Parlementaire enquêtes 1851-heden

  • Recht van enquête

    De Wet op de Parlementaire Enquête geeft de Kamer allerlei specifieke onderzoeksrechten, indien het instrument van de enquête wordt ingezet. Een voorbeeld is de verplichting voor getuigen zich onder ede te laten verhoren. Voor het houden van een enquête is een meerderheidsbesluit van de Kamer nodig.

  • Parlementaire enquêtes in historisch perspectief

    Het grondwettelijke recht van enquête bestaat sinds 1848 en de Wet op de Parlementaire Enquête sinds 1850. Van 1852-1887 hield de Tweede Kamer acht enquêtes. Daarna raakte het instrument van de parlementaire enquête bijna honderd jaar lang in onbruik, met uitzondering van de tussen 1947 en 1956 gehouden oorlogsenquête. Sinds 1977 kunnen ook ministers en ambtenaren onder ede worden gehoord. Sindsdien zijn er weer geregeld enquêtes. De Eerste Kamer heeft nog nooit een enquête gehouden.


Overzicht naoorlogse enquêtes

  • financieel stelsel (2011-2012)

    De Tweede Kamer stelde een onderzoek in naar de kredietcrisis van 2008. Het ging daarbij in een eerste onderzoeksronde om de structurele problemen in het financieel stelsel. Vanaf november 2011 kwamen de door het kabinet vanaf september 2008 genomen maatregelen met name om het bankwezen te ondersteunen aan de orde. Dit laatste gebeurde in de vorm van een parlementaire enquête, waarbij getuigen onder ede werden verhoord.

  • Srebrenica (2002-2003)

    In april 2002 besloot de Tweede Kamer een parlementaire enquête te houden naar de gebeurtenissen rond de uitzending van militairen naar Srebrenica. Reden voor de enquête was onder meer een rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), op basis waarvan het kabinet-Kok II zijn ontslag had aangeboden.

  • Bouwnijverheid (2002-2003)

    In november 2001 onthulde het tv-programma Zembla illegale prijsafspraken in de bouwnijverheid. De voormalige directeur van het bouwbedrijf Koop Tjuchem, Ad Bos, toonde een schaduwboekhouding over de periode 1988-1998 waaruit deze frauduleuze praktijken zouden blijken.

  • Vliegramp Bijlmermeer (1998-1999)
    Foto Vliegramp Bijlmermeer (klik voor grote versie)

    Op zondag 4 oktober 1992 stortte een vrachtvliegtuig, een El-AL Boeing 747, neer op een flatgebouw in de Amsterdamse Bijlmermeer, waarbij 39 mensen om het leven kwamen. Enige tijd daarna kregen bewoners en hulpverleners gezondheidsklachten.

  • Opsporingsmethoden (1994-1996)

    Ter bestrijding van de zware misdaad (zoals grootschalige invoer van drugs) stelde het ministerie van Justitie een Interregionaal rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT) in. In 1993 hief de leiding van de Amsterdamse politie het IRT plotseling op vanwege conflicten over de gebruikte opsporingsmethoden. Op 7 april 1994 werd de motie-Dijkstal c.s. aangenomen die opriep tot een parlementair onderzoek naar de opsporingsmethoden bij politie en justitie. Na advies van een parlementaire werkgroep die het onderzoek moest voorbereiden besloot de Kamer eind 1994 tot het houden van een parlementaire enquête.

  • Uitvoeringsorganen sociale verzekeringen (1992-1993)

    In 1992 bracht de Algemene Rekenkamer een rapport uit over het toezicht van de Sociale Verzekeringsraad (SVr) op uitvoering van sociale wetten, in het bijzonder van de WW, ZW, AAW en WAO. Volgens de Rekenkamer was het toezicht niet overeenkomstig de bedoelingen van de wetgever. De Tweede Kamer wilde naar aanleiding van dit rapport meer inzicht krijgen in het functioneren van de SVr en de uitvoeringsorganen.

  • Paspoortproject (1988)

    In 1984 werd gewerkt aan de invoering van een nieuw fraudebestendig (Europees) paspoort. De Staat der Nederlanden sloot een contract met het bedrijf KEP, een samenwerkingsverband van Kodak, Elba (een Schiedamse drukkerij) en Philips. KEP bleek in april 1988 niet in staat zijn verplichtingen na te komen en het nieuwe paspoort bleef uit.

