Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de landbouwrekeningen in de Gemeenschap - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

EUROPESE UNIE

HET EUROPEES PARLEMENT DE RAAD -

Brussel, 3 november 2003

(OR. en)

2003/0023 (COD) - PE-CONS 3664/03

- -

AGRI 272 AGRIFIN 103 CODEC 1152 OC 566

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN

Betreft: Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de landbouw- rekeningen in de Gemeenschap

-

VERORDENING (EG) Nr. .../2003 VAN HET EUROPEES PARLEMENT

EN DE RAAD

van

betreffende de landbouwrekeningen in de Gemeenschap

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 285,

lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie 1,

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Voor het toezicht op en de beoordeling van het gemeenschappelijke landbouwbeleid is

vergelijkbare, actuele en betrouwbare informatie over de economische situatie van de land-

bouw, en meer in het bijzonder over de ontwikkeling van het landbouwinkomen nodig.

(2) Landbouwrekeningen zijn een essentieel hulpmiddel voor de analyse van de economische

situatie van de landbouw in een land, mits ze worden opgesteld aan de hand van dezelfde

beginselen. Zij vormen ook een belangrijke bijdrage voor de berekening van de nationale

rekeningen.

(3) De landbouwrekeningen worden opgesteld in overeenstemming met de basisbegrippen en

-regels in Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees

systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap 1.

(4) Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad van 17 februari 1997 betreffende de communau-

taire statistiek 2 biedt een referentiekader voor deze verordening.

(5) Omdat het doel van de voorgestelde maatregel, vaststelling van gemeenschappelijke

statistische normen voor de productie van geharmoniseerde gegevens, door de lidstaten niet

naar tevredenheid kan worden bereikt, maar wegens de schaalgrootte beter op Gemeen-

schapsniveau kan worden bereikt, kan de Gemeenschap in overeenstemming met het

subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag maatregelen nemen. Overeenkomstig

(6) De voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijke maatregelen moeten worden

goedgekeurd in overeenstemming met Beschikking 1999/468/EG van de Raad van

28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de

Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden 1.

(7) Het Permanent Comité voor de landbouwstatistiek en het Comité statistisch programma zijn

op de hoogte gebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

Artikel 1

Onderwerp

  • 1. 
    Bij deze verordening wordt een stelsel van landbouwrekeningen in de Gemeenschap (hierna

"LR" genoemd) ingevoerd door middel van:

  • a) 
    methoden betreffende gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en registratie-

regels, die bestemd zijn voor de opstelling van vergelijkbare rekeningen ten behoeve van de

Gemeenschap, en van resultaten overeenkomstig artikel 3;

Artikel 2

Methoden

  • 1. 
    De in artikel 1, lid 1, onder a), bedoelde methoden van de LR zijn opgenomen in bijlage I.
  • 2. 
    De methoden van de LR worden bijgewerkt volgens de procedure van artikel 4, lid 2.

Artikel 3

Indiening bij de Commissie

  • 1. 
    De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) de in bijlage II bij deze verordening bedoelde

gegevens binnen de voor iedere tabel voorgeschreven termijn.

  • 2. 
    De gegevens moeten in november 2003 voor het eerst worden ingediend.
  • 3. 
    De lijst van variabelen en de termijnen voor de indiening van de gegevens als bedoeld in

bijlage II bij deze verordening worden bijgewerkt overeenkomstig de procedure van artikel 4, lid 2.

Artikel 4

Comitéprocedure

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de landbouwstatistiek.
  • 2. 
    In gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG

van toepassing, met inachtneming van artikel 8.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.

  • 3. 
    Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 5

Slotbepaling

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in

het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

_______________

BIJLAGE I

Landbouwrekeningen

LR

INHOUD

Blz.

VOORWOORD ..........................................................................................................................5

I. ALGEMENE OPZET VAN DE REKENINGEN ......................................................................6

A. INLEIDING ...........................................................................................................................6

B. BASISEENHEID EN BEDRIJFSTAK LANDBOUW .........................................................8

  • 1. 
    Basiseenheid ............................................................................................................8
  • 2. 
    Bedrijfstak landbouw .............................................................................................10
  • 3. 
    Niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten ......................15

C. METING VAN DE OUTPUT .............................................................................................21

D. REKENINGENSTELSEL ...................................................................................................23

  • 1. 
    Rekeningenstelsel volgens het ESR 1995..............................................................23
  • 2. 
    Rekeningenstelsel van de LR.................................................................................24

E. GEGEVENSBRONNEN EN BEREKENINGSMETHODEN VOOR DE

OPSTELLING VAN DE LANDBOUWREKENINGEN ...................................................30

F. CLASSIFICATIE ................................................................................................................32

  • 1. 
    Algemeen ...............................................................................................................32

II. TRANSACTIES IN PRODUCTEN .........................................................................................53

A. ALGEMENE REGELS .......................................................................................................53

  • 1. 
    Verslagperiode .......................................................................................................53
  • 2. 
    Eenheden................................................................................................................53
  • 3. 
    Moment van registratie ..........................................................................................54

B. PRODUCTIE EN OUTPUT ................................................................................................61

  • 1. 
    Algemene opmerkingen over de begrippen productie en output in het ESR

1995 en de LR........................................................................................................61

  • 2. 
    Output van de landbouw: hoeveelheden ................................................................64
  • 3. 
    Output van niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende

nevenactiviteiten ....................................................................................................81

  • 4. 
    Output van de bedrijfstak landbouw ......................................................................82
  • 5. 
    Waardering van de output......................................................................................82

C. INTERMEDIAIR VERBRUIK ...........................................................................................85

  • 1. 
    Definitie .................................................................................................................85
  • 2. 
    Elementen van het intermediair verbruik...............................................................87
  • 3. 
    Waardering van het intermediair verbruik.............................................................97

D. INVESTERINGEN (BRUTO).............................................................................................99

  • 1. 
    Investeringen in vaste activa (bruto)....................................................................100
  • 2. 
    Veranderingen in voorraden ................................................................................124
  • 3. 
    Moment van registratie van verdelingstransacties...............................................142
  • 4. 
    Algemene opmerkingen over de toegevoegde waarde ........................................144

C. BELONING VAN WERKNEMERS ................................................................................144

D. BELASTINGEN OP PRODUCTIE EN INVOER ............................................................149

  • 1. 
    Productgebonden belastingen ..............................................................................150
  • 2. 
    Behandeling van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) ...................152
  • 3. 
    Niet-productgebonden belastingen op productie .................................................157

E. SUBSIDIES .......................................................................................................................160

  • 1. 
    Productgebonden subsidies..................................................................................161
  • 2. 
    Niet-productgebonden subsidies..........................................................................167

F. INKOMEN UIT VERMOGEN .........................................................................................178

  • 1. 
    Definitie ...............................................................................................................178
  • 2. 
    Rente ....................................................................................................................180
  • 3. 
    Inkomen uit grond en minerale reserves..............................................................181
  • 4. 
    Inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders (niet bestreken door

de LR) ..................................................................................................................184

G. KAPITAALOVERDRACHTEN .......................................................................................185

  • 1. 
    Investeringsbijdragen...........................................................................................185
  • 2. 
    Overige kapitaaloverdrachten ..............................................................................186

H. VERBRUIK VAN VASTE ACTIVA ...............................................................................188

V. INKOMENSINDICATOREN VAN DE LANDBOUW........................................................195

A. DEFINITIE VAN INKOMEN EN SALDI........................................................................195

B. BEHANDELING VAN HET INKOMEN VAN VENNOOTSCHAPPEN ......................199

C. DEFINITIE VAN DE INKOMENSINDICATOREN VAN DE LANDBOUW ..............201

D. AGGREGATIE VAN DE INKOMENSINDICATOREN VOOR DE EUROPESE

UNIE .............................................................................................................................202

E. DEFLATIE VAN DE INKOMENSINDICATOREN .......................................................203

VI. WAARDERING VAN DE LANDBOUWREKENINGEN IN CONSTANTE PRIJZEN........205

A. METEN VAN PRIJS- EN VOLUMEMUTATIES ...........................................................205

B. PRINCIPES EN METHODE VOOR DE OPSTELLING VAN LR IN

CONSTANTE PRIJZEN...............................................................................................207

  • 1. 
    Keuze van de indexformule .................................................................................207
  • 2. 
    Basisjaar...............................................................................................................209
  • 3. 
    Presentatie van reeksen in relatie tot een referentiejaar.......................................209
  • 4. 
    Berekening van de toegevoegde waarde in constante prijzen .............................212
  • 5. 
    Uitsplitsing van productgebonden belastingen en subsidies in volume- en

prijscomponenten.................................................................................................214

VOORWOORD

De herziening van het Europees systeem van rekeningen (ESR 1995) in 1995 1 en zijn nood-

zakelijke aanpassing aan de economische en structurele ontwikkeling van de landbouw hebben

geleid tot een nieuwe basismethodiek voor de landbouwrekeningen (LR). Bij de wijzigingen in

deze basismethodiek moest rekening worden gehouden met twee vereisten die soms moeilijk te

verenigen waren: enerzijds moest er worden gezorgd voor overeenstemming met de methodiek van

het ESR, om aldus de LR van de lidstaten niet alleen onderling, maar ook met het centrale kader

van de nationale rekeningen op een lijn te brengen, en anderzijds moesten de aan te brengen wijzi-

gingen ook uitvoerbaar zijn. De handleiding bevat daarom niet alleen de basisbegrippen,

beginselen en regels voor de opstelling van de rekeningen, maar gaat ook in op eventuele

aanpassingen aan de specifieke kenmerken van de landbouw.

I. ALGEMENE OPZET VAN DE REKENINGEN

A. INLEIDING

1.01. Een rekeningenstelsel moet een systematisch, vergelijkbaar en zo volledig mogelijk beeld

van de economische activiteiten geven, zodat op basis hiervan analyses, prognoses en

beleidsmaatregelen kunnen worden opgesteld. Hiertoe worden de immense verscheiden-

heid aan economisch relevante transacties en de hierbij betrokken eenheden aan de hand

van algemene criteria ingedeeld en duidelijk en eenvoudig in een coherent systeem van

rekeningen en tabellen weergegeven.

1.02. Het Europees systeem van rekeningen werd in verband met de bijzondere behoeften van

de Europese Unie ontwikkeld op basis van het herziene Systeem van nationale rekeningen

(SNA 1993) van de Verenigde Naties 1. Het schrijft de begrippen, definities, registratie-

regels en uniforme classificaties voor, die door de lidstaten van de Europese Unie moeten

worden gebruikt.

1.03. De economie van een land omvat de activiteiten van een zeer groot aantal eenheden, die

allerlei transacties verrichten die betrekking hebben op productie, financiering,

verzekering, herverdeling en consumptie. Deze eenheden en groepen eenheden, die binnen

een systeem van nationale rekeningen in ogenschouw moeten worden genomen, moeten

worden gedefinieerd aan de hand van de economische modellen die men wil bestuderen.

Het ESR 1995 wordt gekenmerkt door het gebruik van drie soorten eenheden en twee

1.04. Voor een analyse van de stromen in verband met inkomens, kapitaal en financiële trans-

acties en activa moeten eenheden worden geselecteerd waarin de onderlinge relaties van

de economische actoren (institutionele eenheden) tot uitdrukking komen. Voor een

analyse van het productieproces is het vooral van belang eenheden te kiezen die een beeld

geven van de technisch-economische relaties (d.w.z. eenheden van economische activiteit

op lokaal niveau en homogene productie-eenheden).

1.05. De economie kan dus op twee manieren worden ingedeeld:

  • a) 
    in institutionele sectoren en subsectoren, bestaande uit groepen institutionele

eenheden;

  • b) 
    in branches, bestaande uit groepen eenheden van economische activiteit op lokaal

niveau (bedrijfstakken) of homogene productie-eenheden (homogene branches).

1.06. Omdat het hoofddoel van de landbouwrekeningen de analyse van het productieproces en

het hiermee verworven primaire inkomen betreft, wordt bij de opstelling ervan uitgegaan

van het begrip bedrijfstak.

1.07. De landbouwrekeningen zijn satellietrekeningen die aanvullende gegevens opleveren en

gebruik maken van begrippen die zijn aangepast aan het specifieke karakter van de

bedrijfstak landbouw. Hoewel de structuur van deze rekeningen sterk lijkt op die van de

nationale rekeningen, moeten er toch eigen regels en methoden voor worden vastgesteld.

1.08. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen het inkomen uit het landbouwproductie-

proces en het inkomen van de landbouwhuishoudens, dat, behalve het inkomen uit

landbouwactiviteiten, ook inkomen omvat dat de landbouwhuishoudens uit andere

bronnen (uit vermogen, sociale overdrachten enz.) hebben. Aangezien de twee soorten

inkomen - inkomen uit landbouwproductie en het inkomen van landbouwhuishoudens -

verschillende doeleinden dienen, moet de economie ook op twee manieren worden

ingedeeld: enerzijds, voor de LR, naar productie-eenheden, die als bedrijfstak worden

gedefinieerd, en anderzijds naar huishoudens (d.w.z. institutionele eenheden) waarvan de

belangrijkste inkomensbron de zelfstandige uitoefening van landbouwactiviteit is 1.

B. BASISEENHEID EN BEDRIJFSTAK LANDBOUW

  • 1. 
    Basiseenheid

1.09. Voor een analyse van de stromen die zich voordoen bij het productieproces en bij het

gebruik van goederen en diensten, moeten eenheden worden gekozen die de technisch-

economische relaties belichten. Dit betekent dat het doorgaans noodzakelijk is

institutionele eenheden te splitsen in kleinere eenheden, die naar aard van de productie

homogener zijn. Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA's) zijn

bedoeld om hieraan tegemoet te komen als een eerste pragmatische benadering (ESR

1995, 2.105) 2.

1.10. De lokale EEA is het deel van een EEA dat aansluiting heeft op een lokale eenheid. Tot

een EEA behoren alle delen van een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van

producent, die bijdragen tot de uitoefening van een activiteit op vier-digitniveau (klassen)

van de NACE Rev.1 (de referentieclassificatie voor de economische activiteiten, zie 1.55).

Zij valt samen met een of meer operationele onderdelen van de institutionele eenheid. Van

de lokale EEA's moeten ten minste de volgende gegevens kunnen worden gegeven of

geraamd: productiewaarde, intermediair verbruik, beloning van werknemers, exploitatie-

overschot, werkzame personen en bruto-investeringen in vaste activa (ESR 1995, 2.106).

1.11. Een lokale EEA kan overeenkomen met een institutionele eenheid in haar hoedanigheid

van producent of met een gedeelte daarvan; zij kan daarentegen nooit tot twee

verschillende institutionele eenheden behoren. Aangezien de meeste institutionele

eenheden die goederen en diensten voortbrengen, in de praktijk allerlei economische

activiteiten tegelijk uitoefenen (een hoofdactiviteit en een of meer nevenactiviteiten),

kunnen ze worden opgesplitst in evenveel lokale EEA's. Hulpactiviteiten (als inkoop,

verkoop, marketing, boekhouding, vervoer, opslag, onderhoud enz., zie 1.27) kunnen

evenwel niet leiden tot de vorming van een lokale EEA.

1.12. In beginsel moeten er evenveel lokale EEA's worden geregistreerd als er nevenactiviteiten

zijn. Het kan evenwel voorkomen dat aan de hand van de statistische (boekhoudkundige)

informatie geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de nevenactiviteiten (of delen

daarvan) en de hoofdactiviteit van de lokale EEA. Een lokale EEA kan dan naast zijn

1.13. Er is sprake van een activiteit wanneer het gecombineerde gebruik van middelen

(kapitaalgoederen, arbeid, fabricageprocédés, informatienetwerken, producten) leidt tot de

voortbrenging van bepaalde goederen of diensten. Een activiteit wordt gekenmerkt door

een input van producten (goederen of diensten), een productieproces en een output van

producten (ESR 1995, 2.103). De hoofdactiviteit van een lokale EEA is de activiteit

waarvan de toegevoegde waarde groter is dan die van enige andere binnen dezelfde

eenheid uitgeoefende activiteit. De hoofdactiviteit wordt geclassificeerd aan de hand van

de NACE Rev.1, eerst op het hoogste classificatieniveau en vervolgens op meer

gedetailleerde niveaus (ESR 1995, 3.10).

  • 2. 
    Bedrijfstak landbouw

1.14. Een bedrijfstak omvat alle lokale EEA's die dezelfde activiteit verrichten. De economie

kan zo in bedrijfstakken worden ingedeeld. Voor de classificatie van deze bedrijfstakken

gaat men uit van de hoofdactiviteit van de eenheden die erin zijn samengebracht. Op het

meest gedetailleerde niveau van de classificatie omvat een bedrijfstak alle lokale EEA's

die tot dezelfde klasse (vier digits) van de NACE Rev.1 behoren en die dus de activiteit

uitoefenen die in de NACE Rev.1 is gedefinieerd.

1.15. Terwijl de bedrijfstak landbouw voorheen was gedefinieerd als de verzameling van alle

homogene productie-eenheden in de landbouw, is nu voor de lokale EEA als basiseenheid

voor de beschrijving van de LR gekozen om (a) de LR nauwer te laten aansluiten bij de

economische realiteit in de landbouw, d.w.z. om volledig rekening te kunnen houden met

het bestaan van bepaalde niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten die niet kunnen

worden gescheiden van de overige productieve activiteiten van de landbouweenheden en

(b) coherent te blijven met de rest van de nationale rekeningen. Dit betekent dus een

verschuiving van een op de homogene productie-eenheid en de homogene branche

gebaseerde analytische aanpak naar een statistische aanpak die op de lokale EEA en de

bedrijfstak is gebaseerd.

1.16. Niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten zijn activiteiten waarvan

de kosten niet apart van de landbouwactiviteit kunnen worden waargenomen. Hierbij gaat

het bijvoorbeeld om de verwerking van landbouwproducten op de boerderij, bosbouw, het

zagen van hout of toerisme. De productie van de bedrijfstak landbouw omvat dus twee

soorten activiteiten:

  • i) 
    landbouwactiviteiten (als hoofd- of als nevenactiviteit) van landbouweenheden;
  • ii) 
    niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten van landbouweenheden.

1.17. Het landbouwbedrijf, dat momenteel als eenheid voor de statistische bestudering van de

landbouw (tellingen, enquêtes naar de structuur van de landbouw) wordt gebruikt, is ook

de meest geschikte lokale EEA voor de bedrijfstak landbouw (ook al vallen er ook enkele

andere eenheden onder, zoals wijn- en olijfoliecoöperaties en loonwerkbedrijven). Wel

moet worden opgemerkt dat het, gezien de verscheidenheid aan landbouwactiviteiten die

op een landbouwbedrijf kunnen worden uitgeoefend, om een bijzonder soort lokale EEA

gaat. Strikte toepassing van de regel van het ESR 1995 over eenheden en groepen een-

heden zou namelijk tot gevolg hebben dat het landbouwbedrijf in een aantal afzonderlijke

lokale EEA's moet worden verdeeld wanneer diverse activiteiten op vier-digitniveau

(klasse) van de NACE Rev.1 op hetzelfde bedrijf worden uitgeoefend. Het gebruik van het

landbouwbedrijf als lokale EEA voor de bedrijfstak landbouw in het kader van de

nationale rekeningen en de LR is echter op een statistische aanpak gebaseerd.

1.18. De rekeningen voor de bedrijfstak landbouw lijken daarom sterk op die van de landbouw-

bedrijven zelf (productie- en inkomensvormingsrekening). Om iedere dubbelzinnigheid te

vermijden zij er evenwel op gewezen dat landbouwrekeningen niet de rekeningen van

ondernemingen met landbouw als hoofdactiviteit zijn. Om te beginnen omvatten ze niet

alle niet-landbouwactiviteiten van deze bedrijven (activiteiten die van de landbouw-

activiteiten kunnen worden gescheiden, blijven buiten beschouwing). Maar wel omvatten

ze de landbouwactiviteiten van ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit buiten de land-

bouw ligt. Het gebruik van het landbouwbedrijf als basiseenheid voor de LR verandert dus

niets aan het feit dat de landbouwrekeningen de rekeningen van de bedrijfstak landbouw

1.19. Omdat het bij een bedrijfstak gaat om een groep eenheden die dezelfde of soortgelijke

activiteiten uitoefenen, is de definitie van de bedrijfstak landbouw in de LR afhankelijk

van de vaststelling van de karakteristieke activiteiten en eenheden van de bedrijfstak. Dit

kan leiden tot enige verschillen tussen de rekeningen van de bedrijfstak landbouw in de

LR en die in de nationale rekeningen (zie 1.93).

1.20. De bedrijfstak landbouw omvat alle lokale EEA's die een van de volgende economische

activiteiten uitoefenen (zie 1.60-1.66 voor een nauwkeurige afbakening van het waar-

nemingsgebied):

· teelt van akkerbouwgewassen; teelt van groenten; tuinbouw (incl. de productie van

wijn en olijfolie van druiven en olijven die door dezelfde eenheid zijn voortgebracht);

· veeteelt;

· gemengd bedrijf;

· loonwerk in de landbouw;

· jacht, zetten van vallen en fokken van wild, alsmede diensten in verband met deze

activiteiten.

1.21. De bedrijfstak landbouw omvat behalve landbouwbedrijven ook eenheden als

producentengroeperingen (bv. coöperaties) die wijn en olijfolie produceren en gespeciali-

seerde eenheden die met hun machines, materieel en personeel loonwerk verrichten.

1.22. Gespecialiseerde eenheden die machines, materieel en personeel beschikbaar hebben voor

het verrichten van loonwerk op landbouwproductieniveau (commerciële loonwerk-

bedrijven die uitsluitend loonwerk verrichten of landbouwers die ook als loonwerker

werkzaam zijn), worden geacht deel uit te maken van de bedrijfstak landbouw. Preciezer

gezegd moeten deze eenheden, om tot de bedrijfstak landbouw te behoren, werkzaam-

heden uitvoeren die (a) deel uitmaken van het landbouwproductieproces, (b) verband

houden met de productie van landbouwproducten, (c) gewoonlijk worden verricht door

werknemers op landbouwbedrijven en (d) in feite volledig worden uitgevoerd door

gespecialiseerde eenheden met hun eigen machines, materieel en personeel.

1.23. Indien de hierboven gedefinieerde werkzaamheden niet volledig door gespecialiseerde

eenheden worden verricht (bv. indien de landbouwer machines huurt, maar deze door zijn

eigen arbeiders laat bedienen), moet deze activiteit in afdeling 71 van de NACE Rev.1

("Verhuur zonder bedieningspersoneel") worden geregistreerd; de door de landbouwers

aan de verhuurder betaalde bedragen moeten dan als "andere goederen en diensten" in de

rubriek "intermediair verbruik" worden geregistreerd (2.108).

1.24. Met de LR wordt beoogd de inkomensvorming uit economische activiteiten op het gebied

van de landbouw te meten, te beschrijven en te analyseren. In de EU gaat het hierbij

vrijwel uitsluitend om marktactiviteiten. Daarom is overeengekomen eenheden waarvoor

de landbouwactiviteit uitsluitend een vrijetijdsbesteding is, buiten beschouwing te laten.

Daarentegen zijn eenheden die met hun landbouw enkel in eigen behoeften voorzien, in de

LR inbegrepen. Ook moet de landbouwoutput voor eigen verbruik door landbouw-

bedrijven in de LR worden geregistreerd.

  • 3. 
    Niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten

1.25. Het gebruik van de lokale EEA als basiseenheid voor de bedrijfstak landbouw heeft tot

gevolg dat niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten worden opgenomen wanneer

ze niet van de hoofdactiviteit op landbouwgebied kunnen worden gescheiden.

