse Zaken is twee keer zo hoog (€ 657,27 per maand, dus € 7887,24 per jaar) als de vergoeding van de andere ministers.

Ziektekostenvergoeding

Ministers krijgen een tegemoetkoming in de ziektekosten die vergelijkbaar is met de vergoeding van burgerlijke rijksambtenaren.

Verhuiskosten

Als een minister verhuist van een woning op minimaal 50 kilometer afstand van het ministerie van Algemene Zaken naar een woning op maximaal 25 kilometer afstand van het ministerie heeft hij recht op een verhuiskostenvergoeding voor:

  • de vervoerskosten van de minister en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning;
  • de vervoerskosten van de inboedel naar de nieuwe woning;
  • andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, welke vastgesteld zijn op 10 procent van de jaarlijkse bezoldiging op de dag dat de nieuwe woning wordt betrokken.

Woonruimte

Ministers die op meer dan 50 kilometer afstand van hun ministerie wonen kunnen gemeubileerde woonruimte ter beschikking gesteld krijgen op een afstand van maximaal 25 kilometer van het ministerie.

Dienstauto

Ministers hebben een dienstauto met chauffeur ter beschikking. De prijs per kilometer van de dienstauto bedraagt in 2012 € 0,60 exclusief BTW, uitgaande van een gebruiksduur van twee jaar en 60.000 gereden kilometers per jaar.

Om veiligheidsredenen maken ministers ook privé gebruik van de dienstauto. Het privégebruik wordt door de Belastingdienst als extra inkomen beschouwd waarover belasting betaald moet worden. Ministers krijgen hiervoor een financiële compensatie.

Pensioen

Ministers bouwen jaarlijks 2 procent pensioen op, ook in de eerste vier jaar na aftreden, tenzij ze inkomen hebben naast de wachtgelduitkering (in dat geval is het percentage lager). Na die vier jaar daalt het opbouwpercentage naar 1 procent per jaar.

Het nabestaandenpensioen is 5/7e deel van het ouderdomspensioen.

Per 1 september 2012 is de maximumduur voor de wachtgeldregeling voor politici gelijk aan de maximumduur van een 'gewone' werkloosheidsuitkering: drie jaar en twee maanden.

Overig

Ministers maken gebruik van bepaalde voorzieningen op het gebied van beveiliging, informatie- en communicatie, vervoer en verblijf bij dienstreizen.

Ook maken bewindslieden de afgelopen jaren in toenemende mate gebruik van mediatrainers en/of personal coaches en beschikken ze soms over een politiek assistent.

Vergelijking met buitenland

In 2004 bracht de commissie-Dijkstal een rapport uit waarin onderstaande internationale vergelijking van de salarissen van ministers in 2003 was opgenomen:

 
Jaarsalarissen ministers (€) Basis (aug. 2003) Totaal incl. toe(s)lagen (2003)
Oostenrijk 211.044 n.b.
België 167.208 188.215
Verenigd Koninkrijk 115.368 185.023
Duitsland 152.652 164.390
Frankrijk 124.932 160.848
Italië 155.160 n.b.
Denemarken 141.168 153.493
Luxemburg 140.676 n.b.
Nederland 113.065 121.805
Zweden 110.400 n.b.
Finland 92.508 n.b.
Ierland 89.520 n.b.
Spanje 70.260 n.b.

Bron: rapport commissie-Dijkstal


Meer over