Van censuskiesrecht naar algemeen kiesrecht

De politiek werd in de negentiende eeuw beheerst door een aantal politieke vraagstukken. Eén daarvan was de vraag op welke wijze het kiesrecht moest worden uitgebreid. Er werden daarover diverse voorstellen gedaan. In 1887 werd een eerste stap gezet naar kiesrechtuitbreiding en ook de Kieswet van 1896 leidde tot meer kiezers. Maar pas in 1917 werd het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. In 1919 kregen ook vrouwen het stemrecht en was er sprake van algemeen kiesrecht.

Het censuskiesrecht van 1850

Bij de Grondwetsherziening van 1848 werden directe verkiezingen ingevoerd. Voortaan werden de leden van de Tweede Kamer (en ook van Provinciale Staten en de gemeenteraden) rechtstreeks door de burgers gekozen. Niet ieder kreeg echter het kiesrecht. Alleen mannen van boven de 23 jaar die voor een bepaald bedrag in de directe belastingen werden aangeslagen, kregen het stemrecht. Dit heet censuskiesrecht.

Het bedrag waarvoor iemand moest zijn aangeslagen om stemrecht te krijgen verschilde per gemeente. Het lag tussen de 20 en 160 gulden. In plattelandsgemeenten was het bedrag lager dan in de steden. Slechts in 14 gemeenten lag de census boven de 50 gulden, maar daar woonden wel de meeste kiezers. Op het platteland waren er daardoor meer kiezers dan in de steden.

De belastingen die van belang waren voor het verkrijgen van het stemrecht waren de grondbelasting, de personele belasting en de patentbelasting.

De grondbelasting werd geheven over bebouwde en onbebouwde eigendommen. De patentbelasting moest worden betaald door bezitters van een patent. Dat was een bewijs dat iemand bevoegd was om een beroep of bedrijf uit te oefenen en de belasting werd dus vooral betaald door middenstanders en ambachtslieden. De personele belasting werd geheven op grond van het aantal dienstboden, paarden, deuren en vensters, en het aantal stookplaatsen dat iemand had.

Op grond van dit kiesrecht had slechts 11 procent van de mannelijke inwoners van 23 jaar en ouder het kiesrecht. Verlaging van belasting (zoals in 1866) leidde bovendien tot vermindering van het aantal kiezers. Daarnaast betekende meer welvaart niet automatisch dat iemand meer belasting ging betalen.

percentage kiezers/mannelijke volwassenen

jaar

percentage

1850

10,8

1860

10,7

1870

11,1

1880

12,1

Voorstellen voor kiesrechtuitbreiding

Tussen 1869 en 1883 werden diverse voorstellen gedaan tot verlaging van de drempel om kiesrecht te krijgen.

Minister Fock kwam in 1870 met een wetsvoorstel tot verlaging van de census. Dat voorstel werd echter niet door de Tweede Kamer afgehandeld, en door het volgende kabinet ingetrokken.

In 1872 ondernam minister Geertsema een tweede poging. Het wetsvoorstel beoogde de census in het hele land op 20 gulden te stellen, met uitzondering van 43 grotere gemeenten. In 1874 verwierp de Tweede Kamer met 39 tegen 31 stemmen echter artikel 1 van de wet, waarin het hoofdbeginsel van de uitbreiding was vastgelegd.

Minister Heemskerk kwam in 1877 met een nieuw voorstel tot verlaging van de census. Dit voorstel werd door het volgende kabinet ingetrokken, nog voordat het door de Tweede Kamer was behandeld. Eenzelfde lot trof ook een wetsvoorstel van minister Pijnacker Hordijk uit 1882 dat tot een uitbreiding van het kiesrecht voor circa 20.000 inwoners had moeten leiden.

De Grondwet van 1887

In 1883 werd een Staatscommissie ingesteld die herziening van de Grondwet moest voorbereiden. Dit zou uiteindelijk in 1887 leiden tot opneming in de Grondwet van het zogenaamde caoutchouc-artikel. Dit grondwetsartikel hield in dat het kiesrecht werd verleend op grond van kentekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand. Behalve het betalen van belasting konden dat ook andere zaken zijn, zoals bijvoorbeeld het betalen van huur. Dit heet ook wel attributief kiesrecht.

Over de vraag welke kentekenen recht gaven om te mogen stemmen, zou in de jaren na 1887 flink worden gestreden. Wel leidde de Grondwet al direct tot een zekere uitbreiding van het aantal kiezers. In 1890 had daardoor ongeveer 14 procent van alle mannen van boven de 23 jaar het stemrecht.