1.26. Bij de niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten van de lokale

EEA's in de bedrijfstak landbouw gaat het om nauw met de landbouwproductie verband

houdende activiteiten, waarvoor de informatie over output, intermediair verbruik, beloning

van werknemers, aantal arbeidskrachten en bruto-investeringen in vaste activa in de

periode van statistische waarneming niet van die voor de hoofdactiviteit op landbouw-

gebied kan worden gescheiden.

1.27. De belangrijkste kenmerken van deze niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten

zijn:

· de output moet bestemd zijn voor de verkoop of voor ruilhandel (hetzij in de verslag-

periode, hetzij later, na eerst te zijn opgeslagen), voor eigen gebruik door de producent

of voor betaling in natura (waaronder beloning in natura van werknemers);

· het mag niet om hulpactiviteiten gaan: ondersteunende activiteiten die binnen een

onderneming worden verricht om de hoofd- of nevenactiviteiten te kunnen uitoefenen

(verkoop, marketing, opslag, eigen vervoer enz.) (zie ESR 1995, punten 3.12 en 3.13,

en SNA 93, punten 5.9-5.16). Karakteristiek voor de output van nevenactiviteiten is dat

deze als input voor de verschillende soorten productieactiviteiten wordt gebruikt;

· volgens afspraak geldt de productie in eigen beheer van bruto-investeringen in vaste

activa in de vorm van niet-landbouwproducten (zoals bouwwerken of machines) niet

als nevenactiviteit. Deze productie voor eigen finaal gebruik wordt geacht een scheid-

bare activiteit te zijn en wordt geregistreerd als productie van een afzonderlijke lokale

EEA. Huisvestingsdiensten die bij wijze van beloning in natura aan werknemers

worden aangeboden, moeten op soortgelijke wijze worden behandeld (ze worden als

beloning in natura in de inkomensvormingsrekening geregistreerd);

· ze moeten karakteristiek voor landbouwbedrijven zijn, d.w.z. ze moeten een significant

economisch belang voor een significant aantal bedrijven hebben;

· loonwerk in de landbouw is geen niet tot de landbouw behorende nevenactiviteit omdat

het gaat om een karakteristieke activiteit (landbouwdiensten) van de bedrijfstak

landbouw.

1.28. Alleen het gedeelte van een niet tot de landbouw behorende nevenactiviteit dat niet

scheidbaar is, mag in aanmerking worden genomen. Een niet tot de landbouw behorende

nevenactiviteit maakt dus deel uit van de bedrijfstak landbouw wanneer die niet van de

hoofdactiviteit op landbouwgebied van een lokale EEA kan worden gescheiden, maar

blijft buiten beschouwing wanneer dat wel mogelijk is. Voor deze nevenactiviteit is dan

een andere lokale EEA buiten de landbouw nodig. Het criterium voor de selectie van niet-

scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten is namelijk niet zozeer de

aard van het product, als wel de aard van de activiteit 1. Zo mag agrotoerisme op het

bedrijf alleen worden opgenomen wanneer dit niet van de landbouwactiviteit kan worden

gescheiden. Naarmate de omvang van deze activiteiten toeneemt, wordt dit onwaarschijn-

lijker. De bij de output van de bedrijfstak landbouw in aanmerking genomen niet-

landbouwproducten kunnen dus "in de tijd en in de ruimte" variëren.

1.29. Er kunnen twee belangrijke soorten niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende

nevenactiviteiten worden onderscheiden:

· activiteiten die in het verlengde van de landbouwactiviteit liggen en waarbij

  • groente en fruit in vruchtensappen, conserven, alcoholhoudende dranken en andere

producten;

  • druiven, most en wijn in alcoholhoudende producten (schuimwijn zoals champagne,

gedistilleerde dranken zoals cognac enz.);

  • vlechten van plantaardig materiaal, textiel, wol;
  • productie van paté, foie gras en andere producten van verwerkt vlees;
  • verwerking van andere landbouwproducten;
  • sorteren en verpakken van landbouwproducten (bv. eieren en aardappelen);

· activiteiten waarvoor het landbouwbedrijf en zijn landbouwproductiemiddelen (werktuigen,

installaties, bouwwerken, arbeidskrachten) worden gebruikt. Hierbij gaat het voornamelijk

om:

  • agrotoerisme - camping, restaurant, hotel, diverse vormen van logies enz.;
  • boerderijwinkels - detailhandel in andere producten dan die welke op het bedrijf

worden voortgebracht. Rechtstreekse verkoop van al dan niet verwerkte

landbouwproducten worden bij de output van de desbetreffende producten

  • sport en plattelandsrecreatie - gebruik van de grond voor activiteiten als golf,

paardrijden, jacht, visserij enz.;

  • diensten voor derden - zoals verhuur en reparatie van landbouwmachines,

irrigatieprojecten, landbouwadviesdiensten, opslag van producten, onderhoud

van bedrijfsgebouwen, handel in of vervoer van landbouwproducten enz. Deze

diensten worden alleen als nevenactiviteit geregistreerd wanneer ze voor

derden worden verricht. Indien ze voor eigen rekening worden verricht, gaat

het om hulpactiviteiten, die niet in de rekeningen worden geregistreerd (1.27);

  • landschapsonderhoud - maaien, heggen knippen, sneeuwruimen, ontwerpen,

beplanten en onderhoud van groenstroken enz.;

  • visteelt;
  • andere activiteiten waarvoor gebruik wordt gemaakt van de grond en de land-

bouwproductiemiddelen.

1.30. Deze lijst van niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten (zie 1.29) wordt enkel bij

wijze van voorbeeld gegeven en geldt niet voor ieder land. Ieder land moet aan de hand

van de karakteristieken van zijn landbouw zijn eigen lijst van niet-scheidbare niet tot de

landbouw behorende nevenactiviteiten opstellen. Dit moet in samenwerking met de voor

1.31. De nevenactiviteiten op landbouwgebied van niet-landbouweenheden zijn verwaarloos-

baar en worden volgens afspraak op nul gesteld. De landbouwproductie van niet-land-

bouweenheden wordt namelijk altijd als scheidbaar van de andere gegevens in de boek-

houding gezien wegens de specifieke kenmerken van de landbouwproducten en de land-

bouwproductiemiddelen en van de bronnen en methoden die voor de opstelling van de LR

worden gebruikt (zie hoofdstuk I, afdeling E, en hoofdstuk II, afdeling B en C). Om bij de

opstelling van de LR uit te gaan van het begrip "bedrijfstak" moet de output van alle land-

bouwproducten worden gemeten, met uitzondering van die welke voortvloeit uit neven-

activiteiten van lokale EEA's buiten de landbouw. Omdat die volgens afspraak nul is,

wordt de gehele landbouwoutput geregistreerd (met uitzondering van de output van

eenheden waarvoor de landbouwactiviteit uitsluitend een vrijetijdsbesteding is; zie 1.24).

1.32. Door landbouwbedrijven voortgebrachte niet-landbouwgoederen en -diensten blijven in de

LR buiten beschouwing tenzij ze het resultaat zijn van niet-scheidbare nevenactiviteiten.

Indien bijvoorbeeld eenheden diverse verticaal geïntegreerde productieprocessen omvatten

(bv. bedrijven waar pluimvee wordt geslacht en schoongemaakt en vacuüm wordt verpakt,

aardappelen of groenten worden gesorteerd, gewassen en voorverpakt, of zaden worden

gesorteerd, bereid en verkocht; coöperaties die opslagruimte bieden en producten

verkopen enz.), omvat de "bedrijfstak" landbouw uitsluitend het deel van hun activiteit dat

betrokken is bij de landbouwproductie als gedefinieerd in de afdelingen 1.62 en 1.63,

alsmede de niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten.

C. METING VAN DE OUTPUT

1.33. Volgens het ESR 1995 komt de output van een bedrijfstak overeen met de waarde van alle

producten die tijdens de verslagperiode zijn voortgebracht door alle eenheden van die

bedrijfstak, met uitzondering van goederen en diensten die in dezelfde verslagperiode door

dezelfde eenheid zijn voortgebracht en verbruikt. De meting van de landbouwoutput is

gebaseerd 1 op een aanpassing van deze ESR-regel: een deel van de output die door de

landbouweenheden zelf wordt verbruikt, wordt wel bij de landbouwoutput opgenomen

(zie 2.032-2.036). In de LR omvat de landbouwoutput dus de totale output van alle

eenheden in de bedrijfstak (met uitzondering van de output die door dezelfde eenheid

wordt verbruikt) plus de output die als intermediair verbruik door dezelfde eenheid wordt

gebruikt, mits deze een andere basisactiviteit betreft (zoals gewassen die als veevoer

worden gebruikt) en bovendien een aantal criteria wordt vervuld (zie 2.055).

1.34. Gezien het speciale karakter van de bedrijfstak landbouw is de ESR-regel aangepast:

· De omvang van de output die in dezelfde eenheid als intermediair verbruik wordt

gebruikt, is in de landbouw groter dan in andere economische sectoren.

· Het landbouwbedrijf omvat een grote verscheidenheid aan landbouwactiviteiten die

onderling nauw met elkaar verbonden zijn (de ene activiteit is de basis voor of een

voortzetting van een andere activiteit, zoals de productie van granen en voeder-

gewassen die als veevoeder worden gebruikt; nauwe banden bij het gebruik van

productiefactoren zoals materieel en machines). Door de heterogene inhoud van het

landbouwbedrijf is dit een zeer speciaal geval in vergelijking met lokale EEA's in

andere bedrijfstakken, echter zonder dat het hierdoor zijn kenmerken als lokale EEA

kwijtraakt (zie 1.17). Bij de onderverdeling van de economie in bedrijfstakken hebben

rekeningen onder meer ten doel de geldstromen binnen het productieproces weer te

geven: vorming en verandering van, handel in en overdracht van economische waarde.

De verschillende op een landbouwbedrijf uitgeoefende activiteiten zouden niet volledig

tot hun recht komen wanneer alleen de output die het bedrijf "verlaat" wordt gemeten.

1.35. Deze aanpassing van de regel in het ESR 1995 vergt een speciale behandeling van

bepaalde producten, zoals landbouwproducten die zijn bestemd voor gebruik als vee-

voeder op het bedrijf, druiven die worden gebruikt voor de wijnproductie, olijven die tot

olijfolie worden verwerkt en landbouwproducten die als intermediair verbruik voor niet-

scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten worden gebruikt.

1.36. De handel in levende dieren tussen landbouwbedrijven en de invoer van levende dieren

D. REKENINGENSTELSEL

  • 1. 
    Rekeningenstelsel volgens het ESR 1995

1.37. De LR zijn gebaseerd op een stelsel van onderling verbonden rekeningen. In het ESR

1995 omvat het rekeningenstelsel lopende rekeningen, accumulatierekeningen en

balansen. Door deze verschillende rekeningen is het mogelijk de registratie van transacties

en andere stromen in een geordend kader te koppelen aan specifieke aspecten van de

economische cyclus (bv. de productie). Deze transacties lopen uiteen van de inkomens-

vorming via de secundaire en tertiaire inkomensverdeling tot de accumulatie van inkomen

in de vorm van activa. De saldi die hieruit worden afgeleid, worden vervolgens gebruikt

om de economische prestatie op geaggregeerd niveau weer te geven.

1.38. De lopende rekeningen betreffen de inkomensvorming, -verdeling en -herverdeling, en de

besteding van het inkomen in de vorm van consumptie. Met behulp van deze rekeningen

kunnen de besparingen worden berekend als een wezenlijke factor in het kader van de

accumulatie. In de accumulatierekeningen worden de verschillende bestanddelen van

mutaties in activa en passiva van de diverse eenheden geanalyseerd en kunnen mutaties in

het vermogenssaldo (het verschil tussen activa en passiva) worden geregistreerd. Balansen

tonen het totaal aan activa en passiva van de verschillende eenheden aan het begin en het

eind van de verslagperiode, tezamen met het vermogenssaldo. De stromen van iedere

1.39. Het volledige rekeningenstelsel, zoals hierboven beschreven, is alleen van toepassing op

institutionele eenheden, sectoren en subsectoren. Het ESR 1995 gaat ervan uit dat het geen

zin heeft een volledig rekeningenstelsel op te stellen voor een lokale EEA of een bedrijfs-

tak, omdat dergelijke eenheden zelden zelf eigenaar van goederen of activa zijn of

inkomen ontvangen en verdelen.

  • 2. 
    Rekeningenstelsel van de LR

1.40. Omdat de landbouwrekeningen op het "bedrijfstak"-concept zijn gebaseerd, moet het

rekeningenstelsel volgens het ESR 1995 worden beperkt tot de eerste rekeningen van de

lopende rekeningen:

· de productierekening

· de inkomensvormingsrekening

waarvan de saldi respectievelijk de toegevoegde waarde en het exploitatieoverschot zijn

(zie de tabellen 1 en 2).

1.41. Gezien de specifieke kenmerken van de landbouw zou het, althans gedeeltelijk, mogelijk

moeten zijn ook andere rekeningen op te stellen, voor zover de desbetreffende stromen

daaraan ook duidelijk kunnen worden toegewezen. Het gaat hierbij om (tabellen 3 en 4):

· de rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (een van de lopende rekeningen);

· de kapitaalrekening (een van de accumulatierekeningen).

1.42. Overwogen wordt het rekeningenstelsel uit te breiden tot bepaalde posten (stromen) in de

rekening voor overige mutaties in activa, die behoort tot de accumulatierekeningen (d.w.z.

bepaalde rubrieken in de "rekening voor overige volumemutaties in activa", de "rekening

voor nominale waarderingsverschillen"), en de balansen.

1.43. Op grond van de tabellen en de rekeningenstructuur in het ESR 1995 kan het stelsel van

landbouwrekeningen als volgt worden weergegeven.

A. Lopende rekeningen

Tabel 1: Productierekening

Bestedingen Middelen

P.2 Intermediair verbruik 50 P.1 Output 100

B.1b Toegevoegde waarde (bruto) 50

K.1 Verbruik van vaste activa 10

B.1n Toegevoegde waarde (netto) 40

Tabel 2: Inkomensvormingsrekening

Bestedingen Middelen

D.1 Beloning van werknemers 10 B.1.n Toegevoegde waarde (netto) 40

D.29 Niet-productgebonden belastingen op 5

productie

D.39 Niet-productgebonden subsidies -10

B.2n/ Exploitatieoverschot (netto)/ Gemengd 35

B.3n inkomen (netto)

Tabel 3: Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening

Bestedingen Middelen

D.4 Inkomen uit vermogen 10 B.2.n/B.Exploitatieoverschot (netto)/ Gemengd 35

B. Accumulatierekeningen

Tabel 4: Kapitaalrekening

Mutaties in activa Mutaties in passiva

B.10.1 Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. B.8n Besparingen (netto)

besparingen en kapitaaloverdrachten

D.9 Kapitaaloverdrachten, ontvangen 10

D.92 Investeringsbijdragen 5

D.99 Overige kapitaaloverdrachten 5

D.9 Kapitaaloverdrachten, betaald

D.91 Vermogensheffingen

D.99 Overige kapitaaloverdrachten

P.51 Investeringen in vaste activa (bruto) 100 B.10.1 Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v.

besparingen en kapitaaloverdrachten

P.511 Saldo aan- en verkopen van materiële vaste 85

activa

P.511a BIVA, aanplantingen 10

P.511b BIVA, vee 15

P.511c BIVA, machines en werktuigen 20

P.511d BIVA, vervoermiddelen 20

P.511e BIVA, bedrijfsgebouwen 20

K.1 Verbruik van vaste activa 10

P.52 Veranderingen in voorraden 5

P.53 Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden

K.2 Saldo aan- en verkopen van niet-

geproduceerde niet-financiële activa

K.21 Saldo aan- en verkopen van grond (en

overige materiële niet-geproduceerde

activa)

K.22 Saldo aan- en verkopen van immateriële

niet-geproduceerde activa (productierechten

enz.)

B.9 Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (-)

1.44. Hierbij moet worden aangetekend dat het bij de cursief gedrukte transacties en voorraden

in de tabellen 3 en 4 gaat om posten die:

· niet van belang zijn voor de landbouwrekeningen omdat wordt uitgegaan van de

bedrijfstak en het rekeningenstelsel daarom onvolledig is. Bij de middelen in tabel 3

gaat het om de rubrieken D.42 Winstuitkeringen, D.43 Ingehouden winsten op directe

buitenlandse investeringen, D.44 Inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders

· niet worden geregistreerd wegens gebrek aan betrouwbare informatie of omdat ze nu

van beperkt belang zijn voor de LR. Het gaat om de rubrieken D.9 Kapitaalover-

drachten, betaald, D.91 Vermogensheffingen en D.99 Overige kapitaaloverdrachten,

P.53 Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden, K.2 Saldo aan- en verkopen van niet-

geproduceerde niet-financiële activa, K.21 Saldo aan- en verkopen van grond en

overige materiële niet-geproduceerde activa en K.22 Saldo aan- en verkopen van

immateriële niet-geproduceerde activa (productierechten enz.). Een aantal van deze

rubrieken (bv. D.91, K.2, K.21 en K.22) kunnen op een later tijdstip wellicht wel in de

LR worden geregistreerd.

1.45. In de productierekening worden de transacties met betrekking tot het productieproces

geregistreerd. Tot de middelen behoort de output en tot de bestedingen het intermediair

verbruik. Het saldo, de toegevoegde waarde, kan worden berekend vóór of na het verbruik

van vaste activa (bruto of netto). Aangezien de output wordt gewaardeerd tegen basis-

prijzen en het intermediair verbruik tegen aankoopprijzen, omvat de toegevoegde waarde

niet het saldo van productgebonden belastingen en subsidies.

1.46. De inkomensvormingsrekening betreft de vorming van inkomen door het productieproces

en de verdeling ervan over de productiefactor "arbeid" en de overheid (via belastingen en

subsidies). Het saldo, het exploitatieoverschot, komt overeen met inkomen dat de een-

1.47. Met behulp van de rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening is het mogelijk inkomen

zodanig te meten dat het overeenkomt met het begrip winst vóór winstuitkering en vóór

aftrek van belastingen op inkomen, zoals gebruikelijk is in de bedrijfsadministratie.

1.48. Met behulp van de kapitaalrekening kan worden bepaald in hoeverre het saldo van aan- en

verkopen van niet-financiële activa is gefinancierd met besparingen en kapitaalover-

drachten. Het laat zien of er een vorderingenoverschot of -tekort is. Het is niet mogelijk

een volledige kapitaalrekening voor de landbouw op te stellen, want ook al kunnen

bepaalde stromen duidelijk aan deze bedrijfstak worden toegerekend, andere rubrieken

(bv. netto-besparingen, het saldo van het stelsel van lopende rekeningen) kunnen niet voor

deze bedrijfstakken worden berekend. Omdat het merendeel van de mutaties in de waarde

van niet-financiële activa in de bedrijfstak (door aan- en verkopen en het verbruik van

vaste activa) en van de door de bedrijfstak ontvangen kapitaaloverdrachten wel wordt

geregistreerd, wordt niettemin waardevolle informatie verkregen over de economische en

de vermogenssituatie van de bedrijfstak (en bovendien informatie over het inkomen dat

wordt gevormd door het productieproces).

E. GEGEVENSBRONNEN EN BEREKENINGSMETHODEN VOOR DE OPSTELLING

VAN DE LANDBOUWREKENINGEN

1.49. Een van de belangrijkste kenmerken van de LR betreft het feit dat de output van de meeste

producten wordt berekend aan de hand van de formule "hoeveelheid x prijs". Deze aanpak

1.50. De output van plantaardige producten kan in het algemeen worden gewaardeerd op basis

van de middelen of de bestedingen. De eerste methode gaat uit van een schatting van de

geproduceerde (geoogste) hoeveelheden aan de hand van het bebouwde areaal of de oogst-

raming. De bestedingenmethode daarentegen is gebaseerd op de som van de aankopen

door de bedrijfstakken die landbouwproducten gebruiken, het saldo van in- en uitvoer, het

intermediair verbruik van de bedrijfstak landbouw, de veranderingen in de voorraden bij

de producent en het gebruik voor eigen rekening (grotendeels verbruik binnen de eenheid).

De tweede methode is uitermate geschikt wanneer de kopers van deze landbouwproducten

gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd en de andere vier elementen van de

bestedingen beperkt van omvang zijn (bv. producten die pas kunnen worden gebruikt na

een eerste verwerking, zoals suikerbieten en tabak). Voor de controle van de samenhang

en de betrouwbaarheid van de gegevens moet evenwel een fysieke balans worden

opgesteld.

1.51. De belangrijkste bronnen voor de waardering van de output van dieren zijn slacht-

statistieken, gegevens over de in- en uitvoer van levende dieren en statistieken van de

veestapel. De output van dierlijke producten (vooral melk) wordt in verband met het speci-

fieke gebruik gewoonlijk geschat aan de hand van de verkoop aan de verwerkende

bedrijfstakken (zuivelfabrieken, verpakkingsbedrijven).

1.52. Hoofdstuk II bevat een gedetailleerdere presentatie van de berekeningsmethoden.

1.54. Toepassing van deze regel brengt echter risico's met zich mee. De verkopen van deze

producenten hoeven immers niet volledig overeen te stemmen met de aankopen van de

landbouw. Meststoffen, bestrijdingsmiddelen enz. kunnen immers ook voor andere doel-

einden worden gekocht (voorraden bij de handel, verbruik van andere eenheden zoals

openbare parken en huishoudens).

F. CLASSIFICATIE

  • 1. 
    Algemeen

1.55. Omdat de landbouwrekeningen volledig in het Europees systeem van rekeningen zijn

geïntegreerd, wordt voor de opstelling ervan de algemene nomenclatuur voor de

economische activiteiten van Eurostat, de NACE Rev.1, gebruikt. Dit is een classificatie

van economische activiteiten met vier niveaus, die in 1990 is opgesteld. In feite gaat het

om een herziening van de Algemene systematische bedrijfsindeling in de Europese

Gemeenschappen, die bekend is onder het acroniem NACE en die voor het eerst in 1970

door Eurostat werd gepubliceerd.

1.56. De NACE Rev.1 is een gedetailleerdere versie van de ISIC Rev.3 1, die is aangepast aan

de specifieke kenmerken van Europa. Er is ook een rechtstreekse band tussen de NACE

Rev.1 en de statistische classificatie van producten, gekoppeld aan de economische

activiteiten in de Europese Economische Gemeenschap (CPA), die op haar beurt weer is

gebaseerd op de centrale productenclassificatie (CPC) van de Verenigde Naties.

1.57. De NACE Rev.1 is een classificatie van activiteiten die wordt gebruikt voor de definitie

van de bedrijfstakken in de nationale rekeningen. Zij is gebaseerd op een codeersysteem

met vier niveaus:

· het eerste niveau bevat rubrieken met een code met één letter, de "secties";

· een tussenniveau met rubrieken met een code met twee letters, de "subsecties";

· het tweede niveau met rubrieken met een code met twee cijfers, de "afdelingen";

· het derde niveau met rubrieken met een code met drie cijfers, de "groepen";

· het vierde niveau met rubrieken met een code met vier cijfers, de "klassen".

1.58. Ieder niveau van een classificatie van economische activiteiten kan in het algemeen

worden gedefinieerd aan de hand van de karakteristieke goederen of diensten. Daarom

wordt de CPA gebruikt voor een gedetailleerde beschrijving van de verschillende

economische activiteiten van de bedrijfstak landbouw, met een extra differentiatie met

twee cijfers voor een nauwkeuriger definitie van de posten.

1.59. De bedrijfstak bestaat uit een groep eenheden van economische activiteit op lokaal niveau

die dezelfde of overeenkomstige economische activiteiten uitoefenen. Op het meest

gedetailleerde niveau bestaat een bedrijfstak uit alle lokale EEA's die tot hetzelfde vier-

digitniveau (klasse) van de NACE Rev.1 behoren en die derhalve dezelfde activiteit, zoals

omschreven in de NACE Rev.1, uitoefenen (ESR 1995, 2.108). Om het waarnemings-

gebied van de bedrijfstak landbouw te kunnen afbakenen moet nauwkeurig worden vast-

gesteld:

· wat de karakteristieke activiteiten zijn,

· wat de karakteristieke eenheden van de LR zijn.