  • Bouwsubsidies (1986-1988)

    In 1986 verscheen in de Volkskrant een bericht dat het Rijk te veel subsidie had betaald voor woningbouwprojecten van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Daarna volgden berichten over onjuiste opgaven door beleggers van stichtingskosten. De Tweede Kamer besloot hierop een parlementaire enquête in te stellen naar:

  • Rijn-Schelde-Verolme (1983-1984) Foto dokken van de RDM werf (klik voor grote versie)

    Het scheepsnieuwbouwbedrijf Rijn-Schelde-Verolme (RSV) was eind jaren '60 mede onder druk van de overheid door een fusie ontstaan. Aan het concern was jarenlang door de overheid forse financiële steun verleend van zo'n 2,2 miljard gulden, maar uiteindelijk ging het bedrijf in 1983 toch ter ziele.

De oorlogsenquête

Overzicht enquêtes in de 19e eeuw

  • Toestand in fabrieken en werkplaatsen (1886-1887)

    Nadat een wetsvoorstel om overmatige arbeid en verwaarlozing van kinderen door de regering was ingetrokken, namen Goeman Borgesius en tien andere Tweede Kamerleden het initiatief voor een parlementaire enquête naar de toestand in fabrieken en werkplaatsen. Deze 'Arbeidsenquête' kon wegens ontbinding van de Kamer niet voltooid worden, maar door de verhoren werden wel vele misstanden aan het licht gebracht. De enquête gaf mede de aanzet tot een wet om overmatige en gevaarlijke arbeid door jongeren en vrouwen tegen te gaan.

  • Besmettelijke longziekte onder rundvee (1877-1878)

    Rond 1865 brak er ziekte onder rundvee uit. Het kostte de nodige moeite om die epidemie te beteugelen. Dat gebeurde onder meer door vee te slachten. Daarna werden er in 1870 wettelijke maatregelen genomen, zoals invoering van veeartsenijkundig toezicht. Door vijf liberale Kamerleden werd in 1876 voorgesteld een enquête in te stellen naar de werking van deze nieuwe wetgeving.

  • Nederlandse koopvaardij (1874-1875)

    Onder leiding van Tak van Poortvliet wierpen zes liberale Kamerleden de vraag op, wat de toestand van materieel en bemanning van de Nederlandse koopvaardijvloot was. Verder wilden zij weten wat de oorzaken waren van de afnemende sterkte en van haar verminderde aandeel in de scheepsbewegingen. Ten slotte moest worden onderzocht of er door de overheid geen maatregelen moesten worden getroffen om de Nederlandse scheepvaart van een krachtige ontwikkeling te verzekeren.

  • Toestand van de zeemacht (1861-1862)

    Er bestond al lang een verschil van inzicht over de door Nederland benodigde zeemacht. Een plan van minister Huyssen van Kattendijke was voor enkele Tweede-Kamerleden aanleiding om hiernaar een parlementaire enquête te laten instellen. De resultaten van het onderzoek zouden dan door de minister kunnen worden gebruikt om met een goed onderbouwd voorstel te komen.

  • Toestand van de Maas en Zuid-Willemsvaart (1860-1861)

    België onttrok water van de Maas voor het voeden van haar kanalen en om gronden vruchtbaar te maken, waardoor de Maas in Nederland deels onbevaarbaar werd. Daarover werd onderhandeld met België. Daarnaast waren er in de Zuid-Willemsvaart belemmeringen (sluizen) voor de scheepvaart. Drie liberale Kamerleden, onder wie Thorbecke, wilde weten welke de middelen tot herstel zouden zijn, en hoeveel dat zou kosten.

  • Accijns op zout (1852-1853)

    Is het belasten van zout bij de inslag doelmatig met het oog op de belangen van de schatkist en de nijverheid? Die vraag kwam op tijdens de schriftelijke voorbereiding van een wetsvoorstel over de zoutaccijns. In november 1852 werd daarop, na een voorstel van vijf leden, besloten hiervoor een parlementaire enquête in te stellen. Doordat in april 1853 de Tweede Kamer werd ontbonden kon het onderzoek niet worden voltooid. De commissie stond onder leiding van Floris van Hall.

Meer informatie