De strijd tussen Takkianen en anti-Takkianen (1894)

De verkiezingsstrijd in 1894 stond geheel in het teken van de uitbreiding van het kiesrecht. De vooruitstrevende liberalen en een deel van de antirevolutionairen wilden daarbij verder gaan dan de oud-liberalen en het conservatieve deel van de ARP. Bij de Katholieken was de overgrote meerderheid tegen al te vergaande kiesrechtuitbreiding.

De Kieswet van 1896

Na de mislukte poging van Tak om een verregaande kiesrechtuitbreiding door te voeren, kwam zijn opvolger, Sam van Houten, met een nieuw wetsvoorstel. Hij stelde voor het kiesrecht te verlenen op grond van de volgende kentekenen:

  • het betalen van belastingen (censuskiezers)
  • het bezit van spaargeld
  • het behalen van bepaalde examen
  • een bepaald loon
  • het bezit van een woning

In 1896 werd dit vastgelegd in een nieuwe Kieswet. De Kieswet van Van Houten leidde tot een toename van het aantal kiezers met ongeveer tien procent. In 1900 had 49 procent van alle mannen het kiesrecht en in 1913 was dat percentage gestegen naar 65.

Belasting bleef het voornaamste criterium om kiesrecht te krijgen. In 1910 was 88 procent van de kiezers belastingkiezer, terwijl slechts zeven procent stemrecht had op grond van het loon. Drie procent van de kiezers waren huurders en twee procent mochten stemmen als spaarbank- of examenkiezer.

Naar algemeen mannen kiesrecht

Vooral de sociaal-democraten (daarin gesteund door links-liberalen) voerden vanaf 1897 krachtig strijd voor invoering van algemeen kiesrecht. In 1911 en 1912 werden zogenaamde rode dinsdagen gehouden, massademonstraties op Prinsjesdag in Den Haag voor algemeen stemrecht.

In 1907 stelde het liberale kabinet-De Meester voor de regeling van het kiesrecht uit de Grondwet te halen, zodat een kabinet vrij zou zijn om het kiesrecht verder uit te breiden. Dit voorstel werd echter niet afgehandeld.

Pas onder het kabinet-Cort van der Linden (1913-1918) zou de kiesrechtstrijd worden beëindigd. Nadat tegelijkertijd overeenstemming was bereikt over het tweede grote politieke strijdpunt: de subsidiëring van het bijzonder onderwijs, was de weg vrij voor invoering van het algemeen mannenkiesrecht. Vrouwen kregen nog niet direct het kiesrecht, maar konden voortaan al wel worden gekozen.

Omdat het rechtvaardig werd gevonden als (vrijwel) alle stemmen invloed zouden hebben op de zetelverdeling, werd tevens besloten de evenredige vertegenwoordiging in te voeren. Dit kwam in de plaats van het meerderheidsstelsel met districten. Tevens werd een stemplicht opgelegd.

De initiatiefwet-Marchant

Na de mislukte 'revolutie-poging' van Troelstra in november 1918 kwam de regering met hervormingsvoorstellen. Eén daarvan was de toezegging dat steun zou worden gegeven aan het door de vrijzinnig-democraat Marchant ingediende voorstel voor invoering van het vrouwenkiesrecht. Minister-president Ruijs de Beerenbrouck ging daarmee verder dan zijn collega's hadden gewild; vooral bij de protestanten leefden bezwaren tegen het vrouwenkiesrecht.

Het voorstel van Marchant werd in 1919 aangenomen, en op grond daarvan was er sindsdien algemeen kiesrecht.

Kiesrechtleeftijd

In 1850 werd het kiesrecht verleend vanaf 23 jaar. In 1896 werd de minumimumleeftijd verhoogd naar 25 jaar. Kort voor de verkiezingen van 1946 kwam de kiesgerechtigde leeftijd door een wijziging van de Kieswet op 23 jaar.

In 1965 werd de kiesgerechtigde leeftijd verlaagd naar 21 jaar (effectief vanaf de verkiezingen van 1967) en in 1972 naar 18 jaar.

ontwikkeling kiesrecht

jaar

leeftijd

vereisten

1815

 

verkiezing door leden van Provinciale Staten

1850

23 jaar

betaling van een minimum bedrag aan directe belasting en volle bezit van burgerlijke rechten (=mannen)

1887

25 jaar

man, tekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand

1896

25 jaar

man, tekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand, ook bezit spaargeld of woning en bepaalde examens

1917

25 jaar

algemeen mannenkiesrecht

1919

25 jaar

algemeen kiesrecht

1946

23 jaar

algemeen kiesrecht

1965

21 jaar

algemeen kiesrecht

1972

18 jaar

algemeen kiesrecht