  • 2. 
    Definitie van de karakteristieke activiteiten van de landbouw

1.60. De bedrijfstak landbouw zoals deze in de LR is gedefinieerd, komt overeen met

afdeling 01 van de NACE Rev.1.

1.61. De LR zijn satellietrekeningen van de nationale rekeningen, waarvan de basisbegrippen,

-beginselen en -regels op het ESR 1995 berusten. Omdat het hier slechts om een algemeen

kader voor de gehele economie gaat, zijn veranderingen nodig om het ESR 1995 aan te

passen aan de behoeften van de landbouw. Deze bijzondere eisen vloeien vooral voort uit

de specifieke doelen van de LR, de beschikbaarheid van de bronnen en de speciale aard

van de landbouweenheden en hun economische activiteiten. Wegens het bijzondere

1.62. In het kader van de nationale rekeningen behoren tot de bedrijfstak landbouw alle een-

heden die uitsluitend, of in combinatie met andere economische nevenactiviteiten, activi-

teiten uitoefenen die behoren tot afdeling 01 van de NACE Rev.1: "Landbouw, jacht en

diensten in verband met deze activiteiten". Afdeling 01 omvat 1:

· Groep 01.1: Teelt van akkerbouwgewassen; teelt van groenten; tuinbouw

· Groep 01.2: Veeteelt

· Groep 01.3: Gemengd bedrijf

· Groep 01.4: Diensten in verband met de landbouw en de veeteelt, exclusief veterinaire

dienstverlening

· Groep 01.5: Jacht, zetten van vallen en fokken van wild, alsmede diensten in verband

met deze activiteiten.

1.63. De lijst van karakteristieke landbouwactiviteiten voor de LR omvat deze vijf groepen

activiteiten (01.1-01.5), maar met de volgende afwijkingen:

· toevoeging van de productie van wijn en olijfolie (uitsluitend van druiven en olijven die

op hetzelfde bedrijf zijn geteeld) en de teelt van plantaardig vlechtmateriaal, kerst-

bomen, plantgoed van fruitbomen, druivenstokken en sierbomen in boomkwekerijen

(valt onder afdeling 02 bosbouw);

· uitsluiting van de productie van zaaigoed vóór en na de vermenigvuldiging en van

bepaalde diensten die in de NACE Rev.1 tot de landbouw worden gerekend (nl.

exploitatie van irrigatiesystemen; aanleg, beplanting en onderhoud van tuinen, parken,

sportvelden en dergelijke; snoeien van bomen en heggen; alleen loonwerk in de land-

bouw wordt in aanmerking genomen).

  • 3. 
    Afbakening van de karakteristieke eenheden van de landbouw

1.64. Alle eenheden die karakteristieke activiteiten van de bedrijfstak landbouw (in de LR)

uitoefenen, moeten worden opgenomen. Het gaat om eenheden die activiteiten van de

volgende groepen van de NACE Rev.1 uitoefenen:

· Groep 01.1: Teelt van akkerbouwgewassen; teelt van groenten; tuinbouw:

  • productie van zaaigoed: alleen eenheden die zich bezighouden met de

vermeerdering zelf;

  • productie van wijn (of olijfolie): alleen eenheden die deze productie uitoefenen

met druiven (olijven) die door dezelfde eenheden zijn voortgebracht, alsmede

groepen producenten (bv. coöperaties) 1;

· Groep 01.2: Veeteelt;

· Groep 01.3: Gemengd bedrijf;

· Groep 01.4: Diensten in verband met de landbouw en de veeteelt, exclusief veterinaire

dienstverlening:

  • zonder eenheden die andere landbouwdiensten dan loonwerk verrichten (d.w.z.

zonder eenheden die activiteiten uitoefenen in verband met de exploitatie van

irrigatiesystemen, de aanleg, de beplanting en het onderhoud van tuinen, parken,

sportvelden en dergelijke en het snoeien van bomen en heggen);

· Groep 01.5: Jacht, zetten van vallen en fokken van wild, alsmede diensten in verband

met deze activiteiten.

1.65. Deze lijst moet worden uitgebreid met eenheden waar kerstbomen of plantgoed van fruit-

of sierbomen of wijnstokken worden geteeld en eenheden waar plantaardig vlecht-

materiaal wordt geproduceerd.

1.66. Uit deze lijst blijkt dat naast landbouwbedrijven ook de volgende eenheden karakteristiek

voor de landbouw zijn: groepen producenten die wijn of olijfolie produceren en eenheden

die zijn gespecialiseerd in loonwerk voor de landbouw (zie 1.20 en 1.21). Opgemerkt zij

nog dat eenheden waarvoor de landbouw uitsluitend een vrijetijdsbesteding is, niet tot de

karakteristieke eenheden van de landbouw behoren (zie 1.24).

  • 4. 
    Opmerkingen bij diverse posten
  • a) 
    Groep 01.1 "Teelt van akkerbouwgewassen; teelt van groenten; tuinbouw"

1.67. Groep 01.1 "Teelt van akkerbouwgewassen; teelt van groenten; tuinbouw" geeft een

systematische indeling van alle activiteiten met betrekking tot de plantaardige productie in

de landen van de Europese Unie, alsmede het verzamelen van in het wild groeiende

planten en fruit.

1.68. De productie van voedergewassen wordt alleen opgenomen wanneer deze deel uitmaakt

van een economische activiteit.

1.69. Anders dan in de NACE Rev.1, die deze activiteit bij de bosbouw indeelt, wordt de

productie van plantgoed in kwekerijen als landbouwactiviteit behandeld wanneer het gaat

om de productie van plantgoed voor fruitbomen en -heesters, druivenstokken en

sierbomen en -heesters. De productie van bosplanten daarentegen moet als bosbouw-

activiteit worden beschouwd wanneer deze planten voor de productie van bosbomen

bestemd zijn 1. De productie van kerstbomen wordt eveneens als landbouwproductie

behandeld indien de bomen in kwekerijen worden geteeld voor gebruik als sierboom.

Wanneer het echter gaat om de toppen van gekapte bomen of om bij het uitdunnen van

bossen verkregen bomen, betreft het bosbouwproductie.

1.70. In de LR-classificatie wordt zaaigoed van landbouwproducten in de rubriek "Zaaigoed"

ondergebracht, met uitzondering evenwel van zaai- en pootgoed voor granen en rijst, olie-

houdende zaden, eiwitrijke gewassen en aardappelen, die geregistreerd worden bij

respectievelijk de individuele variëteiten van de granen en oliehoudende gewassen, de

eiwitrijke gewassen en de aardappelen 1. In de praktijk omvat de productie van zaaigoed

evenwel verschillende activiteiten: onderzoek (productie van zaad dat dient als prototype

voor de eerste generatie), vermenigvuldiging (op contractbasis uitgevoerd door landbouw-

bedrijven) en certificatie (d.w.z. sortering en verpakking door gespecialiseerde productie-

eenheden). Alleen de vermenigvuldiging van zaaigoed is een karakteristieke landbouw-

activiteit, omdat onderzoek en certificatie op onderzoek- en productiebedrijven plaats-

vinden en niet beantwoorden aan de traditionele definitie van landbouw (nl. de exploitatie

van natuurlijke hulpbronnen met als doel de productie van planten en dieren). De

productie van zaaigoed in de LR omvat daarom alleen de vermenigvuldiging van zaai-

goed. Het intermediair verbruik van zaaigoed komt overeen met (a) zaaigoed van de eerste

generatie dat is gekocht met het oog op vermenigvuldiging en (b) gecertificeerd zaaigoed

dat door landbouwproducenten voor de productie van landbouwgewassen is gekocht.

1.71. Productie van druivenmost, wijn en olijfolie: in de CPA worden wijn en olijfolie als

voedingsmiddelen beschouwd. In de NACE Rev.1 maakt de productie van wijn en olijf-

olie deel uit van subsectie DA "Vervaardiging van voedings- en genotmiddelen" (klasse

15.93 "Vervaardiging van wijnen" en 15.41 "Vervaardiging van ruwe oliën en vetten").

Alleen de teelt van wijndruiven en olijven maakt deel uit van de landbouw (klasse 01.13

"Teelt van fruit, noten, specerijgewassen en gewassen bestemd voor de vervaardiging van

dranken"). Volgens een NACE-afspraak wordt de productie van wijn en olijfolie, vervaar-

digd van door de productieve eenheid zelf voortgebrachte druiven of olijven, evenwel

ingedeeld bij de landbouw (klasse 01.13). Hierdoor wordt vermeden dat een onderscheid

moet worden gemaakt tussen de eenheid waar de druiven worden voortgebracht en die

waar de wijn wordt geproduceerd. Hieruit volgt dat alle activiteiten betreffende de

productie van wijn of olijfolie op basis van druiven of olijven die binnen dezelfde eenheid,

d.w.z. het landbouwbedrijf, zijn voortgebracht, deel uitmaken van de karakteristieke

activiteiten van de landbouw.

1.72. Ook de productie van wijn door eenheden die nauw verbonden zijn met de landbouw-

bedrijven, wordt in de LR als een karakteristieke activiteit van de landbouw beschouwd.

Hierbij gaat het ook om groepen producenten (bv. wijnbouwcoöperaties). Reden voor hun

opname in de bedrijfstak landbouw is de aard van deze organisaties, die historisch gezien

een "uitbreiding" van het landbouwbedrijf vormen (om producten gezamenlijk voort te

brengen en in de handel te brengen) en in het algemeen ook eigendom zijn van landbouw-

bedrijven. De productie van wijn en olijfolie door de voedingsmiddelenindustrie valt

1.73. De productie van druivenmost staat naast de productie van wijn in de lijst van

karakteristieke activiteiten omdat druivenmost als zodanig kan worden verkocht of

uitgevoerd, dan wel deel kan uitmaken van de veranderingen in voorraden, om vervolgens

tijdens een latere verslagperiode te worden verkocht of uitgevoerd, voor verbruik of voor

verwerking tot wijn.

1.74. Omdat wijn, olijfolie en druivenmost (voor zover deze niet tijdens de verslagperiode tot

wijn wordt verwerkt) als resultaat van de verwerking van door de eenheid zelf voort-

gebrachte druiven of olijven deel uitmaken van de output van de bedrijfstak landbouw,

mogen noch de voor de vervaardiging van druivenmost of wijn bestemde druiven, noch de

voor de vervaardiging van olijfolie bestemde olijven (d.w.z. de basisproducten) bij de

output worden opgenomen. Het gaat namelijk om op het bedrijf zelf verbruikte producten,

die niet worden gemeten bij de output van de bedrijfstak (zie 2.052). Druivenmost die niet

tijdens de verslagperiode tot wijn wordt verwerkt, moet wel bij de output van die periode

worden meegeteld. Tijdens de wijnbereiding moet het als intermediair verbruik (binnen de

bedrijfstak) worden geboekt, waardoor de voorraden dienovereenkomstig verminderen. De

uit de most gewonnen wijn moet als element van de output worden geboekt.

1.75. Aanplantingen (d.w.z. boom- en wijngaarden) zijn vaste activa, waarvan de aanleg bij de

output moet worden geregistreerd. Bij de aanleg van aanplantingen in eigen beheer gaat

het om "Productie van vaste activa in eigen beheer". Wanneer de aanplantingen evenwel

op contractbasis door gespecialiseerde eenheden worden aangelegd, wordt de waarde

1.76. Op soortgelijke wijze als voor de plantaardige productie (zie 1.67) wordt in deze groep

een systematische indeling gegeven van de gehele veestapel en van alle dierlijke

producten die in de landen van de Europese Unie worden geproduceerd.

1.77. In de CPA vallen broedeieren en eieren samen onder één subcategorie. Volgens afspraak

worden broedeieren in de LR evenwel als halffabrikaat van de pluimveeteelt beschouwd 1.

1.78. Het fokken van paarden is een karakteristieke activiteit van de LR, ongeacht de

uiteindelijke bestemming van het dier (fok, vleesproductie of diensten). Renstallen en

maneges zijn daarentegen geen karakteristieke activiteit van de landbouw, maar vallen

onder recreatie, cultuur en sport (afdeling 92) (zie 2.210); inkomsten van landbouwers in

het kader van deze activiteiten vallen dus niet onder de LR. Ook het houden van rij- en

renpaarden die niet voor de landbouwproductie worden gebruikt, valt buiten de LR. Het

fokken van vechtstieren wordt op soortgelijke wijze behandeld.

1.79. Nevenproducten 1, die automatisch voortvloeien uit de productie van bepaalde landbouw-

producten, worden in de rekeningen niet onder dezelfde post als deze producten

opgenomen. Ze staan, ingedeeld naar soort, aan het eind van iedere betreffende groep. Bij

plantaardige productie gaat het bijvoorbeeld om stro, bieten- en koolblad, peulen van

erwten en bonen enz., bij de wijnbereiding om wijnmoer en wijnsteen, bij de vervaar-

diging van olijfolie om afvallen als perskoeken en bij de dierlijke productie om huiden,

haar en bont van gedood wild, alsmede om was, mest en gier. Deze producten vormen in

het algemeen niet het hoofddoel van de productie, waardoor betrouwbare statistische

gegevens uiterst zeldzaam zijn. In de landbouw worden deze producten in hoofdzaak

gebruikt als veevoeder of voor grondverbetering. Toch worden nevenproducten ook wel

verkocht aan economische sectoren buiten de landbouw en in dat geval valt de waarde van

de output wel binnen de LR.

  • c) 
    Groep 01.4 "Diensten in verband met de landbouw en de veeteelt, exclusief

veterinaire dienstverlening"

1.80. De activiteiten van groep 01.4 kunnen in tweeën worden gesplitst:

· agrarisch loonwerk tijdens de productieperiode;

· andere diensten op landbouwgebied (exploitatie van irrigatiesystemen, aanleg,

beplanting en onderhoud van tuinen, parken, sportvelden en dergelijke; snoeien van

bomen en heggen enz.).

1.81. De landbouwdiensten van de tweede groep worden niet in de LR opgenomen (ook al

maken ze in de nationale rekeningen wel deel uit van de landbouw), aangezien het niet

gaat om traditionele of karakteristieke activiteiten van de landbouw. Zij kunnen wel als

niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten (in de zin van de LR)

worden geregistreerd. De traditionele aanpak, waarbij de landbouw wordt beschreven als

bewerking van de bodem, omvat door uitbreiding alle werkzaamheden die ten doel hebben

de natuurlijke hulpbronnen te gebruiken en te exploiteren voor de productie van gewassen

en dieren die nuttig zijn voor de mens. Hoewel het economisch belang van diensten op

milieugebied verder toeneemt, worden deze niet in aanmerking genomen omdat dit een

onaanvaardbare uitbreiding van bovengenoemde klassieke aanpak zou betekenen.

Loonwerk in de landbouw

1.82. Door de economische specialisatie zijn landbouwbedrijven en -huishoudens lang geleden

begonnen bepaalde functies af te stoten naar een steeds groter aantal gespecialiseerde

beroepen met hun eigen productie-eenheden. De werkverdeling betrof in een eerste fase de

verwerking van landbouwproducten (slacht en verwerking van vlees, malen van graan en

vervaardiging van brood, boter- en kaasbereiding, zaadbehandeling door nieuwe sectoren)

en later ook bepaalde handelsactiviteiten. Vooral in het kader van de omvangrijke

structuurwijzigingen in de landbouw en het toenemend gebruik van grote werktuigen in

relatie hiermee zijn landbouwactiviteiten die een direct verband hebben met de productie

van plantaardige producten en de veeteelt, steeds vaker toevertrouwd aan gespecialiseerde

eenheden.

1.83. Tot deze activiteiten behoren bijvoorbeeld bemesten, bekalken, ploegen, zaaien, onkruid-

en ongediertebestrijding, plantenbescherming, maaien, dorsen en schapen scheren.

1.84. Al deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat ze in het algemeen nodig zijn bij

de productie van landbouwproducten en dat ze gekoppeld zijn aan de voortbrenging van

deze producten.

1.85. Activiteiten die niet rechtstreeks verband houden met de productie van landbouw-

producten, d.w.z. die niet plaatsvinden tijdens de landbouwproductie, zoals beroeps-

vervoer (bv. het afleveren van melk bij de zuivelfabriek), zijn voorbeelden van niet-land-

bouwactiviteiten die tot een andere bedrijfstak behoren en daarom niet in de LR moeten

worden opgenomen (tenzij het gaat om activiteiten die niet kunnen worden gescheiden van

de tot de landbouw behorende hoofdactiviteit, zie 1.12).

1.86. Men dient er rekening mee te houden dat deze indeling alleen van toepassing is wanneer

de betrokken activiteiten in hun geheel door gespecialiseerde eenheden worden verricht.

Indien de landbouwer daarentegen alleen machines huurt (zonder bedienend personeel) of

de machines huurt met slechts een gedeelte van het benodigde personeel, zodat de eigen-

lijke activiteit nog steeds, met de gehuurde machines, door hem moet worden verricht, valt

deze activiteit onder afdeling 71 van de NACE Rev.1. Dit doet zich vooral voor bij een-

voudige machines die weinig onderhoud vergen, en dan vooral op momenten dat er veel

vraag naar is (zie 1.23).

1.87. Loonwerk dat tijdens het productieproces wordt uitgevoerd, omvat vooral activiteiten

waaraan dure machines te pas komen. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd door:

  • a) 
    gespecialiseerde loonbedrijven voor wie deze werkzaamheden de hoofdactiviteit zijn

(loonbedrijven in enge zin);

  • b) 
    landbouwbedrijven

In dit geval komt het loonwerk vooral in onderstaande vormen voor:

  • als nevenactiviteit van een landbouwer, in de eenvoudigste vorm als

incidentele hulp aan buren. Deze categorie omvat onder meer het inscharen

van vee en (vooral bij varkens en pluimvee) het houden van dieren op

contractbasis (vooral om ze te mesten). Een landbouwer kan dit doen voor

andere landbouwers, maar het vee kan ook toebehoren aan een industrieel

bedrijf, gewoonlijk een leverancier (bv. een voederfabrikant of -handelaar) of

een afnemer (bv. een slachterij);

  • als min of meer autonome werktuigenvereniging, een logisch uitvloeisel van

de burenhulp. Het ontstaan van dergelijke verenigingen wordt bevorderd door

de hoge prijzen van machines en hun lage benuttingsgraad binnen een onder-

neming: bedrijven die machines bezitten, sluiten zich aaneen tot een werk-

tuigenvereniging die de machines inclusief het benodigde personeel ter

beschikking van andere bedrijven stelt. In toenemende mate verwerven land-

bouwers hun hoofdinkomen uit loonwerk uitgevoerd voor diegenen die alleen

bij wijze van nevenactiviteit in de landbouw werkzaam zijn, misschien zelfs

alleen grondeigenaar zijn;

  • als werktuigencoöperatie 1. Dit zijn grote coöperaties die personeel in dienst

hebben en lijken op gespecialiseerde loonbedrijven;

  • c) 
    ondernemingen die groente en fruit oogsten en dit zelf verwerken (bv. conserven-

fabrieken bij de erwtenteelt op contractbasis);

  • d) 
    ondernemingen die tot een aan de landbouw voorafgaand productiestadium behoren.

Hiertoe behoort bijvoorbeeld het verrichten van loonwerk door de landbouwmachine-

handel. Hoewel dit zeer onwaarschijnlijk lijkt, is het in theorie ook mogelijk dat

bijvoorbeeld de fabrikant van verdelgingsmiddelen zelf sproeit. Indien hierbij evenwel

de modernste technieken worden toegepast, hoeft er niet altijd sprake te zijn van loon-

werk tijdens het productieproces, en zeker niet wanneer het werk betreft dat gewoonlijk

niet door de landbouwer zelf wordt gedaan (bv. parasietenbestrijding met behulp van

vliegtuigen).

1.88. Of een activiteit als loonwerk in de landbouw (d.w.z. werk dat binnen het landbouw-

productieproces gewoonlijk door de landbouwbedrijven zelf wordt verricht) moet worden

beschouwd, hangt niet alleen af van de aard van de activiteit, maar ook van de context

waarin deze wordt verricht; de activiteit moet namelijk "deel uitmaken van het landbouw-

productieproces".

1.89. Het houden van vee tegen betaling (het ter beschikking stellen van land voor vee) behoort

daarentegen wel tot het loonwerk in de landbouw omdat het deel uitmaakt van het land-

bouwproductieproces. Deze rubriek omvat evenwel niet het houden en verzorgen van

rijpaarden voor particulieren, daar dit geen deel uitmaakt van het landbouwproductie-

proces: het is een echte "dienst" in de zin van het ESR 1995 (sectie O van de NACE

Rev.1). Evenmin mogen werkzaamheden voor de aanleg en het onderhoud van parken,

tuinen, golfterreinen en groenvoorzieningen als onderdeel van het landbouwproductie-

proces worden beschouwd.

1.90. De wijze waarop de loonwerker wordt betaald, is onbelangrijk. Er hoeft geen vaste

beloning (d.w.z. loon in enge zin) te worden betaald; betaling kan heel goed plaatsvinden

in de vorm van een aandeel in de winst dan wel als mengvorm (bv. een veehouder die

tegen betaling kalveren mest, ontvangt doorgaans een vast bedrag per kalf plus een aan-

deel in de nettowinst). Betaling in de vorm van een aandeel in de output is ook mogelijk.

1.91. Bij loonwerk moet het evenwel altijd gaan om prestaties van zelfstandige ondernemingen;

arbeid die door werknemers van het bedrijf zelf wordt verricht, blijft buiten beschouwing.

De betaling van deze arbeid, bijvoorbeeld die van een melker in loondienst, behoort tot de

loonkosten van het landbouwbedrijf en wordt geregistreerd onder de "beloning van werk-

nemers". De prestaties van een bedrijf dat op contractbasis de dieren van een ander land-

bouwbedrijf melkt, worden in de LR daarentegen bij de contractant als output (verkoop

van diensten) en bij het landbouwbedrijf als intermediair verbruik (aankoop van een

  • d) 
    Groep 01.5 "Jacht, zetten van vallen en fokken van wild, alsmede diensten in verband

met deze activiteiten"

1.92. Deze groep omvat de volgende activiteiten: (a) de jacht op en het vangen (met vallen) van

dieren voor voedsel, bont of huiden, voor onderzoek of dierentuinen of voor gebruik als

huisdier; (b) de productie van pelterijen of van huiden en vellen van reptielen of vogels,

afkomstig van de jacht of van het zetten van vallen; (c) het uitzetten van wild; (d) de

bevordering van de jacht en het zetten van vallen op commerciële basis. De productie van

huiden en vellen door slachterijen en de jacht als sport of recreatie maken geen deel uit

van de karakteristieke activiteiten van de bedrijfstak landbouw. Het fokken van wild op

fokkerijen behoort niet tot deze groep, maar tot de veeteelt (klasse "Overige veeteelt").

  • 5. 
    Verschil tussen de bedrijfstak landbouw in de LR en in het centrale kader van de nationale

rekeningen

1.93. De bedrijfstak landbouw in de LR, zoals deze is gedefinieerd in de punten 1.62-1.66, wijkt

op bepaalde punten af van die in de nationale rekeningen. Het betreft zowel de definitie

van de karakteristieke activiteiten als die van de eenheden. Ze kunnen als volgt worden

samengevat:

Bedrijfstak landbouw in de LR = Bedrijfstak landbouw in de nationale

rekeningen

+ Productie-eenheden voor wijn en olijfolie (groepen producenten, coöperaties enz.)

+ Productie-eenheden voor vlechtmateriaal

+ Productie-eenheden voor kerstbomen, fruitbomen, druivenstokken en sierbomen in kwekerijen

  • Productie-eenheden voor zaden (voor onderzoek of certificatie)
  • Productie-eenheden voor diensten in verband met de landbouw, met uitzondering van loonwerk (nl. exploitatie van irrigatiesystemen, aanleg, beplanting en onderhoud van tuinen, parken, sportvelden en dergelijke, snoeien van bomen en heggen)
  • Eenheden waarvoor de landbouwactiviteit uitsluitend een vrijetijdsbesteding is

II. TRANSACTIES IN PRODUCTEN

2.001. De transacties in producten geven een overzicht van de herkomst en de bestemming van

producten. Producten zijn alle goederen en diensten die worden voortgebracht binnen de

productiegrens. De belangrijkste categorieën transacties in producten die door het ESR

1995 worden onderscheiden, zijn: output, intermediair verbruik, consumptieve

bestedingen, werkelijke consumptie, bruto-investeringen, uitvoer van goederen en

diensten en invoer van goederen en diensten.

2.002. Zoals onder 1.40 en 1.41 al is gezegd, wordt in de LR alleen rekening gehouden met

output, intermediair verbruik en bruto-investeringen. De output wordt geregistreerd als

middelen en het intermediair verbruik als bestedingen van de productierekening. De bruto-

investeringen worden geregistreerd als bestedingen (mutatie van activa) van de kapitaal-

rekening.

A. ALGEMENE REGELS

  • 1. 
    Verslagperiode

2.003. De verslagperiode voor de landbouwrekeningen is het kalenderjaar.

  • 2. 
    Eenheden

2.004. Hoeveelheden moeten in het algemeen worden opgegeven in 1 000 t. (voor wijn en

druivenmost in 10 000 hl), afgerond op één decimaal. Voor dieren wordt het levend

gewicht gebruikt.

  • b) 
    Prijzen

2.005. In de LR moeten prijzen per ton worden opgegeven (voor wijn en druivenmost per 10 hl).

2.006. In de LR moeten prijzen, afhankelijk van de statistische betrouwbaarheid, op gehele

getallen dan wel op een of twee decimalen worden afgerond.

  • c) 
    Waarden

2.007. Waarden moeten worden opgegeven in miljoenen eenheden van de nationale valuta.

  • 3. 
    Moment van registratie

2.008. In het ESR 1995 (punt 1.57) worden stromen (in het bijzonder de transacties in producten

en de verdelingstransacties) op transactiebasis geregistreerd, d.w.z. op het moment dat de

economische waarde tot stand komt, wordt gewijzigd of verloren gaat, dan wel op het

moment dat aanspraken en verplichtingen tot stand komen, worden gewijzigd of worden

geannuleerd, en niet op het moment dat de betaling werkelijk wordt verricht.

  • a) 
    Output

2.009. De output moet worden gewaardeerd en geregistreerd op het moment dat deze ontstaat en

niet op het moment dat de koper ervoor betaalt.

2.010. Productie wordt in het ESR 1995 behandeld als een continu proces waarbij goederen en

diensten worden verwerkt tot andere goederen en diensten. Naargelang het product kan dit

proces korter of langer duren, eventueel zelfs langer dan een verslagperiode. Deze

karakterisering van productie in combinatie met de registratie op transactiebasis leidt

daarom tot registratie van de output in de vorm van onderhanden werk. Het ESR 1995 zegt

dan ook (punt 3.58) dat de output van landbouwproducten moet worden geregistreerd

alsof deze gestaag over de gehele productieperiode tot stand komt (en niet alleen wanneer

de gewassen geoogst of de dieren geslacht worden). Gewassen te velde en de teelt van vis

en andere dieren voor menselijke consumptie moeten gedurende het groeiproces worden

behandeld als voorraden onderhanden werk; deze moeten worden omgezet in voorraden

gereed product wanneer het groeiproces voltooid is.

2.011. Voor economische analyses is registratie van output in de vorm van onderhanden werk

wenselijk en noodzakelijk wanneer het productieproces langer duurt dan de verslag-

periode. Hierdoor kan de samenhang in de registratie van de kosten en de output worden

gewaarborgd, zodat significante gegevens over de toegevoegde waarde worden verkregen.

Aangezien de LR voor het kalenderjaar worden opgesteld, mag men ervan uitgaan dat

registratie van onderhanden werk alleen noodzakelijk is voor producten waarvan het

productieproces aan het eind van het kalenderjaar nog niet voltooid is (maar ook wanneer

2.012. Voor landbouwproducten waarvan de productiecyclus korter duurt dan de verslagperiode,

heeft het echter geen zin de output in de vorm van onderhanden werk te registreren.

Wanneer de output namelijk pas in het stadium van het eindproduct wordt geregistreerd,

d.w.z. bij de oogst (voor plantaardige producten), is een voldoende samenhang met de

productiekosten gewaarborgd. Dit geldt voor de meeste plantaardige producten, waarvan

het productieproces zich immers binnen het tijdsbestek van een jaar afspeelt. Het is

evenmin nodig plantaardige producten met een productiecyclus die weliswaar kort is,

maar zich wel in twee kalenderjaren afspeelt, als onderhanden werk te registreren (zie

2.172). In al deze gevallen worden gewassen te velde niet als voorraden onderhanden

werk beschouwd.

2.013. In de praktijk is registratie in de vorm van onderhanden werk alleen nodig voor producten

met een lange productiecyclus. Het gaat dan vooral om vee, plantaardige producten als

wijn (waarvan de veroudering deel uitmaakt van het productieproces) en aanplantingen.

Omdat de prijsontwikkeling in de Europese Unie in het algemeen gering is, is deze geen

reden voor de registratie van bepaalde producten in de vorm van onderhanden werk

(hoewel dat in uitzonderlijke gevallen wel kan voorkomen, zie 2.172.).

2.014. Wanneer als onderhanden werk geregistreerde producten met een lange productiecyclus

worden geoogst (plantaardige producten) of geslacht (vee), wordt het productieproces

beëindigd en wordt het onderhanden werk omgezet in voorraden gereed product, dat klaar

is om te worden verkocht of voor andere doeleinden te worden gebruikt. Tijdens het

2.015. Dieren: de productie van dieren vergt gewoonlijk enige tijd, soms zelfs diverse verslag-

perioden, voordat het proces voltooid is. Registratie is vanaf de geboorte van een dier voor

iedere productiefase, d.w.z. voor iedere leeftijd, mogelijk en ook wenselijk. (Het is echter

onmogelijk om het deel van de productie vóór de geboorte te registreren, omdat deze fase

niet los kan worden gezien van de zorg die aan het moederdier wordt besteed.)

2.016. Het productieproces van werkdieren wordt formeel afgesloten op het moment van

geboorte, waarna de dieren als vaste activa worden geregistreerd. Ze zijn dan uiteraard

nog niet geschikt voor het beoogde gebruik, maar de verschillen per dier zijn zo groot dat

de keuze van een vaste leeftijd voor alle gevallen uiterst willekeurig zou zijn. Het moment

van geboorte is om praktische redenen gekozen, vooral omdat dan het toekomstige

gebruik van deze dieren al vaststaat.

2.017. Dit is niet altijd het geval voor runderen, varkens, schapen en ander vee, dat als fok- of als

slachtvee kan worden grootgebracht. Wanneer het mogelijk is de jonge dieren te verdelen

naar het gebruik dat er later van wordt gemaakt, moeten dieren die zijn bestemd om als

productiefactor te worden gebruikt, al vanaf hun geboorte als bruto-investeringen in vaste

activa worden geregistreerd (het gaat om BIVA in eigen beheer, zodat deze dieren als

onderhanden werk worden beschouwd en de groei ervan als output moet worden geregi-

streerd, zie ESR 1995, 3.112). Indien dit niet mogelijk is, worden de dieren eerst als

onderhanden werk bij de voorraden opgenomen totdat ze volgroeid zijn en zelf als

productiefactor worden gebruikt (als melkkoe of fokdier of voor andere productieve doel-

2.018. Voor de kuikenproductie geldt een speciale behandeling wanneer deze zich over twee

verslagperioden uitstrekt. De aan het einde van een periode in een broedmachine

ingelegde eieren worden als output van kuikens aangemerkt en in de LR als output van

pluimvee geregistreerd (als onderhanden werk) (zie 2.048).

2.019. Wijn: de output moet als onderhanden werk worden geregistreerd omdat de veroudering

deel uitmaakt van het productieproces en zich over verschillende verslagperiodes kan

uitstrekken. Gistende druivenmost, die geen verse most meer is maar ook nog geen wijn,

wordt aan het eind van de verslagperiode op dezelfde manier behandeld als eieren in een

broedmachine en in de LR als wijn in de vorm van onderhanden werk geregistreerd.

2.020. In cultuur gebrachte activa in de vorm van aanplantingen: goederen die zijn bestemd voor

de bruto-investeringen in vaste activa in eigen beheer (met uitzondering van vee), zoals

aanplantingen die herhaaldelijk vrucht opleveren, moeten als BIVA worden geregistreerd

op het moment van productie van deze activa.

  • b) 
    Intermediair verbruik

2.021. Het intermediair verbruik van goederen en diensten moet worden geregistreerd op het

moment dat deze deel gaan uitmaken van het productieproces, d.w.z. op het moment dat

ze werkelijk worden verbruikt en niet op het tijdstip dat ze worden gekocht of opgeslagen.

2.022. Het verbruik van goederen gedurende de verslagperiode komt in de praktijk overeen met

2.023. Diensten worden geregistreerd op het moment dat ze worden gekocht. Aangezien diensten

niet kunnen worden opgeslagen, is het moment van aankoop ook het moment van

verbruik.

2.024. Uitzonderingen op deze regel zijn:

  • diensten die samenhangen met de aankoop van goederen, zoals handels- en

vervoersdiensten. Deze worden als intermediair verbruik geregistreerd op het

moment dat de goederen worden verbruikt (zie 2.111);

  • permanente diensten, zoals verzekeringsdiensten, waarbij aan het eind van de

verslagperiode het percentage van de betaling dat voor het betrokken jaar, of

gedeelte daarvan, verschuldigd was, wordt geregistreerd. De geregistreerde bedragen

komen dan ook niet altijd overeen met het betaalde bedrag aan verzekeringspremies

in de betreffende periode.

  • c) 
    Investeringen in vaste activa (bruto)

2.025. Bruto-investeringen in vaste activa worden geregistreerd op het moment dat de eigendom

van de vaste activa wordt overgedragen aan een eenheid die de bedoeling heeft ze voor

productiedoeleinden te gebruiken. Er zijn twee uitzonderingen op deze regel. De ene

betreft door financiële lease verworven activa, die worden geregistreerd alsof de gebruiker

eigenaar werd op het moment dat hij het gebruik van de goederen kreeg (zie 2.122). De

2.026. Op soortgelijke wijze wordt bij de aanplant van boom- of wijngaarden (in eigen beheer

geproduceerde vaste activa), indien de werkzaamheden aan het eind van de verslagperiode

nog niet zijn afgerond, de waarde van de in het verslagjaar verbruikte materialen en

verleende diensten aan het eind van de periode geregistreerd als bruto-investeringen in

vaste activa.

2.027. Aan- en verkopen van grond en bijkomende kosten worden geregistreerd op het moment

van de eigendomsoverdracht. Omdat grond tot de niet-geproduceerde activa behoort,

maakt het saldo van de aan- en verkopen ervan geen deel uit van de bruto-investeringen in

vaste activa, maar wordt dit geregistreerd in de kapitaalvormingsrekening van de kapitaal-

rekening. Dit geldt ook voor andere niet-geproduceerde materiële activa.

  • d) 
    Veranderingen in voorraden

2.028. De veranderingen in voorraden komen overeen met het verschil tussen de toevoegingen en

de onttrekkingen aan de voorraden in de loop van de verslagperiode.

2.029. De toevoegingen aan de voorraden bestaan uit de goederen die later in het productieproces

zullen worden verbruikt (voorraden bij de gebruiker), waarbij het moment van registratie

dat van de eigendomsoverdracht is, en uit door de bedrijfstak zelf vervaardigde producten

die voor later gebruik bestemd zijn, bijvoorbeeld voor de verkoop of om ze over te

brengen naar de eigen vaste activa (voorraden bij de producenten). In dat geval worden ze

op het moment dat het product voltooid is, geregistreerd als voorraden.

2.030. Wanneer producten die de bedrijfstak zelf voortbrengt, nog niet gereed zijn (d.w.z.

wanneer zij als onderhanden werk zijn geregistreerd), wordt de waarde van de tijdens de

verslagperiode verbruikte materialen en verleende diensten aan het eind van die periode

ook als waarde van de voorraden geregistreerd (met uitzondering van gewassen te velde

met een korte vegetatiecyclus, zie 2.012; dit heeft tot gevolg dat een gedeelte van de

tijdens de verslagperiode verbruikte materialen en verleende diensten is verbruikt zonder

dat daar een waardevermeerdering van de voorraden tegenover staat).

2.031. Bij de onttrekkingen aan de voorraden gaat het om goederenstromen die in het productie-

proces worden gebruikt (voorraden bij de gebruikers) of worden verkocht of voor ander

gebruik worden bestemd (voorraden bij de producenten). In het eerste geval worden de

onttrekkingen van de voorraden van de bedrijfstak afgetrokken op het moment dat ze

daadwerkelijk in het productieproces worden verbruikt en in het tweede geval op het

moment van verkoop of van het andere gebruik.

B. PRODUCTIE EN OUTPUT

(zie ESR 1995, 3.07-3.58)

  • 1. 
    Algemene opmerkingen over de begrippen productie en output in het ESR 1995 en de LR

2.032. In het ESR 1995 duidt de term "productie" op het productieproces en de term "output" op

de goederen en diensten die hiermee worden voortgebracht; het is van belang duidelijk dit

2.033. Volgens het ESR 1995 omvat output voorts: (a) goederen en diensten die door de ene

lokale EEA worden geleverd aan een andere lokale EEA die tot dezelfde institutionele

eenheid behoort, (b) goederen die door een lokale EEA worden geproduceerd en aan het

eind van de periode waarin zij zijn geproduceerd, in voorraad blijven, ongeacht het latere

gebruik. Goederen en diensten die in een zelfde verslagperiode en binnen een zelfde lokale

EEA worden geproduceerd en verbruikt, worden evenwel niet afzonderlijk waargenomen.

Ze worden dan ook niet geregistreerd als deel van de output of het intermediair verbruik

van die lokale EEA.

2.034. Het in de LR gebruikte begrip "output", dat verwant is met het begrip "totale output", is

gebaseerd op een aanpassing van het ESR 1995, waarbij bepaalde landbouwgoederen en

-diensten die in dezelfde verslagperiode en binnen dezelfde landbouweenheid worden

geproduceerd en verbruikt, als output van de landbouw worden geregistreerd. De selectie-

criteria voor deze goederen en diensten, die bij de output van de bedrijfstak landbouw

moeten worden meegerekend, zijn beschreven onder 2.055. Het verschil tussen de

methode van het ESR 1995 en die van de LR betreft deze elementen van het verbruik

binnen de eenheid, waarvan de waarde zowel bij de output als bij het intermediair verbruik

wordt opgenomen. De toegevoegde waarde blijft aldus gelijk, ongeacht de gebruikte

methode.

2.035. Zoals onder 1.34 al is gezegd, berust deze wijziging van de regel van het ESR 1995 op het

specifieke karakter van de landbouw en het landbouwbedrijf (als lokale EEA). Bovendien

· de vergelijking van de technische coëfficiënten en het aandeel van de toegevoegde

waarde tussen deelbedrijfstakken en landen te verbeteren. De output die binnen

dezelfde eenheid wordt verbruikt, is namelijk beperkt tot enkele specifieke producten

(zoals granen, oliehoudende en eiwitrijke gewassen, voedergewassen en voor vee-

voeder bestemde melk) en de verbruiksquote binnen de eenheid varieert sterk per

bedrijfstak en land;

· de samenhang tussen de productierekening, de inkomensvormingsrekening en de

rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening te versterken. Door de hervorming van

het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 1992 is het nog noodzakelijker geworden te

zorgen voor een grotere samenhang tussen de transacties in producten (output, inter-

mediair verbruik enz.) en de verdelingstransacties (beloning van werknemers, subsi-

dies, belastingen, huur, rente enz.), aangezien de subsidies (die soms ook producten

betreffen die binnen de bedrijfstak worden verbruikt) thans een belangrijke rol spelen

bij de vorming en ontwikkeling van het landbouwinkomen.

2.036. Deze LR-regel wordt weliswaar niet door het ESR 1995 voorgeschreven, maar, wegens

het specifieke karakter van de landbouw, wel door het SNA 1993 (bijlage I, 15), en door

het handboek van de FAO 1. Hierdoor wordt het verschil tussen outputmetingen als gevolg

van de keuze van de basiseenheid (lokale EEA of homogene productie-eenheid) aanzien-

  • 2. 
    Output van de landbouw: hoeveelheden

2.037. Bij de opstelling van de landbouwrekeningen wordt een stapsgewijze, kwantitatieve

uitsplitsing van de output gemaakt.

Schematisch overzicht van de middelen en bestedingen aan landbouwproducten

Output (bruto) (1q)

Begin-

Verlie-Bruikbare output (3q)

voorraad

zen (2q)

(B) (4q)

Totale beschikbare middelen (5q)

Verbruik Verwerking Eigen Totale S(*) Eindvoorraad (E)

binnen de door de verbruik (8q) verkoop (10q) (11q)

eenheid (6q) producent (q)

(7q)

E-B

(**)

(12q)

(*) S = Productie van vaste activa in eigen beheer

(**) E - B = Veranderingen in voorraden. In bovenstaand schema is ervan uitgegaan dat de

eindvoorraad groter is dan de beginvoorraad.

2.038. Uitgangspunt van deze stapsgewijze berekening is:

  • de bruto-output (1q), dan wel
  • de bruikbare output (3q)

afhankelijk van het feit of bij de oogstcijfers al dan niet rekening wordt gehouden met

verliezen op het veld, bij de oogst en op het bedrijf.

  • a) 
    Output (bruto)

Output (bruto): (1q)

2.039. Deze kolom moet alleen worden ingevuld door landen waar de officiële oogststatistiek

ook verliezen omvat. Omdat wordt uitgegaan van het begrip bedrijfstak, moeten alle

producten van de landbouwactiviteiten van de landbouweenheden die tot de bedrijfstak

behoren (overeenkomstig 1.62 en 1.63) worden gemeten. Ingevolge de afspraak genoemd

onder 1.31 (de output van nevenactiviteiten op landbouwgebied van niet-landbouween-

heden is nul omdat alle landbouwactiviteiten worden geacht scheidbaar te zijn en daarom

de hoofdactiviteit van hun eigen lokale landbouw-EEA vormen) moet de gehele land-

bouwoutput worden geregistreerd behalve wanneer deze wordt geproduceerd door een-

heden waarvoor de landbouwactiviteit uitsluitend een vrijetijdsbesteding is (zie 1.24).

  • b) 
    Verliezen

Verliezen: (2q)

2.040. Bij deze post gaat het om periodieke voorraadverliezen (zie 2.041). Het betreft verliezen

op het veld en bij de oogst en andere verliezen op het landbouwbedrijf (bederfelijke waar,

vorst, droogte enz.). Verliezen tijdens de verschillende fasen van de handel, d.w.z. tijdens

het vervoer vanaf het bedrijf, bij de opslag door de handel en bij de be- en verwerking in

de industrie, blijven evenwel buiten beschouwing. Ook omvat deze rubriek producten die

door de producent ten verkoop worden aangeboden, maar niet worden verkocht en dan

bederven (vooral groenten en fruit).

Soorten verliezen

2.041. Het ESR 1995 kent drie soorten verliezen bij de producent: periodieke voorraadverliezen

(ESR 1995, 3.117 en 3.118), uitzonderlijke voorraadverliezen (ESR 1995, 6.25.e) en

verlies door rampen (ESR 1995, 6.22 en 6.23.b).

Registratie van de verschillende soorten verliezen

2.042. Bij de registratie van voorraadverliezen moet een onderscheid worden gemaakt tussen

periodieke verliezen enerzijds en uitzonderlijke verliezen en verlies door rampen ander-

zijds. Maar de registratie van verliezen hangt ook af van de wijze waarop de output wordt

berekend en van de aard van het statistische grondmateriaal van elk land.

2.043. Wanneer de output aan de hand van gegevens over de begin- en de eindvoorraad, de

verkopen en eventueel ander gebruik (bv. de productie van vaste activa in eigen beheer)

wordt berekend, worden periodieke verliezen al van de veranderingen in voorraden

afgetrokken, zodat registratie onder "verliezen" een dubbele boeking zou betekenen.

Indien de output daarentegen niet wordt berekend op basis van voorraadgegevens, maar op

grond van een betrouwbare waarneming, bijvoorbeeld van het aantal geboorten, moeten

periodieke productieverliezen tijdens de verslagperiode en verliezen van dieren die als

fok- of mestvee zijn ingevoerd dan wel tijdens een vorige verslagperiode zijn geboren, wel

worden geregistreerd.

2.044. Uitzonderlijke voorraadverliezen en verlies van voorraden door rampen moeten in de

accumulatierekeningen worden geregistreerd, en wel in de rekening voor overige

volumemutaties in activa. De output omvat daarom de volledige waarde van deze

verliezen.

2.045. Verliezen (of deze nu periodiek of uitzonderlijk zijn of veroorzaakt zijn door een ramp)

van vaste activa (zoals melkkoeien en fokdieren) moeten worden geregistreerd in de

rekening voor overige volumemutaties in activa. Ze hebben geen gevolgen voor de waarde

van de output. Verliezen van aanplantingen die al in productie zijn, moeten naargelang de

aard van het verlies hetzij als verbruik van vaste activa hetzij in de rekening voor overige

volumemutaties in activa worden geregistreerd.

2.046. Voor landen waar de officiële oogststatistiek geen verliezen omvat, is dit de eerste post.

Het gaat om de output die tijdens de verslagperiode beschikbaar is en die in de handel

wordt gebracht, als productiemiddel wordt gebruikt, door de producent wordt verwerkt,

door zijn huishouden wordt verbruikt, wordt opgeslagen, dan wel door de producent wordt

gebruikt als in eigen beheer geproduceerde vaste activa.

  • d) 
    Beginvoorraad

Beginvoorraad: (4q)

2.047. Dit betreft de voorraden gereed product of onderhanden werk die aan het begin van het

verslagjaar op de tot de bedrijfstak behorende bedrijven (d.w.z. bij de producenten) aan-

wezig zijn. Voorraden in de verschillende stadia van handel en interventievoorraden

moeten daarom niet hier worden geregistreerd (zie 2.201 e.v. voor de behandeling van

vee).

2.048. Tot de beginvoorraad voor "Pluimvee" behoren ook de eieren die zich bij het begin van de

periode in een broedmachine bevinden, want ze worden beschouwd als onderhanden werk

voor pluimvee (zie 2.018).

  • e) 
    Totale beschikbare middelen

Totale beschikbare middelen: (5q) = (3q) plus (4q) = bruikbare output plus beginvoorraad

  • f) 
    Verbruik binnen de eenheid

Verbruik binnen de eenheid: (6q)

2.049. Als verbruik binnen de eenheid worden geregistreerd producten die binnen de

landbouweenheid (lokale EEA) worden geproduceerd en door deze eenheid in dezelfde

verslagperiode als productiemiddel worden gebruikt.

2.050. Alle landbouwproducten (met uitzondering van vee, zie 2.067 en 2.208) die door een

landbouweenheid aan een andere productie-eenheid in de landbouw worden verkocht,

moeten behalve als verkopen ook als intermediair verbruik worden geregistreerd. Dit geldt

ook voor goederen die zijn behandeld en verwerkt en voor nevenproducten (bv. teruggave

van ontroomde melk, zemelen, oliekoeken, pulp en bladeren van suikerbieten, alsmede

zaaigoed dat na behandeling wordt teruggegeven).

Classificatie van het verbruik binnen de eenheid

2.051. Het verbruik binnen de eenheid kan worden ingedeeld naar het gebruik van de

desbetreffende producten:

2.052. Voor dezelfde landbouwactiviteit (d.w.z. dezelfde klasse, op vier-digitniveau van de

NACE Rev.1) verbruikte producten:

  • zaaigoed (van granen, groenten, bloemen enz.): opnieuw gebruikt voor dezelfde
  • wijndruiven en druivenmost: gebruikt voor de wijnproductie;
  • olijven: gebruikt voor de productie van olijfolie;
  • melk: gebruikt als veevoeder.

2.053. Producten die voor een andere landbouwactiviteit worden verbruikt (bv. een andere klasse

op vier-digitniveau van de NACE Rev.1):

Dit betreft vooral plantaardige producten die als veevoeder worden gebruikt, maar ook

dierlijke nevenproducten die in het productieproces van een andere activiteit worden

gebruikt (gier en mest die als meststoffen voor de plantaardige productie worden

gebruikt). Plantaardige producten die als veevoeder worden gebruikt, kunnen worden

ingedeeld naar de mate waarin zij gewoonlijk verhandelbaar zijn (wat in het algemeen

wordt geschat):

· veevoeder dat gewoonlijk wordt verhandeld: granen (tarwe, rogge, gerst, haver, maïs,

sorghum, rijst en andere granen, in korrels); eiwitrijke gewassen; aardappelen;

oliehoudende zaden (koolzaad, zonnebloempitten, sojabonen en andere oliehoudende

zaden);

· veevoeder dat gewoonlijk niet wordt verhandeld:

  • meerjarige voedergewassen: blijvende en tijdelijke voedergewassen die het

product zijn van een economische activiteit (vers, gedroogd en kuilvoer);

  • als veevoeder gebruikte nevenproducten (stro, kaf, bladeren en uiteinden en

andere nevenproducten van voedergewassen).

Definitie van het verbruik binnen de eenheid dat bij de output van de bedrijfstak moet

worden meegerekend

2.054. De door de landbouweenheden zelf verbruikte landbouwproducten worden alleen dan bij

de berekening van de landbouwoutput van de bedrijfstak in aanmerking genomen als ze

aan bepaalde criteria voldoen. Deze restrictieve criteria voor de registratie van het

verbruik binnen de eenheid moeten aan twee eisen voldoen: een methodologische, daar

men weliswaar afwijkt van het ESR 1995, maar toch de "geest" ervan moet volgen (wat

wordt bereikt door uit te gaan van twee afzonderlijke activiteiten), en een praktische, want

aan de hand van de criteria moet het waarnemingsgebied voor de registratie van het

verbruik binnen de eenheid precies en vergelijkbaar worden afgebakend; deze methode

om de output te meten moet immers ook haalbaar zijn.

2.055. Deze criteria zijn:

  • 1. 
    De twee uitgeoefende activiteiten betreffen een verschillend vier-digitniveau van de
  • 2. 
    Het landbouwproduct heeft een significante economische waarde voor een significant

aantal landbouwers.

  • 3. 
    Prijs- en volumegegevens moeten zonder teveel moeilijkheden beschikbaar zijn. Voor

sommige niet-verhandelbare producten is het moeilijk dit criterium toe te passen.

2.056. Gezien de selectiecriteria voor het opnemen van binnen de eenheid verbruikte producten

bij de berekening van de output (zie 2.055) moeten alleen plantaardige producten die als

veevoeder worden gebruikt (ongeacht of het in de handel kan worden gebracht) bij de

landbouwoutput van de bedrijfstak worden geregistreerd.

2.057. Wanneer deze producten bij de output van de bedrijfstak worden geregistreerd, moeten ze

ook als intermediair verbruik worden geregistreerd, waarbij het beginsel in acht moet

worden genomen dat de totale hoeveelheden die worden geproduceerd en vervolgens nog

tijdens de verslagperiode voor een andere productieve activiteit worden gebruikt, in

aanmerking worden genomen (zie 2.055). Wanneer de overgang van output naar

intermediair verbruik niet meer in hetzelfde verslagjaar plaatsvindt, moeten de betreffende

outputhoeveelheden als "eindvoorraad" van het betreffende product voor het verslagjaar

worden geregistreerd.

2.058. Dierlijke nevenproducten blijven bij de berekening van het verbruik binnen de eenheid

buiten beschouwing wegens praktische moeilijkheden in verband met de beschikbaarheid

van gegevens over de hoeveelheden en vooral over de prijzen.

2.059. In deze rubriek worden alle hoeveelheden geregistreerd die worden geproduceerd voor

verdere verwerking door de landbouwproducent (bv. melk verwerkt tot boter en kaas,

appelen verwerkt tot appelmost en cider), maar alleen voor zover dit gebeurt bij

verwerkingsactiviteiten die scheidbaar zijn van de hoofdactiviteit landbouw (op basis van

boekhoudkundige informatie (zie 1.26)). Alleen de onbewerkte producten (b.v. rauwe

melk, appelen) moeten worden geregistreerd en niet de hiermee vervaardigde producten

(b.v. boter, appelmost en cider). Arbeid die bij de verwerking van de landbouwproducten

wordt verricht, wordt hier dus niet in aanmerking genomen. De producten die het resultaat

zijn van de verwerking door de producent, worden natuurlijk wel opgenomen bij de output

van de "subsector" landbouw van de nationale rekeningen (zie 1.04 en 1.05).

2.060. Indien het bij de verwerking om een niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende

activiteit gaat, wordt het product ervan tot de waarde van de output van de bedrijfstak

landbouw gerekend (zie 1.25). Landbouwproducten die als intermediair verbruik bij deze

verwerking worden gebruikt, worden noch bij de output noch bij het intermediair verbruik

geregistreerd. Deze afspraak is gemaakt omdat de twee activiteiten (productie van

landbouwproducten en verwerking van deze producten) niet op basis van

boekhoudkundige informatie kunnen worden gesplitst. De kosten van beide activiteiten

worden dan ook gezamenlijk geboekt en de output ervan wordt gewaardeerd als output

van verwerkte producten.

  • h) 
    Eigen verbruik

2.061. Deze post omvat:

  • i) 
    door landbouwhuishoudens verbruikte producten die ze zelf hebben geproduceerd;
  • ii) 
    door de landbouweenheid (het bedrijf) voortgebrachte producten die als betaling in

natura voor de beloning van werknemers op het bedrijf of als ruilobject worden

gebruikt.

2.062. Landbouwproducten die door de landbouweenheid op scheidbare wijze zijn verwerkt

(waardoor er een niet tot de landbouw behorende lokale EEA ontstaat) en vervolgens door

het landbouwhuishouden worden verbruikt, worden bij de output van de bedrijfstakken

van subsectie DA van de NACE Rev.1 (Vervaardiging van voedings- en genotmiddelen)

geregistreerd als eigen verbruik. Verbruik door landbouwhuishoudens van landbouw-

producten die op niet-scheidbare wijze zijn verwerkt (d.w.z. de output van niet-scheidbare

niet tot de landbouw behorende verwerkingsactiviteiten), wordt als eigen verbruik van

deze activiteiten geregistreerd (zie 2.080) en opgenomen bij de output van de bedrijfstak

landbouw.

2.063. De toegerekende huurwaarde van de woning van de eigenaar wordt niet hier, maar in de

bedrijfstak "Verhuur van eigen onroerend goed" (klasse 70.20 van de NACE Rev.1)

geregistreerd. De verhuur van woningen is een niet tot de landbouw behorende activiteit

die altijd als scheidbaar van de landbouwactiviteit wordt beschouwd.

2.064. Deze post omvat de verkoop van landbouwproducten door landbouweenheden aan andere

eenheden (al dan niet in de landbouw), inclusief die aan opslag- en interventiecentra, met

uitzondering van de verkoop van vaste activa. De post is ingedeeld in binnenlandse

verkopen buiten de bedrijfstak, binnenlandse verkopen aan andere landbouweenheden en

verkopen aan het buitenland.

2.065. Als gevolg daarvan komen de verkopen van een gegeven eenheid overeen met de omzet

uit het in de handel brengen van haar output. Verkopen van als vaste activa ingedeeld vee

uit de investeringsveestapel (slacht of uitvoer) worden hier niet geregistreerd. Deze dieren

worden vóór de verkoop overgebracht naar de voorraden, waarna de verkoop van de

dieren (slacht of uitvoer) geboekt wordt als een onttrekking aan de voorraden, en wel

alleen in de kapitaalrekening. Met de desbetreffende output is al rekening gehouden bij de

registratie van de productie in eigen beheer van investeringsvee in de productierekening 1.

2.066. Voorraadvee: de overdracht van voorraadvee aan een ander landbouwbedrijf is een

verkoop in de zin van 2.064. Deze verkoop kan worden tegengeboekt door een onttrekking

aan de voorraden indien de dieren bij het begin van de verslagperiode als voorraden waren

geregistreerd (anders wordt alleen de verkoop geregistreerd).

2.067. Bij de aankoop van dieren gaat het om een toevoeging aan de voorraden indien ze niet al

tijdens het verslagjaar worden doorverkocht. De gekochte dieren mogen echter niet als

intermediair verbruik worden behandeld omdat goederen voor intermediair verbruik per

definitie bestemd zijn om in de loop van het productieproces te verdwijnen (of tenminste

een significante verandering te ondergaan). Deze dieren worden beschouwd als onder-

handen werk aangezien het productieproces van de dieren strikt genomen nog niet is

voltooid (dat loopt pas af bij de slacht). De aankoop moet dus worden geboekt als

toevoeging aan de voorraad onderhanden werk (producten) en moet dus niet als

intermediair verbruik, maar als "negatieve" verkoop worden behandeld. Als het om handel

tussen ingezeten bedrijven gaat, heffen de verkopen en de overeenkomstige aankopen

elkaar op (afgezien van de overdrachtskosten) 1. Wegens deze speciale behandeling van de

handel in levende dieren tussen landbouweenheden bestaat er geen intermediair verbruik

voor "Dieren en dierlijke producten" 2.

2.068. Investeringsvee: de handel in investeringsvee tussen landbouweenheden wordt niet als

verkoop in bovengenoemde zin geregistreerd, maar als handel in activa (die in de

kapitaalrekening wordt geboekt als bruto-investeringen in vaste activa van de landbouw).

Indien het gaat om handel tussen ingezeten bedrijven, heffen de verkopen en de

overeenkomstige aankopen elkaar op (op de kosten van eigendomsoverdracht na).

2.069. Registratie van de invoer van levende dieren (die niet onmiddellijk voor de slacht zijn

bestemd): evenals het geval is voor de handel tussen ingezeten bedrijven, wordt de invoer

2.070. Aangezien het in de praktijk vaak moeilijk is om op basis van de beschikbare bronnen

voor EU-gegevens een eenduidig onderscheid te maken tussen investerings- en

voorraadvee, gaat men ervan uit dat alle invoer betrekking heeft op voorraadvee en wordt

de waarde van alle ingevoerde dieren (met uitzondering van die welke direct zullen

worden geslacht) afgetrokken van de waarde van de verkopen. De buitenlandse handel in

levende dieren wordt hier dus op soortgelijke wijze behandeld als bij de berekening van de

bruto binnenlandse productie in de statistiek van de dierlijke productie.

  • j) 
    Productie van vaste activa in eigen beheer

Productie van vaste activa in eigen beheer: (10q)

2.071. Deze post omvat uitsluitend:

  • door landbouweenheden verrichte werkzaamheden (bv. input van arbeid, machines

en andere productiemiddelen, inclusief plantgoed) voor de aanleg in eigen beheer

van boomgaarden, wijngaarden, kleinfruitaanplantingen en hopvelden. In het

algemeen bestaan de werkzaamheden aan boomgaarden, wijngaarden enz. die in

eigen beheer worden verricht, uit een groot aantal afzonderlijke werkzaamheden, die

kwantitatief niet kunnen worden samengevoegd;

  • binnen de landbouweenheden geproduceerd vee dat naar hun vaste activa wordt

overgebracht (zie 2.161). Het gaat om vee dat wordt gefokt om regelmatig output te

leveren (voornamelijk fokvee, melkvee, trekdieren en schapen en andere dieren die

voor de wol worden gehouden; zie 2.202).

  • k) 
    Eindvoorraad

Eindvoorraad: (11q)

2.072. Dit betreft de voorraden gereed product of onderhanden werk die aan het begin van het

verslagjaar op de tot de bedrijfstak behorende bedrijven (d.w.z. bij de producenten)

aanwezig zijn, dus niet de voorraden in de verschillende stadia van de afzet (vooral bij de

handel en de verwerking) en de interventievoorraden.

2.073. Producten die slechts tijdelijk worden opgeslagen om op een later tijdstip binnen de

bedrijfstak te worden verbruikt (bv. granen voor veevoer, zaai- en plantgoed), moeten hier

wel worden geregistreerd, omdat het uiteindelijke gebruik van het product op het moment

van de toevoeging aan de voorraden nog niet bekend is.

  • l) 
    Bestedingen, totaal

Bestedingen, totaal: (12q) (zonder verbruik binnen de eenheid) = (7q) + (8q) + (9q) +

2.074. Dit is de som van de kolommen 7q tot en met 11q.

  • m) 
    Veranderingen in voorraden

Veranderingen in voorraden: (136q) = (11q) minus (4q) = toevoegingen aan de voorraden

(T) minus onttrekkingen aan de voorraden (O)

2.075. De veranderingen in voorraden binnen de branche (zonder de voorraden in de

verschillende stadia van de afzet) gedurende het verslagjaar worden gemeten als het

verschil tussen de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorraden, dan wel het

verschil tussen de eind- en de beginvoorraad. In het tweede geval moeten bij de

berekening van de waarde van de veranderingen in voorraden de overige volumemutaties

en de nominale waarderingsverschillen worden afgetrokken (zie 2.179 e.v.).

  • n) 
    Output van de bedrijfstak landbouw

Output van de bedrijfstak landbouw = (6q, diervoeders) + 7q + 8q + 9q + 10q + 12q

2.076. Afhankelijk van het gekozen outputbegrip en de registratieregels voor het verbruik binnen

de eenheid, het eigen verbruik en de verwerking van landbouwproducten (zie 2.056, 2.059

en 2.061) kan de output van de landbouwactiviteiten als volgt worden beschreven:

Middelen Bestedingen Landbouw- output van de bedrijfstak landbouw

Output (bruto) Verkopen (totaal, met uitzondering van handel in dieren tussen landbouwbedrijven) X

Veranderingen in voorraden (bij de producent) X

  • Verliezen Productie van vaste activa in eigen beheer (aanplantingen die herhaaldelijk producten opleveren, productievee) X

Eigen verbruik (van landbouwproducten) X

  • Bruikbare output Verwerking door de producent (landbouwproducten, scheidbare activiteiten) X

Verbruik binnen de eenheid:

voor dezelfde activiteit

(zaaigoed, melk gebruikt als veevoeder, wijndruiven, olijven voor olijfolie, broedeieren)

voor een andere activiteit:

2.077. Anders dan bij het begrip "eindproductie", waarop de LR tot nu toe waren gebaseerd,

wordt bij het nieuwe begrip voor het meten van de landbouwoutput rekening gehouden met

de handel in landbouwgoederen en -diensten tussen landbouweenheden en met het

verbruik binnen de eenheid van al dan niet verhandelbare veevoeders.

  • 3. 
    Output van niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten

2.078. Er zijn twee soorten niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten

(zie 1.29):

· "verwerking van landbouwproducten": hieronder vallen activiteiten die in het verlengde

liggen van de landbouwactiviteit en waarbij landbouwproducten worden gebruikt. De

verwerking van landbouwproducten is karakteristiek voor deze eerste groep;

· "andere niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten": hieronder

vallen activiteiten waarvoor het landbouwbedrijf en zijn landbouwproductiemiddelen

worden gebruikt. Deze groep is heterogener dan de eerste.

2.079. In het algemeen omvatten deze activiteiten een scala van producten (goederen en diensten)

die kwantitatief niet optelbaar zijn.

2.080. De output van deze activiteiten is bestemd voor de verkoop, de ruilhandel, betaling in

natura, eigen verbruik (zie 2.062) of opslag.

  • 4. 
    Output van de bedrijfstak landbouw

2.081. Overeenkomstig de definitie van de output van de bedrijfstak landbouw (zie 1.16) bestaat

deze output uit de som van de output van landbouwproducten (zie 2.076-2.077) en de

goederen en diensten die in het kader van niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende

nevenactiviteiten zijn voortgebracht (zie 2.078-2.080).

  • 5. 
    Waardering van de output

2.082. De output moet worden gewaardeerd tegen basisprijzen. De basisprijs is de prijs die de

producent van de koper voor een eenheid van de geproduceerde goederen of diensten

ontvangt, verminderd met de voor het produceren of verkopen van die eenheid

verschuldigde belasting (d.w.z. productgebonden belastingen) en vermeerderd met de

daarvoor ontvangen subsidie (d.w.z. productgebonden subsidies). Door de producent

afzonderlijk in rekening gebrachte vervoerkosten zijn niet inbegrepen, maar door de

producent op dezelfde factuur opgevoerde vervoerkosten zijn wel inbegrepen, ook al staan

deze als afzonderlijke post op de factuur (ESR 1995, 3.48).

2.083. De elementen van de output zoals verkopen, betalingen in natura, toevoegingen aan de

voorraden en binnen de eenheid verbruikte producten, moeten tegen basisprijzen worden

gewaardeerd. Ook moet de output voor eigen finaal gebruik (productie van vaste activa in

eigen beheer en eigen verbruik) worden gewaardeerd tegen de basisprijs van soortgelijke,

op de markt verkochte producten. Onderhanden werk en toevoegingen daaraan worden

proportioneel gewaardeerd tegen de geraamde geldende basisprijs van het gereed product.

Indien deze prijs vooraf moet worden berekend, dient dit te gebeuren op grond van de

gemaakte werkelijke kosten vermeerderd met een toeslag voor het geraamde

exploitatieoverschot/gemengd inkomen.

2.084. Om de LR volgens het nettoregistratiesysteem op te stellen (zie 3.033 en 3.035-3.043)

wordt de door de producent in rekening gebrachte BTW bij de vaststelling van de

basisprijs buiten beschouwing gelaten.

2.085. De door de producent ontvangen prijs is de producentenprijs (exclusief in rekening

gebrachte BTW) zoals gedefinieerd in het SNA 1993 (d.w.z. de prijs af-boerderij). De

basisprijs kan worden berekend door van de producentenprijs de productgebonden

belastingen (met uitzondering van de BTW) af te trekken en er de productgebonden

subsidies bij op te tellen. Wanneer de basisprijs door problemen bij de toerekening van

productgebonden belastingen of subsidies aan een bepaald product moeilijk te berekenen

is, mag de output rechtstreeks tegen basisprijzen worden gewaardeerd. Dit gebeurt dan op

basis van de waarde van de output in producentenprijzen (exclusief in rekening gebrachte

BTW), minus de waarde van de productgebonden belastingen (met uitzondering van de

2.086. Om de output in basisprijzen te kunnen waarderen moet een onderscheid worden gemaakt

tussen productgebonden belastingen (met uitzondering van de BTW) en productgebonden

subsidies (zie 3.027 en 3.053) enerzijds en niet-productgebonden belastingen op productie

en niet-productgebonden subsidies (zie 3.044 en 3.058) anderzijds. Productgebonden

belastingen en productgebonden subsidies mogen namelijk niet in de inkomensvormings-

rekening van de bedrijfstak worden geregistreerd (deze omvat alleen niet-productgebonden

belastingen op productie en niet-productgebonden subsidies, zie 3.055).

2.087. De producenten ontvangen voor een bepaald goed niet altijd dezelfde prijs; deze kan onder

meer variëren naargelang het type levering. Goederen die rechtstreeks door de producent

worden uitgevoerd, kunnen een andere kwaliteitsstructuur hebben dan goederen die voor

nationaal verbruik of voor verkopen aan andere landbouweenheden in het binnenland

bestemd zijn en hebben dan ook een andere prijs. Wanneer een producerende eenheid zijn

output rechtstreeks uitvoert, moet in de LR rekening worden gehouden met de opbrengsten

of betalingen van monetaire compenserende bedragen in verband met deze uitvoer.

2.088. Ten gevolge van deze algemene waarderingsbeginselen zijn voor bepaalde producten,

zoals seizoengebonden producten en wijn, speciale toepassingen nodig. Zie hiervoor het

deel over de waardering van de veranderingen in voorraden (2.185-2.200).

C. INTERMEDIAIR VERBRUIK

(zie ESR 1995, 3.07 -3.73)

  • 1. 
    Definitie

2.089. Het intermediair verbruik bestaat uit de waarde van de goederen en diensten die als input

in het productieproces worden gebruikt, met uitzondering van de vaste activa, waarvan het

verbruik als verbruik van vaste activa wordt geregistreerd. De goederen en diensten

kunnen tijdens het productieproces worden verwerkt in andere producten of volledig

worden verbruikt (zie ESR 1995, 3.69). Uit een gedetailleerde indeling in soorten

intermediair verbruik blijkt de verwevenheid van de inputzijde van de landbouw met

andere sectoren van de economie. Ook wordt het intermediair verbruik gebruikt voor de

berekening van de factorintensiteit (d.w.z. de verhouding tussen twee productiefactoren,

bijvoorbeeld het intermediair verbruik en de input van arbeid).

2.090. Door deze definitie van het intermediair verbruik vallen hieronder geen gekochte, nieuwe

of bestaande, vaste activa die in de nationale economie zijn geproduceerd of zijn

ingevoerd: deze worden geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa (zie

2.109 (c)-(f)). Dit betreft behalve niet tot de landbouw behorende vaste activa, zoals bouw-

werken, machines en werktuigen, ook vaste activa die wel tot de landbouw behoren, zoals

aanplantingen en productievee. De aankoop van niet-geproduceerde activa, zoals grond,

maakt evenmin deel uit van het intermediair verbruik. Gereedschap en andere duurzame

2.091. Het intermediair verbruik omvat ook goederen en diensten die voor de hulpactiviteiten

worden verbruikt (bv. inkoop, verkoop, marketing, boekhouding, vervoer, opslag, onder-

houd). Het verbruik van deze goederen en diensten mag niet worden onderscheiden van dat

van de goederen en diensten die worden verbruikt voor de hoofd- (of neven-)activiteit van

een lokale EEA.

2.092. Ook maken alle uitgaven voor goederen en diensten die weliswaar de werknemers ten

goede komen, maar die toch vooral in het belang van de werkgever worden gedaan, deel

uit van het intermediair verbruik 1 (bv. vergoeding van reis-, verblijf-, verhuis- en

representatiekosten van werknemers in het kader van de uitoefening van hun werkzaam-

heden; uitgaven voor het treffen van voorzieningen op de werkplek).

2.093. Omdat binnen het bedrijfstakconcept de lokale EEA als basiseenheid voor de LR is

gekozen, omvat het intermediair verbruik van de bedrijfstak goederen en diensten die door

de ene lokale EEA aan een andere lokale EEA worden geleverd (om bij de productie te

worden gebruikt), ook al behoren deze eenheden tot dezelfde institutionele eenheid.

2.094. De handel tussen landbouweenheden in dieren wordt, als het gaat om dieren die als

voorraden onderhanden werk worden aangemerkt (zoals biggen en broedeieren, in de zin

van 1.77), evenmin als de invoer ervan, als intermediair verbruik geregistreerd (en ook niet

als output) (zie 2.066-2.070).

2.095. Goederen en diensten die binnen dezelfde landbouweenheid worden geproduceerd en

verbruikt (d.w.z. geproduceerd en tijdens hetzelfde verslagjaar voor productieve land-

bouwdoeleinden gebruikt) worden alleen als intermediair verbruik geregistreerd wanneer

ze ook als output van de bedrijfstak voorkomen (d.w.z. landbouwgewassen die als

veevoeder worden gebruikt, zie 2.049-2.057, 2.060).

2.096. Volgens de voorlopige afspraak in het ESR 1995 worden alle indirect gemeten diensten

van financiële intermediairs (IGDFI) die door ingezeten producenten worden geleverd,

uitsluitend geregistreerd bij het intermediair verbruik van de totale economie. Indien men

in het ESR 1995 besluit de bestedingen aan IGDFI te verdelen over de sectoren of

bedrijfstakken die er gebruik van maken, moeten de door de bedrijfstak landbouw

gebruikte IGDFI als intermediair verbruik van de bedrijfstak landbouw worden

geregistreerd (zie ESR 1995, bijlage I).

  • 2. 
    Elementen van het intermediair verbruik
  • a) 
    Zaai- en plantgoed

2.097. Deze post omvat het totale verbruik van binnenlands en ingevoerd zaai- en plantgoed dat is

aangekocht voor de lopende productie en voor de instandhouding van bestaande

wijngaarden en kerstboomaanplantingen. De post omvat vooral zaai- en plantgoed dat

direct bij andere bedrijven is gekocht. Zaaigoed dat in hetzelfde landbouwjaar wordt

verbruikt door de eenheid die het heeft voortgebracht, wordt daarentegen niet bij deze post

2.098. Bij het intermediair verbruik van zaaigoed voor akkerbouwgewassen en groenten gaat het

in hoofdzaak om (a) zaaigoed van de eerste generatie dat door de producenten voor

vermenigvuldiging wordt gekocht en (b) gecertificeerd zaaigoed dat door landbouwers

wordt gekocht voor de plantaardige productie.

  • b) 
    Energie; smeermiddelen

2.099. Deze post omvat elektriciteit, gas en alle andere vaste en vloeibare brandstoffen voor

verwarming en motorbrandstoffen. Alleen het verbruik van energie op het landbouwbedrijf

moet worden geregistreerd, niet het verbruik door het huishouden van de landbouwer.

  • c) 
    Meststoffen en grondverbeterende middelen

2.100. Tot de grondverbeterende middelen behoren onder meer kalk, turf, slib, zand en

synthetisch schuim.

  • d) 
    Fytosanitaire producten en pesticiden

2.101. Hiertoe behoren onkruidbestrijdingsmiddelen, schimmelwerende middelen,

verdelgingsmiddelen en dergelijke organische en anorganische stoffen (bv. giftig aas).

  • e) 
    Uitgaven voor veeartsen

2.102. Hier worden behalve de honoraria van veeartsen ook de niet samen met dit honorarium in

rekening gebrachte medicijnen geregistreerd (wanneer de medicijnen direct door de veearts

worden toegediend, worden ze samen met zijn honorarium geregistreerd).

  • f) 
    Veevoeder

2.103. Deze rubriek omvat alle aankopen van binnenlands en ingevoerd veevoeder - ook indien

niet bewerkt -, met inbegrip van veevoeder dat rechtstreeks van andere bedrijven wordt

betrokken. Landbouwgewassen die als veevoeder worden gebruikt en die tijdens dezelfde

verslagperiode worden gebruikt door hetzelfde landbouwbedrijf dat ze heeft geproduceerd,

worden hier ook geregistreerd, en wel als verbruik binnen de eenheid in een subrubriek van

de post "Veevoeder" (zie 2.057). Ze worden ook als output geregistreerd.

2.104. De kosten voor de bereiding en conservering van veevoeder (b.v. energiekosten en kosten

van chemische conserveringsmiddelen) moeten worden ingedeeld naar de aard van de

kosten en mogen niet samen met het voeder worden geboekt.

  • g) 
    Onderhoud van materiaal

2.105. Deze rubriek omvat:

  • aankopen van goederen en diensten voor onderhoud (d.w.z. regelmatige vervanging

van beschadigde of gebroken onderdelen) en voor reparaties die nodig zijn om de

vaste activa in goede staat te houden (zie 2.127-2.129);

  • aankopen van gewasbeschermingsproducten (met uitzondering van fytosanitaire

producten en pesticiden - zie 2.101), zoals detonatoren, anti-hageldekken en anti-

vorstrook.

  • h) 
    Onderhoud van gebouwen

2.106. Deze post omvat de aankoop van materiaal (cement, stenen enz.), de loonkosten resp. de

totale kosten van landbouwers voor het onderhoud van de bedrijfsgebouwen of van andere

bouwwerken (met uitzondering van woningen) (zie 2.127-2.129).

  • i) 
    Landbouwdiensten

2.107. Deze landbouwdiensten (die neerkomen op de huur van machines en werktuigen met

bedienend personeel) maken een integraal deel uit van de landbouw (zie 1.82-1.91) en

worden als intermediair verbruik geregistreerd. Ze worden ook bij de output geregistreerd.

  • j) 
    Andere goederen en diensten

2.108. Deze rubriek omvat:

  • a) 
    de huur die hetzij rechtstreeks hetzij als element van een pachtovereenkomst wordt

betaald voor het gebruik van bedrijfsgebouwen en andere (materiële en immateriële)

vaste activa, zoals de huur van machines en werktuigen zonder bedienend personeel (zie

1.23) en van software. Indien het niet mogelijk is de huur van bedrijfsgebouwen door

een lokale landbouw-EEA te scheiden van de pacht voor de grond, moet het geheel als

pacht voor de grond worden geboekt in de rekening voor inkomen uit

bedrijfsuitoefening (zie 3.082);

  • b) 
    honoraria voor medisch onderzoek van de werknemers;
  • c) 
    honoraria voor landbouwadviseurs, landmeters, accountants, belastingadviseurs,

advocaten enz.;

  • d) 
    aankopen van diensten van wetenschappelijk onderzoek, marktonderzoek en reclame,

uitgaven voor de opleiding van het personeel en dergelijke diensten;

  • e) 
    uitgaven voor vervoerdiensten: hiertoe behoren vergoedingen van reis-, verblijf- en

verhuiskosten van werknemers in het kader van de uitoefening van hun werkzaam-

heden, vooral in het belang van de werkgever; de bedragen die de werkgever aan

zelfstandige ondernemingen betaalt voor het vervoer van de werknemers (met

uitzondering van het woon-werkverkeer) (zie 2.093, 2.109 (b) en 3.016); het vervoer

van goederen voor beurzen en tentoonstellingen. Indien eigen personeel het vervoer

verricht met een vervoermiddel van de werkgever, worden de kosten onder de

desbetreffende posten geboekt.

Omdat aankopen tegen aankoopprijzen moeten worden gewaardeerd en verkopen tegen

basisprijzen (zie 2.110, 2.111 en 2.082), behoeven de kosten van goederenvervoer in het

algemeen niet afzonderlijk te worden vermeld. Vervoerkosten in verband met verkopen

worden geacht afzonderlijk in rekening te zijn gebracht. Wanneer de producent het

vervoer van goederen naar de koper door een derde laat verrichten, worden de vervoer-

kosten noch als intermediair verbruik noch als output in de LR opgenomen. Wanneer de

landbouwer de goederen zelf vervoert, gaat het om een niet tot de landbouw behorende

nevenactiviteit, waarvan de kosten onder de desbetreffende posten moeten worden

geboekt indien de activiteit niet-scheidbaar is. Deze post omvat ten slotte ook uitgaven

in verband met niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten op het gebied van

vervoer, handel en opslag voor derden;

  • f) 
    porto- en telecommunicatiekosten;
  • g) 
    de beloning voor de dienst die is begrepen in de brutopremies voor verzekeringen ter

dekking van bedrijfsrisico's als veesterfte, schade aan gewassen door hagel, vorst,

brand, storm enz. De rest, d.w.z. de nettopremie, is het gedeelte van de betaalde

brutopremie die voor het regelen van de schadegevallen door de verzekeringsmaat-

schappijen beschikbaar is.

Een nauwkeurige opsplitsing van de brutopremies in deze twee componenten is alleen

voor de nationale economie als geheel mogelijk, zoals in het centrale kader van de

nationale rekeningen. De toerekening van de dienstencomponent aan de bedrijfstakken

vindt doorgaans, met behulp van verdeelsleutels, plaats bij de opstelling van

input/outputtabellen. Invulling van deze post in de LR dient derhalve in

overeenstemming met de nationale rekeningen plaats te vinden (zie voor de registratie

van subsidies in verband met verzekeringsdiensten 3.063, voetnoot 48);

  • h) 
    dekgeld;
  • i) 
    in rekening gebrachte bankkosten (met uitzondering van rente over bankleningen) altijd,

en indirect gemeten diensten van financiële intermediairs alleen wanneer deze worden

verdeeld over de gebruikende sectoren of bedrijfstakken (zie 2.37; 3.079);

  • j) 
    contributies en inschrijfgelden voor beroepsorganisaties zonder winstoogmerk, zoals

landbouwschappen, kamers van koophandel, landbouwbonden;

  • k) 
    contributies voor landbouwcoöperaties;
  • l) 
    uitgaven voor melkinspectie, tentoonstellingen en inschrijving in het stamboek;
  • m) 
    uitgaven voor kunstmatige inseminatie en castratie;
  • n) 
    betalingen voor het gebruik van niet-geproduceerde immateriële activa, zoals octrooien,

merken, auteursrechten, melkquota of andere productierechten enz. De aankoop van

dergelijke niet-geproduceerde immateriële activa wordt daarentegen in de kapitaal-

rekening geregistreerd;

  • o) 
    betalingen aan de overheid voor vergunningen om handels- of beroepsactiviteiten uit te

oefenen indien de vergunning wordt gebruikt om via een nauwkeurige controle regelend

op te treden (tenzij het bedrag buitensporig hoog is in vergelijking met de kosten van de

verleende diensten) (zie 3.048 (e) en ESR 1995, 4.80 (d));

  • p) 
    aankopen van klein gereedschap, werkkleding, reserveonderdelen en duurzaam

materiaal van geringe waarde (minder dan 500 euro in prijzen van 1995) of met een

normale levensduur van minder dan een jaar (zie 2.125);

  • q) 
    aankopen van gereedschap, materiaal en werkkleding door werknemers indien deze

speciaal hiervoor een toelage ontvangen of indien de kosten krachtens een overeen-

komst op de lonen van de werknemers worden ingehouden.

  • k) 
    Posten die niet onder het intermediair verbruik vallen

2.109. Onder het intermediair verbruik valt niet:

Onderscheid tussen intermediair verbruik en beloning van werknemers:

  • a) 
    goederen en marktdiensten die productie-eenheden gratis of tegen verlaagde prijzen

verstrekken aan hun werknemers, voor zover zulks klaarblijkelijk en hoofdzakelijk voor

de werknemers geschiedt. De waarde van deze goederen en diensten maakt deel uit van

de beloning van werknemers (zie 3.018);

  • b) 
    door de werkgever contant aan zijn werknemers betaalde reiskostentoelagen; deze

worden als element van de beloning beschouwd (de werknemer koopt vervolgens zelf

de vervoersprestaties voor zijn woon-werkverkeer) (zie 3.018 (c)). Rechtstreekse

betalingen van de werkgever aan een transportonderneming voor het collectieve vervoer

van werknemers (woon-werkverkeer) maken ook deel uit van de beloning van

werknemers. Deze diensten, waartoe behalve het woon-werkverkeer ook parkeer-

faciliteiten behoren, hebben bepaalde kenmerken van intermediair verbruik. Toch gaat

men ervan uit dat werkgevers behoefte aan dergelijke diensten hebben om werknemers

aan te trekken en te behouden (diensten die zij in ieder geval zelf zouden moeten

betalen) en niet voor de productie zelf (zie SNA 1993, 7.41);

  • c) 
    aankopen van bedrijfsgebouwen en materiële roerende goederen (d.w.z. kapitaal-

goederen met een normale gebruiksduur van meer dan een jaar); deze worden als bruto-

investeringen in vaste activa beschouwd (zie 2.162);

  • d) 
    bij betalingen in het kader van de financiële lease van vaste activa voor de landbouw

gaat het niet om aankopen van diensten, maar om transacties die deels als rente (in de

rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening) en deels als terugbetaling van de

hoofdsom (in de financiële rekening) moeten worden geregistreerd (zie 2.122);

  • e) 
    uitgaven voor groot onderhoud (zie voor onderhoud 2.105 en 2.106) van vaste activa

(bv. vernieuwing van daken en dakgoten en van elektrische en verwarmingsinstallaties

in bedrijfsgebouwen) en uitgaven voor de verbetering en reparatie van kapitaalgoederen

met de bedoeling de normale gebruiksduur te verlengen of de productiviteit te verhogen;

deze uitgaven worden als bruto-investeringen in vaste activa beschouwd omdat ze veel

verder gaan dan nodig is om de vaste activa in goede staat te houden (zie 2.127-2.129);

  • f) 
    betalingen voor diensten in verband met de aankoop van grond, gebouwen en andere

bestaande vaste activa, zoals honoraria voor makelaars, notarissen, landmeters enz. en

voor inschrijving in het kadaster (zie ESR 1995, 3.111). Deze uitgaven worden als

bruto-investeringen in vaste activa beschouwd (zie 2.132 en 2.133);

  • g) 
    goederen en diensten die tijdens een zelfde verslagjaar worden verbruikt door de

eenheid die ze heeft voortgebracht (met uitzondering van bepaalde producten, zie 2.056,

2.103, 2.107). Deze goederen en diensten worden ook niet als output geregistreerd;

  • h) 
    pachten voor grondgebruik, die worden geboekt onder "Inkomen uit grond en minerale

reserves" (zie 3.080);

  • i) 
    kosten voor het gebruik van een woning; dit betreft consumptieve bestedingen

(rekeningen van de huishoudens), die niet in de LR voorkomen;

  • j) 
    slijtage van vaste activa, die als verbruik van vaste activa wordt opgenomen (zie 3.099);
  • k) 
    netto-verzekeringspremies (zie 2.108 (g));
  • l) 
    premies voor de verzekering van persoonlijk letsel of voor ziekte- en ongevallen-

verzekeringen. Deze worden hetzij als verdelingstransacties, hetzij als consumptie

(rekeningen van de huishoudens) beschouwd;

  • m) 
    waterbelastingen indien deze niet aan de omvang van het verbruik zijn gekoppeld;
  • n) 
    onder bepaalde voorwaarden, de aankoop van overheidsdiensten (zie 3.048 e)).
  • 3. 
    Waardering van het intermediair verbruik

2.110. Intermediair verbruik moet worden gewaardeerd tegen de aankoopprijzen die op het

moment dat de producten in het productieproces worden gebruikt, voor soortgelijke

goederen of diensten gelden.

2.111. De aankoopprijs is de prijs die de koper op het moment van aankoop werkelijk voor de

producten betaalt, inclusief het saldo van productgebonden belastingen en subsidies (maar

exclusief aftrekbare belastingen als de BTW), inclusief eventuele vervoerkosten die door

de koper apart worden betaald voor levering op een bepaalde plaats en tijd, na aftrek van

eventuele kortingen op de normale prijzen of kosten bij aankopen in het groot of buiten een

piekperiode, exclusief rente of vergoedingen voor verleende diensten in verband met een

kredietregeling en exclusief eventuele extra kosten in verband met wanbetaling (ESR 1995,

3.06).

2.112. Anders dan in andere bedrijfstakken zijn de subsidies in verband met intermediair verbruik

in de landbouw wel van belang. Ze hebben ten doel de kosten van het intermediair verbruik

te verlagen. Wanneer deze subsidies als productgebonden subsidies (voor niet-

landbouwproducten) worden ingedeeld, wordt de waarde van het intermediair verbruik

tegen aankoopprijzen verminderd (of ze nu aan de leveranciers van de producten voor

intermediair verbruik of aan de landbouwproducenten worden verstrekt).

2.113. Indien de goederen of diensten rechtstreeks door de productie-eenheden worden ingevoerd,

moet de te gebruiken aankoopprijs alle belastingen in verband met de invoer, de niet-

aftrekbare BTW en de monetaire compenserende bedragen (inkomsten of betalingen)

omvatten.

2.114. De waarde van het intermediair verbruik wordt vastgesteld zonder aftrekbare BTW. Deze

wordt voor alle aankopen van de landbouweenheden berekend, ongeacht of op hen de

normale of de forfaitaire BTW-regeling van toepassing is. Het verschil tussen de aftrekbare

BTW die landbouweenheden voor wie de forfaitaire regeling geldt, zouden kunnen

aftrekken indien op hen de normale BTW-regeling van toepassing was en de forfaitaire

compensatie is de over- of ondercompensatie van BTW, die bij de niet-productgebonden

subsidies respectievelijk bij de niet-productgebonden belastingen op productie wordt

geregistreerd (zie 3.041 en 3.042).

D. INVESTERINGEN (BRUTO)

(zie ESR 1995, 3.100-3.116)

2.115. De bruto-investeringen omvatten:

  • investeringen in vaste activa (bruto);
  • veranderingen in voorraden;
  • saldo aan- en verkopen van kostbaarheden.

2.116. Aangezien het er bij de LR om gaat de door eenheden in het kader van hun productieve

activiteiten gegenereerde stromen te beschrijven, worden hieronder alleen de bruto-

investeringen in vaste activa en de veranderingen in voorraden beschreven.

2.117. De bruto-investeringen omvatten het verbruik van vaste activa. De netto-investeringen

worden verkregen door het verbruik van vaste activa van de bruto-investeringen af te

trekken. Het verbruik van vaste activa betreft de waardevermindering van de vaste activa

als gevolg van normale slijtage door hun gebruik in het productieproces (zie 3.099).

  • 1. 
    Investeringen in vaste activa (bruto)
  • a) 
    Definitie

2.118. De bruto-investeringen in vaste activa (BIVA) bestaan uit het saldo van de gedurende een

bepaalde periode door ingezeten producenten verrichte aan- en verkopen van vaste activa.

Tevens omvatten zij bepaalde toevoegingen aan de waarde van niet-geproduceerde activa

die zijn gerealiseerd door de productieve activiteit van producerende of institutionele

eenheden. Vaste activa zijn de als output van productieprocessen voortgebrachte materiële

of immateriële activa die zelf langer dan een jaar herhaaldelijk of voortdurend in andere

productieprocessen worden gebruikt (ESR 1995, 3.102).

  • b) 
    Beschouwing voor de gehele nationale economie

2.119. Voor de nationale economie als geheel wordt onder bruto-investeringen in vaste activa

verstaan het aandeel van het tijdens het verslagjaar geproduceerde bruto binnenlands

product dat langer dan een jaar als productiemiddel in het productieproces zal worden

gebruikt. Hiermee onderscheidt het zich van consumptie van particuliere huishoudens of

van de overheid, van uitvoer en van veranderingen in voorraden. Goederen die weliswaar

op een gegeven moment in het verleden zijn geproduceerd en dus om die reden tot het

binnenlands product behoren, maar die in de loop van de verslagperiode van bestemming

zijn veranderd, worden op deze manier van de BIVA van de nationale economie

uitgesloten. Een verandering van gebruik of van eigendom heeft namelijk niet tot gevolg

dat deze goederen voor een tweede keer deel gaan uitmaken van het binnenlands product

en wijzigt geenszins de totale massa van de vaste activa van de gehele nationale economie.

Het is echter wel belangrijk deze transacties bij een analyse per bedrijfstak of sector in

aanmerking te nemen.

2.120. Indien de goederen na de eigendomsoverdracht een ander gebruik krijgen (d.w.z. niet

langer als vaste activa), neemt de omvang van de vaste activa in de nationale economie af.

De gebruikelijkste voorbeelden hiervan zijn motorvoertuigen die huishoudens tweedehands

van productie-eenheden kopen, schepen die tweedehands naar het buitenland worden

verkocht en gesloopte kapitaalgoederen die voor intermediair gebruik bestemd zijn. Omdat

het nieuwe gebruik (consumptie, uitvoer, dan wel enig ander gebruik naargelang de aard

van de van het schroot vervaardigde goederen) in deze gevallen deel uitmaakt van het

binnenlands product, moeten de bruto-investeringen in vaste activa dienovereenkomstig

2.121. Het is mogelijk dat het saldo van aan- en verkopen van gebruikte goederen positief is,

d.w.z. dat de vaste activa van de nationale economie toenemen. Dit is bijvoorbeeld het

geval wanneer motorvoertuigen die al in de consumptie van het nationaal product waren

begrepen, tweedehands worden gekocht voor gebruik als vaste activa. Omdat de verkopen

van gebruikte investeringsgoederen gewoonlijk groter zijn dan de aankopen, is het saldo

van de aan- en verkopen voor de nationale economie als geheel dus negatief. Indien de

bruto-investeringen in vaste activa naar gebruikende bedrijfstakken worden ingedeeld, kan

het saldo van aan- en verkopen voor bepaalde bedrijfstakken echter wel positief zijn.

  • c) 
    Criterium van de eigendomsoverdracht

2.122. Uitgangspunt bij de vaststelling van de bruto-investeringen in vaste activa van sectoren of

bedrijfstakken is het criterium van de eigendomsoverdracht (aan- of verkoop) en niet dat

van het gebruik van de goederen. Bij financiële lease (anders dan bij gewone huur) worden

vaste activa gelijkgesteld met de activa van de lessee (indien hij producent is) en niet met

die van de lessor. Deze heeft een vordering die overeenkomt met een fictief krediet (zie

2.109 (d) en bijlage II van het ESR 1995 over het onderscheid tussen de verschillende

vormen van huur van duurzame goederen) 1.

2.123. De toepassing van het criterium van de eigendomsoverdracht is afhankelijk van het

statistische systeem op grond waarvan de BIVA worden berekend. Als de gegevens van de

kopers afkomstig zijn, zijn er in theorie geen moeilijkheden (afgezien van de praktische

moeilijkheid alle investeerders bij het onderzoek te betrekken). Vooral in de landbouw

komt het evenwel vaak voor dat bij de berekeningen moet worden uitgegaan van gegevens

die door de producenten van de investeringsgoederen over hun output of verkopen worden

verstrekt. Nog afgezien van de gevallen waarin het niet duidelijk is of een goed tot de vaste

activa moet worden gerekend, is het ook moeilijk de werkelijke koper vast te stellen omdat

de aard van de vaste activa eerder een aanwijzing geeft over de gebruiker. Bij de landbouw

loopt men dus het gevaar ook vaste activa te registreren die niet zijn gekocht door

landbouwbedrijven, maar door handelsbedrijven die ze gebruiken voor de verhuur zonder

bedieningspersoneel.

  • d) 
    Aankopen

2.124. De aankopen van vaste activa bestrijken behalve nieuwe of gebruikte vaste activa die zijn

aangeschaft (gekocht, geruild, ontvangen als kapitaaloverdracht in natura, dan wel

verworven door financiële lease) ook voor eigen gebruik geproduceerde vaste activa,

belangrijke verbeteringen aan vaste activa en aan niet-geproduceerde materiële activa, de

natuurlijke aanwas van in cultuur gebrachte activa als vee en aanplantingen en de kosten

van eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa (zie ESR 1995, 3.103 (a)).

2.125. Gekochte duurzame activa worden alleen als bruto-investeringen in vaste activa

2.126. Dit gaat ook op voor de aankoop of de productie in eigen beheer van duurzame goederen

die voor een eerste uitrusting nodig zijn. De voorraad flessen van een brouwer of een

wijnproducent (met uitzondering van wegwerpflessen) moet bijvoorbeeld als geheel als

activa worden geregistreerd, hoewel de waarde van iedere fles afzonderlijk gering is.

Hetzelfde geldt voor tafels en stoelen, vaatwerk en bestekken voor restaurants en voor de

gereedschappen van een onderneming. De eerste uitrusting met deze goederen betreft

investeringen in vaste activa: in dit geval wordt evenwel geen verbruik van vaste activa

berekend omdat wordt aangenomen dat de voorraad, wanneer die eenmaal is aangeschaft,

door voortdurende aankopen ter vervanging van verloren gegane of onbruikbaar geworden

stukken steeds dezelfde waarde behoudt. Deze lopende vervangingsaankopen worden als

intermediair verbruik geregistreerd. Deze in theorie duidelijke regel is in de praktijk niet

altijd gemakkelijk toe te passen omdat uit de statistische gegevens over de productie en de

verkopen niet altijd precies blijkt of de betrokken goederen voor een eerste uitrusting of ter

vervanging van bestaande stukken zijn gekocht.

2.127. Goederen en diensten die in bestaande vaste activa zijn verwerkt om deze te verbeteren, te

renoveren of om de levensduur of de productiecapaciteit ervan te vergroten, worden

geregistreerd bij de vaste activa waarin ze zijn verwerkt. De desbetreffende werkzaam-

heden worden beschouwd als aankopen van nieuwe vaste activa. In beginsel gaat het hier

om alle goederen en diensten die in vaste activa zijn verwerkt en die veel verder gaan dan

lopend onderhoud en reparatie. Onder lopend onderhoud wordt verstaan alle prestaties die

gezien de normale levensduur van de vaste activa met betrekkelijk korte tussenpozen nodig

2.128. Het voor dit onderhoud benodigde bedrag is geen criterium om te bepalen of een dienst in

een bepaald geval vaste activa creëert of enkel lopend onderhoud is, aangezien bij dure

vaste activa ook diensten voor lopend onderhoud zeer prijzig kunnen zijn (zie 2.109 e)). De

indeling van diensten in verband met gebruikte vaste activa in "lopend onderhoud" en

"bruto-investeringen in vaste activa" wordt dus bepaald door de tijdsspanne die verstrijkt

tot de dienst opnieuw nodig is. Zo geldt de vervanging van delen die doorgaans binnen een

jaar versleten zijn, zoals de banden van een vrachtauto, als lopend onderhoud, terwijl de

vervanging van een motor een investering in vaste activa vormt, niet omdat de waarde

hoger is, maar omdat een motor gewoonlijk niet ieder jaar hoeft te worden vervangen,

maar pas na verscheidene jaren. Door een dergelijke dienst onder de vaste activa te boeken

(d.w.z. behandeling als investeringen en niet als lopend onderhoud) kan de waarde dankzij

het verbruik van vaste activa gelijkmatig over de gehele gebruiksduur worden uitgesmeerd.

2.129. Volgens het SNA 1993 moet aan de hand van hetzij de omvang van de wijzigingen aan de

kenmerken van de vaste activa - d.w.z. omvangrijke veranderingen van de omvang, vorm,

effectiviteit, capaciteit of verwachte levensduur - hetzij het feit dat het al dan niet om het

soort werkzaamheden gaat die bij dit type vaste activa regelmatig als lopend onderhoud of

reparatie wordt uitgevoerd, worden bepaald of er sprake is van verbeteringen

(SNA 1993, 10.49).

  • e) 
    Verkopen

2.130. Dit betreft niet alleen de eigenlijke verkoop van gebruikte vaste activa, maar ook activa die

door hun eigenaar worden afgebroken, afgedankt of vernietigd, dan wel activa die bij een

ruil worden afgestaan of die worden geleverd bij een kapitaaloverdracht in natura (zie ESR

1995, 3.103 b) en 3.104). Normaliter moeten verkopen leiden tot een eigendomsoverdracht

en direct economisch nut hebben (zodat vaste activa die zonder enig ander economisch nut

door de eigenaar worden afgebroken, afgedankt of vernietigd, geen deel uitmaken van de

verkopen) (zie SNA 1993, 10.35 en 10.39). Sommige van de hierboven gedefinieerde

verkopen kunnen binnen dezelfde institutionele eenheid blijven, zoals wanneer door de

landbouwer geslachte dieren door zijn gezin worden geconsumeerd.

  • f) 
    Waardering van bruto-investeringen in vaste activa

2.131. Bruto-investeringen in vaste activa moeten worden gewaardeerd tegen de aankoopprijs

(inclusief kosten van eigendomsoverdracht, installatiekosten en andere overdrachtskosten)

of tegen de basisprijs van soortgelijke vaste activa wanneer het gaat om productie in eigen

beheer (de basisprijs kan worden berekend als de som van de gemaakte kosten). Verkopen

moeten worden geregistreerd tegen de verkoopprijs; deze moet overeenkomen met de

aankoopprijs minus de kosten van eigendomsoverdracht, de installatiekosten en de andere

overdrachtskosten (zie 2.130).

  • g) 
    Kosten van eigendomsoverdracht

2.132. Bij de kosten van eigendomsoverdracht van vaste activa gaat het om bruto-investeringen in

2.133. De bruto-investeringen in vaste activa van de koper omvatten de waarde van de gekochte

goederen (zonder overdrachtskosten) plus alle overdrachtskosten voor de aankoop. De

bruto-investeringen in vaste activa van de verkoper omvatten daarentegen uitsluitend de

waarde van de verkochte goederen (zonder overdrachtskosten) 1. Bij niet-geproduceerde

activa (zoals grond en geoctrooieerde activa zoals productierechten) die niet tot de bruto-

investeringen in vaste activa behoren, moeten deze kosten worden gescheiden van de

aankoop/verkoop van deze activa en bij een afzonderlijke post als bruto-investeringen in

vaste activa van de koper worden geregistreerd.

  • h) 
    Bruto-investeringen in vaste activa en veranderingen in de waarde van de activa

2.134. Een balans, die een overzicht van de waarde van de bezittingen en de uitstaande schulden

geeft, biedt informatie over de verschillende elementen van de veranderingen in de waarde

van de activa. Overeenkomstig de definitie in de balansen (ESR 1995, 7.08) kan de

verandering van de waarde van de activa tussen het begin en het eind van het verslagjaar

als volgt worden omschreven:

Waarde van de activa aan het begin van

de periode

  • Waarde van de activa aan het eind

van de periode = Investeringen in vaste activa (bruto)

  • Verbruik van vaste activa

2.135. De nominale waarderingsverschillen komen overeen met de geaccumuleerde waarderings-

verschillen gedurende de verslagperiode, die voortvloeien uit een verandering in de prijs

van de activa waarvan de economische en fysische (kwantitatieve en kwalitatieve)

kenmerken gedurende dezelfde periode onveranderd blijven. Deze veranderingen worden

geregistreerd in de rekening voor nominale waarderingsverschillen.

2.136. Bij de overige volumemutaties in activa gaat het om stromen met behulp waarvan de

ontdekking, het kwaliteitsverlies en de uitputting van natuurlijke hulpbronnen kunnen

worden geregistreerd, alsmede de gevolgen van buitengewone gebeurtenissen waardoor het

voordeel dat men van activa zou kunnen hebben, kan worden gewijzigd. Voor de

bedrijfstak landbouw kunnen deze volumemutaties in activa in drie hoofdcategorieën

worden ingedeeld:

· uitzonderlijke verliezen en verlies door rampen (aardbevingen, oorlogen, droogte,

epidemieën enz.);

· het verschil tussen de verwachte afschrijving van de activa (afgemeten aan het verbruik

van vaste activa) en de geconstateerde werkelijke afschrijving (als gevolg van onvoor-

ziene veroudering, schade, kwaliteitsvermindering en toevallige gebeurtenissen die

leiden tot een snellere afschrijving dan voorzien);

· wijzigingen in classificatie of structuur van de vaste activa: bijvoorbeeld veranderingen

in de economische bestemming van grond, melkvee dat bestemd wordt voor de

2.137. De bruto-investeringen in vaste activa en het verbruik van vaste activa (zie 3.098-3.106)

zijn dus niet de enige elementen die in aanmerking moeten worden genomen bij een

analyse van de verandering in de waarde van de activa.

  • i) 
    Elementen van de bruto-investeringen in vaste activa

2.138. Het ESR 1995 (3.105) onderscheidt vier elementen die als BIVA moeten worden

geregistreerd:

· saldo aan- en verkopen van nieuwe of bestaande materiële vaste activa (woningen,

overige bouwwerken, vervoermiddelen, machines en werktuigen, in cultuur gebrachte

activa);

· saldo aan- en verkopen van nieuwe of bestaande immateriële vaste activa (exploratie

van minerale reserves, computerprogrammatuur, artistieke werken en overige);

· belangrijke verbeteringen aan materiële niet-geproduceerde activa, waaronder grond;

· kosten in verband met de eigendomsoverdracht van niet-geproduceerde activa, zoals

grond en geoctrooieerde activa.

2.139. Voor de LR onderscheidt men bij de bruto-investeringen in vaste activa vijf elementen:

· aanplantingen die herhaaldelijk producten opleveren;

· vee;

· materiële en immateriële vaste activa:

  • machines en werktuigen;
  • vervoermiddelen;
  • bedrijfsgebouwen;
  • overige werken, met uitzondering van grondverbetering (overige bouwwerken enz.);
  • overige (computerprogrammatuur enz.);

· grondverbetering;

· kosten in verband met de eigendomsoverdracht van niet-geproduceerde activa, zoals

grond en productierechten.

2.140. Voor de in cultuur gebrachte activa betreffen de bruto-investeringen in vaste activa twee

soorten activa (aanplantingen en vee) die herhaaldelijk en voortdurend worden gebruikt

voor de voortbrenging van producten als fruit, rubber, melk enz.: boomgaarden,

wijngaarden, hopvelden, kleinfruitaanplantingen en aspergeculturen. Kerstboom-

aanplantingen (die slechts eenmaal een gereed product opleveren) zijn evenmin als granen

en groenten vaste activa. Tot het investeringsvee behoren bijvoorbeeld fokvee, melkvee,

schapen die worden gehouden voor hun wol en trekdieren (slachtdieren en pluimvee

behoren niet tot de vaste activa).

  • j) 
    Aanplantingen

2.141. In het ESR 1995 (3.103) worden de bruto-investeringen in vaste activa voor aanplantingen

gedefinieerd als het saldo van aan- en verkopen van tot volle wasdom gekomen bomen die

herhaaldelijk producten opleveren (zoals fruitbomen) plus de natuurlijke groei van de

aanplant (onvolgroeide bomen) gedurende het verslagjaar, tot het moment dat deze tot

wasdom komen (d.w.z. een product voortbrengen).

2.142. Deze definitie van de BIVA komt overeen met:

· de uitgaven tijdens de verslagperiode voor nieuwe aanplantingen (nieuw of vernieuwd),

inclusief de uitgaven voor het onderhoud van de jonge aanplant tijdens het verslagjaar

(tijdens de eerste drie jaar);

· de stijging van de intrinsieke waarde van de aanplantingen tot deze tot volle wasdom

· de kosten in verband met de eigendomsoverdracht bij de handel tussen landbouw-

eenheden in tot wasdom gekomen aanplantingen.

2.143. De eerste twee elementen van de BIVA op het gebied van aanplantingen komen overeen

met de landbouwproductie aan BIVA in eigen beheer.

2.144. Verkopen van aanplantingen (geregistreerd als negatieve BIVA) kunnen in twee vormen

voorkomen. Enerzijds kan het gaan om aanplantingen die op stam aan een andere

(landbouw-)eenheid worden verkocht. In dat geval worden alleen de kosten in verband met

de eigendomsoverdracht in de LR opgenomen. Ook kan de aanplant vóór het eind van de

normale levensduur worden gekapt. In dat geval moeten de gekapte aanplantingen volgens

de algemene definitie van verkopen een directe economische bestemming hebben, d.w.z.

een tegenboeking in de vorm van een besteding van goederen en diensten (zoals de

verkoop aan een bedrijf dat is gespecialiseerd in de houtverkoop 1). In dit tweede geval

zullen de als negatieve bruto-investeringen in vaste activa te registreren verkopen van de

aanplant waarschijnlijk een bescheiden bedrag betreffen.

2.145. In de meeste gevallen (d.w.z. met uitzondering van het in 2.144 expliciet genoemde tweede

geval) mag de waarde van de rooiingen dus niet worden afgetrokken van de waarde van de

investeringen in aanplantingen. De investeringen die zijn bestemd voor de vernieuwing van

de bestaande aanplantingen moeten ook als investeringen en niet als uitgaven voor lopend

2.146. Rooiingen van aanplantingen moeten in de boekhouding worden geanalyseerd in relatie

met de berekening van het verbruik van vaste activa. Overeenkomstig het ESR 1995 geldt

ook voor aanplantingen een verbruik van vaste activa, die overeenkomt met de

waardevermindering van volgroeide aanplantingen. Rooiingen 1 moeten als volgt worden

geïnterpreteerd:

· rooiingen aan het einde van normale levensduur van aanplantingen komen overeen met

aan de activa onttrokken aanplantingen. In het kader van het verbruik van vaste activa

wordt gedurende het productieve leven van de aanplantingen voortdurend rekening

gehouden met deze rooiingen;

· "buitengewone" rooiingen zijn rooiingen die vóór het einde van de normale levensduur

van de aanplanting plaatsvinden. Hieraan kunnen verschillende redenen ten grondslag

liggen (economische, strategische enz.). Ze moeten worden geïnterpreteerd als het

verschil tussen de reële (werkelijke) afschrijving en de normale afschrijving die wordt

afgemeten aan het verbruik van vaste activa. Deze extra afschrijving moet worden

geregistreerd in de rekening van de "overige volumemutaties in activa" (een van de

accumulatierekeningen), die geen deel uitmaakt van de rekeningenreeks van de LR.

2.147. De verandering van de waarde van de aanplantingen tijdens de verslagperiode omvat dus

vier elementen (zie 2.134):

· de bruto-investeringen in vaste activa die overeenkomen met het saldo van aan- en

· het verbruik van vaste activa waaraan de afschrijving van de aanplantingen wordt

afgemeten, zoals omschreven in 2.146;

· de overige volumemutaties, waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen van

onvoorziene of buitengewone gebeurtenissen in verband met de aanplant (zoals

buitengewone rooiingen) en die worden geregistreerd in de rekening voor overige

volumemutaties in activa (zie 2.136 en 2.146);

· de waarderingsverschillen, die de volumemutaties als gevolg van prijswijzigingen

tijdens het verslagjaar meten en in de rekening voor nominale waarderingsverschillen

van de accumulatierekeningen van het ESR 1995 (zie 2.135) worden geregistreerd.

2.148. Investeringen aan in cultuur gebrachte plantaardige activa (aanplantingen) worden

geregistreerd in de vorm van een verkoop door gespecialiseerde loonbedrijven in de

landbouw (met grondbewerking, levering van machines, planten, arbeid enz.), dan wel een

output aan in eigen beheer geproduceerde vaste activa (zie 1.75).

In geval van output aan aanplantingen in eigen beheer moet het volgende worden

geregistreerd:

  • a) 
    voor de berekening van de waarde van de output: voor de "in eigen beheer

geproduceerde vaste activa:aanplantingen", hetzij de waarde van soortgelijke

  • b) 
    bij de berekening van het intermediair verbruik, de waarde van de verschillende

goederen die als intermediair verbruik zijn gebruikt (met inbegrip van kwekerij-

gewassen);

  • c) 
    voor de bruto-investeringen in vaste activa bij de post "aanplantingen", de waarde die

wordt verkregen door de waarde van de "in eigen beheer geproduceerde vaste activa:

aanplantingen" (d.w.z. de onder (a) bedoelde registratie) op te tellen bij de output van

aanplantingen van eenheden die zijn gespecialiseerd in dergelijk loonwerk.

  • k) 
    Investeringsvee

2.149. De bruto-investeringen in vaste activa hebben voor vee betrekking op de volgende

elementen:

· hun natuurlijke groei in een jaar (tot het moment waarop ze volwassen worden);

· het saldo van aankopen (invoer) en verkopen (slacht 1 en uitvoer) van dieren;

· de kosten in verband met de eigendomsoverdracht bij handel tussen

landbouweenheden 2.

2.150. In overeenstemming met het ESR 1995 worden de bruto-investeringen in vaste activa voor

vee berekend als het verschil tussen de aankopen (plus natuurlijke groei en invoer)

gedurende het jaar, met inbegrip van de productie in eigen beheer, en de verkopen van

dieren (voor de slacht 1, de uitvoer of ander finaal gebruik), waarbij de kosten van de

eigendomsoverdracht 2 nog moeten worden opgeteld. De BIVA voor vee strekken zich uit

over het gehele leven van het dier. Eerst bestaan ze vooral uit de natuurlijke groei van het

dier. Wanneer dit volwassen is, worden de BIVA vooral afgemeten aan de verkopen (voor

de slacht of uitvoer). Invoer, uitvoer en kosten in verband met eigendomsoverdracht zijn

elementen van de BIVA voor vee, die gedurende het gehele leven van het dier kunnen

voorkomen. De natuurlijke groei van dieren (en niet de BIVA als geheel) is een vorm van

landbouwproductie van vaste activa in eigen beheer.

2.151. In 2.134 is al gezegd dat de berekening van de BIVA voor vee slechts één element van de

waardeverandering van de activa vormt. Zo kunnen de BIVA voor vee alleen worden

berekend als de verandering in het aantal dieren per categorie tegen de gemiddelde prijs

voor het kalenderjaar (kwantitatief) indien aan drie voorwaarden wordt voldaan:

· afwezigheid van nominale waarderingsverschillen (d.w.z. een regelmatige ontwikkeling

van de prijzen en de veestapel);

· afwezigheid van overige volumemutaties (d.w.z. geen verliezen als gevolg van

natuurrampen, wijzigingen in de classificatie enz.);

· afwezigheid van verbruik van vaste activa (d.w.z. geen voorzienbare vermindering van

de waarde van de dieren).

Een andere wijze van berekening (direct) betreft de meting van de stromen toevoegingen

en onttrekkingen aan de veestapel per categorie tegen de desbetreffende prijzen: bij deze

methode moet behalve met de aan- en verkopen ook rekening worden gehouden met

toevoegingen (vooral geboorten) en onttrekkingen op de bedrijven.

2.152. Zo kunnen de bruto-investeringen in vaste activa voor vee doorgaans niet worden gemeten

als het verschil tussen de waarde van het dier aan het begin en het eind van het verslagjaar.

De regel voor de berekening van de BIVA voor vee hangt af van de methode die is

gekozen voor de registratie en de meting van de drie elementen voor de verandering van de

waarde van de dieren (behalve de BIVA), en vooral van het verbruik van vaste activa.

2.153. In theorie moet voor vee het verbruik van vaste activa worden berekend 1. Voor vee komt

dit overeen met de raming van de verwachte vermindering van de productiviteit van de

dieren wanneer deze voor productiedoeleinden zijn gebruikt. Deze vermindering komt tot

uiting in de geactualiseerde waarde van de toekomstige inkomsten uit deze dieren. Gezien

de praktische moeilijkheden bij de waardering van het verbruik van vaste activa (de

definitie van de parameters voor de berekening is uiterst complex, zie 3.105 en 3.106)

moet evenwel voor investeringsvee geen verbruik van vaste activa worden berekend.

2.154. Er zijn verschillende methoden voor de berekening van de bruto-investeringen in vaste

activa voor vee. Elk van de in 2.149 genoemde elementen van de BIVA (natuurlijke groei

van de dieren, invoer, verkopen voor de slacht en voor uitvoer en kosten van

eigendomsoverdracht) kan het nauwkeurigst worden gemeten met de "perpetual inventory

method". Er zijn echter vele gegevens nodig (zoals de prijzen van investeringsvee

gedurende hun gehele productieve leven). Hetzelfde geldt voor methoden die zijn

gebaseerd op de productiecyclus van de dieren. Er moet dus worden gekozen voor een

eenvoudiger methode, ook al is deze minder nauwkeurig.

2.155. Aanbevolen wordt een indirecte wijze van berekening 1. Deze is gebaseerd op een

berekening van de mutaties in de veestapel en op de volgende twee hypotheses:

· de prijzen van de dieren ontwikkelen zich regelmatig en zijn gewoonlijk voorzienbaar,

zodat voor de waardering van de hoeveelheden de gemiddelde prijs per jaar kan worden

gebruikt zonder dat rekening moet worden gehouden met waarderingsverschillen;

· uitzonderlijke verliezen kunnen worden geschat (in hoeveelheid en prijs).

2.156. De BIVA worden gemeten als de som van de volgende elementen:

Investeringen in vaste

activa (bruto) = Mutatie in het aantal dieren tussen het begin

en het eind van het verslagjaar, gewaardeerd

tegen de gemiddelde prijs P over het jaar

2.157. Het begrip "uitstootpercentage" heeft betrekking op het verschil dat op het moment van de

verwijdering van de dieren uit de investeringsveestapel bestaat tussen de waarde van de

dieren als investeringsvee (tegen een prijs die men als "kapitaalprijs" kan aanduiden) en de

waarde van dezelfde dieren als slachtvee (d.w.z. tegen de prijs waarvoor ze aan het

slachthuis worden verkocht).

2.158. De "overige verliezen aan investeringsvee" omvat twee soorten verliezen:

· uitzonderlijke verliezen van volwassen investeringsvee;

· de waarde van de dieren die tot aan het eind van hun leven (natuurlijke dood) in

productie blijven.

2.159. De waarde van de verliezen die bij de berekening van de BIVA moet worden geregistreerd,

komt overeen met het verschil tussen de waarde van de dieren aan het begin van de periode

en die op het moment van onttrekking. In het geval van slacht (voor verkoop of eigen

verbruik) worden deze onttrekkingen gewaardeerd tegen verkoopprijzen, maar indien de

dieren geen economisch nut hebben (b.v. wanneer ze worden uitgestoten), kan de waarde

ook nul bedragen.

2.160. Bij de overige verliezen aan investeringsvee en het uitstootpercentage gaat het om stromen

die worden geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa van de

2.161. De schatting van de output van investeringsvee in eigen beheer, die overeenkomt met de

natuurlijke groei van de dieren, vloeit voort uit de onder 2.149 genoemde definitie van de

BIVA voor vee, toegepast op categorieën onvolwassen dieren:

Output in eigen beheer = BIVA + verkopen (voor de slacht en voor uitvoer) - aankopen

(invoer) 1 - (kosten van eigendomsoverdracht)

  • l) 
    Materiële en immateriële vaste activa (behalve in cultuur gebrachte activa)

2.162. De materiële en immateriële vaste activa, met uitzondering van in cultuur gebrachte activa

(aanplantingen en vee), omvatten de volgende elementen:

· machines en werktuigen;

· vervoermiddelen;

· bedrijfsgebouwen;

· overige (programmatuur enz.).

2.163. De bruto-investeringen in vaste activa omvatten de aankopen van deze activa (tijdens het

verslagjaar geproduceerde of ingevoerde nieuwe activa of reeds bestaande activa) minus de

verkopen ervan aan andere eenheden (van de bedrijfstak landbouw of van andere

bedrijfstakken). Indien de aan- en verkopen betrekking hebben op twee eenheden van de

bedrijfstak "landbouw" gedurende hetzelfde verslagjaar, worden de stromen

geconsolideerd en worden alleen de kosten van de eigendomsoverdracht bij de

desbetreffende post van de vaste activa geregistreerd.

2.164. In het geval van bouwwerken of kapitaalgoederen (bestemd voor de verkoop) waarvan de

productie zich over verschillende perioden uitstrekt, moet de waarde van de gedurende de

productieperiode verrichte werkzaamheden bij de veranderingen in voorraden van de

producent worden geboekt in de vorm van onderhanden werk. Deze (roerende en

onroerende) goederen worden pas na de eigendomsoverdracht als bruto-investeringen in

vaste activa geregistreerd. Wanneer deze productie daarentegen in eigen beheer

plaatsvindt, worden de werkzaamheden gedurende de gehele productieperiode als bruto-

investeringen in vaste activa geregistreerd (zie 2.025).

2.165. Activa waarvan het economisch gebruik verandert zonder dat er sprake is van een

verandering van eigenaar (zoals wanneer een bedrijfsgebouw voor andere doeleinden dan

voor de landbouwproductie wordt gebruikt), worden niet bij de verkopen van activa

geregistreerd, maar in de rekening voor overige volumemutaties in activa.

2.166. Omvangrijke verbeteringen aan materiële niet-geproduceerde activa hebben doorgaans

betrekking op grondverbeteringen (kwaliteit, grotere opbrengst door irrigatie, drainage,

voorkoming van overstromingen enz.) en moeten als alle andere BIVA worden behandeld.

Aangezien aan- en verkopen van grond niet als BIVA worden geregistreerd (het zijn niet-

geproduceerde activa), worden investeringen voor grondverbetering afzonderlijk in een

speciale rubriek van de BIVA opgenomen.

2.167. Deze investeringen komen overeen met de uitgaven voor grondverbetering en de

voorbereiding op een ander productief gebruik, met uitzondering van uitgaven voor lopend

onderhoud (zie 2.127-2.129). Deze uitgaven moeten voor rekening van de landbouwers

zijn of het resultaat van deze uitgaven moet hun eigendom worden. Het gaat vooral om

uitgaven voor infrastructurele werkzaamheden voor ontginning, egalisering, drooglegging,

irrigatie en verkaveling (zie ESR 1995, 3.106 en SNA 1993, 10.51-10.54).

  • n) 
    Kosten van eigendomsoverdracht van niet-geproduceerde activa

2.168. De kosten van eigendomsoverdracht van niet-geproduceerde activa betreffen de aankoop

van grond en immateriële niet-geproduceerde activa (zoals octrooien en productierechten)

door landbouweenheden. Deze aankopen van niet-geproduceerde activa worden niet

geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa (maar onder een andere post van de

kapitaalrekening omdat het om niet-geproduceerde activa gaat), terwijl alleen de kosten

2.169. De volgende goederen en diensten vallen niet onder de bruto-investeringen in vaste activa:

  • a) 
    klein gereedschap, arbeidskleding, reserveonderdelen en materiaal van geringe

waarde (minder dan 500 euro tegen prijzen van 1995), ook al hebben deze goederen

een normale levensduur van meer dan een jaar (zie evenwel 2.125 en 2.126); omdat

deze goederen herhaaldelijk moeten worden vernieuwd, worden ze volgens de

gangbare praktijk in de bedrijfsboekhouding als intermediair verbruik beschouwd

(zie 2.105 en 2.106);

  • b) 
    gewoon onderhoud en gewone reparaties (zie 2.127-2.129). Deze worden als

intermediair verbruik beschouwd;

  • c) 
    wetenschappelijk onderzoek, reclame, marktonderzoek enz. Aankopen van deze

diensten worden als intermediair verbruik beschouwd (zie 2.108 (d));

  • d) 
    duurzame goederen die huishoudens voor de bevrediging van hun huishoudelijke

behoeften kopen; aangezien ze niet voor productiedoeleinden worden gebruikt,

worden ze als consumptie beschouwd;

  • e) 
    voorraadvee: voor de vleesproductie gehouden mestdieren, inclusief pluimvee;
  • f) 
    waarderingsverschillen voor vaste activa (moeten worden geregistreerd in de

rekening voor nominale waarderingsverschillen (zie 2.135);

  • g) 
    verliezen van vaste activa als gevolg van rampen (besmettelijke veeziekten,

overstromingen, stormen enz.) (zie 2.045 en 2.136).

2.170. De waarde van vaste activa die zowel voor professionele als voor particuliere doeleinden

worden gebruikt (bv. auto's), wordt geregistreerd naargelang ze voor elk van beide

doeleinden worden gebruikt: deels als bruto-investeringen in vaste activa en deels als

consumptie.

  • 2. 
    Veranderingen in voorraden
  • a) 
    Definitie van voorraden en veranderingen in voorraden

2.171. De voorraden omvatten alle goederen die geen deel uitmaken van de vaste activa en die op

een gegeven moment in het bezit van productie-eenheden zijn. Er zijn twee soorten

voorraden: voorraden bij de gebruikers en voorraden bij de producenten:

· De voorraden bij de gebruikers bestaan uit de grondstoffen en het materiaal die op een

later tijdstip als intermediaire input in het productieproces zullen worden gebruikt.

Normaliter berekent men het verbruik van deze producten door de aankopen (of andere

vormen van verwerving) te corrigeren voor de veranderingen in voorraden gedurende de

verslagperiode (zie 2.021).

· De voorraden bij de producenten omvatten de voorraden gereed product en onderhanden werk

bij de producenten. Bij de berekening van de output wordt hiermee rekening gehouden. De

voorraden bij de producenten omvatten:

  • het gereed product van de bedrijfstak: het gaat om goederen die de producent niet van plan

is vóór het gebruik voor andere economische doeleinden nog eens te bewerken. Bij de

landbouw gaat het om plantaardige producten, olijfolie, druivenmost, dierlijke producten

en niet-landbouwproducten die in het kader van niet-scheidbare nevenactiviteiten zijn

voortgebracht;

  • onderhanden werk: dit betreft nog niet voltooide output. Voor de LR gaat het om wijn,

slachtvee, kippen en ander pluimvee (ook fokdieren) en andere dieren, met uitzondering

van investeringsvee. Gewassen te velde (zie 2.012) worden in de jaarrekeningen niet als

voorraden onderhanden werk beschouwd.

2.172. Gewassen te velde worden in de Europese landbouw niet als onderhanden werk beschouwd

omdat de productiecyclus van verreweg de meeste teelten korter is dan een verslagjaar.

Ook wordt ervan uitgegaan dat registratie op het moment van de oogst bij de analyse van

de inkomsten uit deze activiteit een voldoende samenhang met de productiekosten

waarborgt (zie 2.012). Wanneer de oogst, de voorbereiding van de grond en het zaaien niet

in dezelfde verslagperiode plaatsvinden, geven de rekeningen voor de periode waarin de

kosten zijn ontstaan een boekverlies te zien en die van de oogstperiode een boekwinst.

Toch is deze registratiemethode aanvaardbaar, aangezien de situatie van jaar tot jaar gelijk

is en er dus bij benadering sprake is van een compensatie in die zin dat de uitgaven in

dezelfde periode worden gecompenseerd met de winst van de verkoop van de

voorafgaande oogst. Alleen bij een aanzienlijke verandering van de productie of bij zeer

slechte oogsten is deze compensatie niet mogelijk. Dan kan registratie van output als

onderhanden werk wel aangewezen zijn (zie ook 2.013).

2.173. Diensten maken geen deel uit van de voorraden, met uitzondering van die welke zijn

opgenomen in de aankoopwaarde van de opgeslagen goederen.

2.174. Volgens het ESR 1995 worden de veranderingen in voorraden gemeten door op de waarde

van de toevoegingen aan de voorraden de waarde van de onttrekkingen en de waarde van

eventuele lopende verliezen op in voorraad gehouden goederen in mindering te brengen.

2.175. Toevoegingen aan de voorraden moeten worden gewaardeerd op het moment van de

toevoeging, terwijl onttrekkingen moeten worden gewaardeerd tegen de prijzen op het

moment waarop de goederen aan de voorraden worden onttrokken. Het moment van

registratie (en de waardering) van de toevoegingen en onttrekkingen aan de voorraden

moet in overeenstemming zijn met dat van de andere transacties in producten (output en

intermediair verbruik).

2.176. De veranderingen in voorraden (toevoegingen, onttrekkingen of periodieke verliezen aan

gereed product of onderhanden werk) moeten worden gewaardeerd tegen basisprijzen.

Toevoegingen aan onderhanden werk moeten worden gewaardeerd op basis van de

verhouding tussen de totale productiekosten aan het eind van de periode en de basisprijs

van een soortgelijk gereed product. De waarde van de toevoegingen van onderhanden werk

kan ook worden geschat aan de hand van de waarde van de productiekosten vermeerderd

met een toeslag voor het verwachte exploitatieoverschot of het (geraamde) gemengd

inkomen (zie ESR 3.51 en 3.52).

2.177. Voor de registratie van de toevoegingen en onttrekkingen aan de voorraden wordt in het

ESR 1995 de "perpetual inventory method" aanbevolen. Toepassing van deze methode is

echter over het algemeen niet mogelijk omdat het moeilijk is informatie over de

toevoegingen en onttrekkingen te verzamelen. In een poging tot afstemming op de

"perpetual inventory method" beveelt het ESR 1995 een "kwantitatieve methode" aan,

2.178. Op plantaardige producten kan deze "kwantitatieve methode" niet worden toegepast

wegens de schommelingen in de prijzen en hoeveelheden gedurende het productieproces

en de structuur van vraag en aanbod. Dit specifieke "landbouwprobleem" wordt in het ESR

1995 ook genoemd (3.124 (c)).

2.179. Ook mag niet uit het oog worden verloren dat de veranderingen in voorraden als

gedefinieerd onder 2.174 slechts een van de elementen van de waardeverandering van de

voorraden tussen het begin en het eind van het verslagjaar is. Tussen de begin- en de

eindbalans van de voorraden bestaat namelijk een fundamenteel boekhoudkundig verband:

Waarde van de eindvoorraad in

prijzen van het eind van de

periode

  • waarde van de beginvoorraad

in prijzen aan het begin van

de periode = Veranderingen in voorraden

(toevoegingen - onttrekkingen -

periodieke verliezen)

+ nominale waarderingsverschillen

2.180. De nominale waarderingsverschillen en de overige volumemutaties 1 mogen bij de raming

van de output niet in aanmerking worden genomen, maar horen thuis in de rekening voor

overige mutaties in activa (respectievelijk in de rekening voor nominale

waarderingsverschillen en de rekening voor overige volumemutaties in activa).

2.181. De belangrijkste moeilijkheid bij de waardering van de veranderingen in voorraden in de

LR betreft plantaardige producten. Hierbij gaat het immers om seizoengebonden producten

die pas na de oogst worden opgeslagen en gedurende enige maanden na de oogst weer aan

de voorraden worden onttrokken, vaak nog tot in het volgende verslagjaar. Ook de prijs

kan van verslagjaar tot verslagjaar, en zelfs binnen een zelfde verslagjaar, sterk fluctueren.

  • c) 
    Veranderingen in voorraden dieren en dierlijke producten

2.182. Voor een waardering van de veranderingen in de veestapel is het nauwelijks van belang of

de dieren vanaf hun geboorte in het land zijn gefokt of dat ze op jonge leeftijd uit het

buitenland zijn ingevoerd om in het land te worden gefokt en gemest. Op het moment dat

de ingevoerde dieren door het binnenlandse bedrijf voor de fok worden aangekocht,

worden ze zogezegd genationaliseerd en als binnenlandse productie behandeld.

2.183. Voor de waardering van de veranderingen in de veestapel aan het eind van de

verslagperiode moet een onderscheid worden gemaakt tussen voorraadvee en

investeringsvee (zie 2.140 en 2.202). Voor de eerste categorie wordt de basisprijs bepaald

aan de hand van de som van de totale productiekosten voor een gemiddeld dier in de

verschillende veeklassen tot en met het verslagjaar plus een toeslag voor het geschatte

exploitatieoverschot of gemengd inkomen (zie 2.176). Indien een dier ooit is ingevoerd,

kan de aankoopprijs op het moment van de invoer worden beschouwd als de som van de

productiekosten tot dat tijdstip.

2.184. Omdat de prijs van de dieren zich in het algemeen gelijkmatig ontwikkelt, kan de

waardering van de veranderingen in de voorraad dieren eenvoudig worden benaderd

zonder rekening te houden met nominale waarderingsverschillen. Hiertoe wordt voor

iedere categorie dieren de verandering in volume van de veestapel tussen het eind en het

begin van het verslagjaar vermenigvuldigd met de gedurende deze gehele periode

waargenomen gemiddelde prijs.

  • d) 
    Veranderingen in voorraden seizoenproducten

2.185. Seizoenproducten (zie 2.178 en 2.181) zijn producten waarvoor de kwantitatieve methode

wegens de onregelmatige ontwikkeling van de prijzen en hoeveelheden geen goede

benadering van de "perpetual inventory method" geeft. Dan zou het namelijk kunnen

voorkomen dat bij de berekening van de veranderingen in voorraden ook nominale

waarderingsverschillen worden meegenomen. Een mogelijke oplossing is de raming van de

veranderingen in voorraden over kortere perioden dan de verslagperiode (bv. ieder

kwartaal), omdat de ontwikkeling van de prijzen en hoeveelheden hierin gelijkmatiger

verloopt. Toch is het vaak moeilijk een dergelijke methode toe te passen, omdat

basisgegevens ontbreken.

2.186. De voorraden seizoenproducten kunnen ook worden gewaardeerd door de ontwikkeling

van de prijzen voor opgeslagen goederen te analyseren. Om tenminste drie redenen kan de

prijs van een goed gedurende de opslag ervan veranderen (SNA 1993, 6.105):

· de fysieke kwaliteiten van een goed kunnen in de loop van de tijd beter of slechter

worden;

· er kan sprake zijn van seizoenfactoren die vraag of aanbod beïnvloeden, waardoor de

prijs ervan in de loop van het jaar regelmatig en voorspelbaar varieert zonder dat de

fysieke kwaliteiten ervan hoeven te veranderen;

· ook kunnen algemene factoren, zoals een algemene prijsinflatie, tot gevolg hebben dat

2.187. Het verschil tussen de prijs van het goed bij de opslag en dat waarbij het goed weer aan de

voorraden wordt onttrokken, moet in de eerste twee gevallen de waarde weergeven van een

tijdens de opslag ontstane extra output (SNA 1993, 6.106). De producten die verscheidene

maanden na de oogst aan de voorraden worden onttrokken, zijn namelijk vanuit

economisch standpunt niet gelijk aan de producten die werden opgeslagen. Deze

toegenomen waarde van de producten mag niet als nominaal waarderingsverschil worden

aangemerkt (SNA 1993, 12.70).

2.188. Uitgaande van de verschillende elementen van de waardeverandering van de voorraden en

van de factoren die de prijsverandering van de in voorraad gehouden producten bepalen, en

ook nog omdat het moeilijk is de registratie van waarderingsverschillen bij de berekening

van seizoenproductie volledig uit te sluiten, worden twee methoden aanbevolen. Het

verschil tussen beide is gelegen in hun interpretatie van de opslag en in het moment van

registratie van de wijziging van de waarde van de goederen als gevolg van hun opslag. De

eerste methode is de referentiemethode, die moet worden toegepast op de waardering van

de output en de veranderingen in voorraden van seizoenproducten. De tweede methode kan

voor meer specifieke gevallen worden gebruikt (vooral voor producten waarvan de prijs

moeilijk te voorspellen is).

2.189. Bij de referentiemethode worden de veranderingen in voorraden vastgesteld als het

verschil tussen de waarde van de output gedurende het jaar en de waarde van de verkopen

(en ander gebruik) gedurende hetzelfde jaar 1. Uitgangspunt hierbij is dat er aan het eind

van het landbouwjaar (eind van het eerste halfjaar van het volgende kalenderjaar) geen

2.190. Bij deze methode wordt opslag beschouwd als een factor voor de prijsstijging van de

goederen tijdens de opslag. Aldus wordt een onderscheid gemaakt tussen de opslag zelf en

de gevolgen ervan voor de prijs van de producten. De waardestijging door de opslag wordt

vooraf verrekend omdat deze wordt toegerekend aan de output van jaar n (het oogstjaar,

ook al vindt de verkoop gedurende twee kalenderjaren plaats). De prijsontwikkeling kan

namelijk zonder veel problemen vooraf worden geschat omdat deze het gevolg is van vrij

regelmatige, voorspelbare veranderingen (zie 2.186).

2.191. Dankzij deze methode kan, waar mogelijk, worden voorkomen dat bij de berekening van

de output waarderingsverschillen worden meegenomen. Zo wordt gezorgd voor samenhang

tussen de berekening van de output in waarde en hoeveelheid en wordt vermeden dat de

output op basis van onderhanden werk moet worden geregistreerd (waarvoor gegevens

over de omvang van de voorraden aan het begin en het eind van het kalenderjaar nodig

zijn, met de desbetreffende prijzen). Ook wordt hierdoor de opstelling van rekeningen in

constante prijzen vereenvoudigd.

2.192. Bij een tweede methode, die wordt aanbevolen voor het specifieke geval van producten

waarvan de prijs moeilijk voorspelbaar is (zoals groenten en fruit, aardappelen en olijfolie)

en de omvang van de opslag op het landbouwbedrijf economisch gezien belangrijk is,

wordt opslag gezien als een verlengstuk van het productieproces. Deze methode is minder

stringent dan de referentiemethode wat de uitsluiting van waarderingsverschillen bij de

berekening van de output betreft. De prijsstijging van de opgeslagen goederen wordt pas

achteraf in aanmerking genomen en toegerekend aan het jaar waarin de opslag plaatsvond.

2.193. Bij deze tweede methode wordt de seizoenoutput direct berekend als de som van de

verkopen, het andere gebruik en de veranderingen in voorraden, die worden geschat door

de voorraden aan het begin en het eind van het verslagjaar tegen lopende prijzen te

waarderen.

2.194. De twee methoden lopen uiteen wat de berekening van de veranderingen in voorraden

betreft, maar niet bij de waardering van de verkopen (deze worden gewaardeerd tegen de

basisprijs op het moment waarop ze aan de voorraden worden onttrokken).

  • e) 
    Veranderingen in voorraden wijn (van druiven die op het bedrijf zelf zijn

voortgebracht)

2.195. Wijn is een product dat in het algemeen jarenlang wordt opgeslagen om ouder en rijper te

worden. Tijdens de opslag verandert de kwaliteit. Opslag van wijn op het landbouwbedrijf

kan worden beschouwd als een uitbreiding van het productieproces omdat de wijn die de

opslag verlaat, anders is dan de wijn die erin is gegaan. Daarom moet opgeslagen wijn

worden behandeld als onderhanden werk en de toegenomen waarde als een toename van de

output, die in de loop van de tijd voortdurend moet worden gemeten.

2.196. Er zijn drie factoren waardoor de waarde van de wijn kan veranderen: wijziging van de

kwaliteit, veranderingen in de structuur van vraag en aanbod (d.w.z. de prijsverhouding

tussen jonge en oude wijnen) en een algemene prijsverhoging. Terwijl een

2.197. De toegenomen waarde van de wijn zou naargelang deze ouder wordt voortdurend in de

waarde van de output moeten worden verwerkt. Omdat hiervoor een grote hoeveelheid

informatie over de structuur van de wijnvoorraden naar productiejaar, kwaliteit en

productiezone alsmede over de ontwikkeling van de bijbehorende prijzen noodzakelijk is,

die evenwel in het algemeen niet in de lidstaten beschikbaar is, zijn er twee praktische

methoden om in de landbouwrekeningen de waardering van ouder wordende wijn te

benaderen. Weliswaar zijn ze conceptueel gezien niet zo strikt, maar toch lijken beide

methoden gezien de beschikbaarheid van gegevens aanvaardbaar. Iedere lidstaat maakt zijn

keuze op basis van de structuur van zijn wijnbouw en zijn statistisch systeem.

2.198. Het vooraf in aanmerking nemen van de veroudering van wijn: bij de eerste methode

worden toevoegingen aan de voorraad wijn die bij de producent ouder wordt, gewaardeerd

aan de hand van de verkoopprijzen van wijnen die dit verouderingsproces al achter de rug

hebben, zoals deze zijn waargenomen tijdens het tweede halfjaar. De verwachte

waardevermeerdering wordt zodoende al in aanmerking genomen bij de output van het

oogstjaar. Het gaat hier slechts om een gedeeltelijke waardestijging omdat deze wijnen niet

tegen hun echte verkoopprijs worden gewaardeerd, maar tegen de prijs van andere wijnen

uit hetzelfde productiegebied, maar dan ouder. Het verschil tussen hun echte verkoopprijs

en de prijs die wordt gebruikt voor de waardering van de toevoegingen aan de voorraden,

wordt niet geregistreerd bij de outputwaarde omdat het als een waarderingsverschil wordt

gezien (vooral door inflatie). Omdat geen onderscheid wordt gemaakt naar het oogstjaar

2.199. Het achteraf in aanmerking nemen van de veroudering van wijn: het is ook mogelijk

toevoegingen aan de voorraden te waarderen tegen de prijs van jonge wijnen op het

moment van de oogst, en de toevoeging aan het onderhanden werk voor wijn (d.w.z. de

prijsstijging door veroudering, afgezien van de gevolgen van een algemene prijswijziging

voor wijn) pas te registreren op het moment waarop de ouder geworden wijn wordt

verkocht. Omdat de verkopen worden gewaardeerd tegen de gemiddelde jaarprijs, wordt

iedere waardestijging tussen het oogstjaar en het jaar van verkoop toegerekend aan de

output van het jaar van verkoop (en dus niet verdeeld over de tijd). Voor deze methode zijn

meer gegevens over de structuur van de wijnvoorraden nodig omdat ervan wordt uitgegaan

dat de verdeling van de voorraden (en van de onttrekkingen aan de voorraden) naar

oogstjaar bekend zijn. Toch kan hiermee een nauwkeuriger beeld worden verkregen van de

verkopen en de voorraden per jaargang.

2.200. Voor een verdeling in de tijd van de waardestijging van de wijn door veroudering kan

uiteraard geen van deze beide praktische methoden worden gebruikt: bij de ene wordt de

waardestijging vooraf geregistreerd en bij de andere achteraf. Dit ongemak telt in beide

gevallen niet zo zwaar als men ervan uitgaat dat bij de productie van oude wijn een zekere

stabiliteit in de tijd bestaat. De eerste methode lijkt de voorkeur te verdienen wanneer de

gemiddelde verouderingsduur kort is.

  • 3. 
    Registratie van vee als "bruto-investeringen in vaste activa" of als "veranderingen in
  • a) 
    Definitie

2.202. De bruto-investeringen in vaste activa voor vee hebben betrekking op dieren, d.w.z. vaste

activa die herhaaldelijk en voortdurend in het productieproces worden gebruikt. Dit

investeringsvee wordt gefokt voor de output die het regelmatig levert en omvat onder

andere fokvee, melkvee, trekdieren en schapen en andere dieren die worden gefokt voor

hun wol. Bij voorraadvee gaat het daarentegen om dieren die gedurende de lopende of een

voorafgaande periode zijn geproduceerd om op een later tijdstip te worden verkocht of

voor andere al dan niet productieve doeleinden te worden gebruikt. Het betreft dieren die

worden gefokt voor hun vlees zoals slachtvee en pluimvee.

  • b) 
    Registratie van ingevoerde dieren
  • 1. 
    Investeringsvee:

2.203. Indien de dieren op het moment van de invoer duidelijk kunnen worden geïdentificeerd als

vaste activa, moeten ze altijd als aankopen bij de bruto-investeringen in vaste activa

worden geregistreerd (zie 2.149 en 2.150). Uiteraard omvatten de bruto-investeringen in

vaste activa van de landbouw alleen dieren die door de bedrijfstak landbouw zijn gekocht

en bijvoorbeeld geen rijpaarden voor particulier gebruik of dieren die voor andere

doeleinden zijn gekocht.

2.204. Als dieren op het moment van de invoer daarentegen duidelijk als voorraadvee kunnen

worden geïdentificeerd (bv. slachtdieren), moet de invoer als een toevoeging aan de

voorraden onderhanden werk worden beschouwd en daarom bij de berekening van de

output als negatieve verkopen worden afgetrokken (zie 2.069).

  • 3. 
    Behandeling:

2.205. Het is vaak moeilijk om aan de hand van de beschikbare bronnen een duidelijk onderscheid

te maken tussen beide categorieën dieren. Daarom moet de waarde van alle ingevoerde

dieren (investerings- en voorraadvee, maar geen dieren die onmiddellijk worden geslacht)

bij de berekening van de output van de verkopen worden afgetrokken. Indien deze dieren

op een gegeven moment naar het productievee worden overgebracht (d.w.z. vaste activa

worden), worden ze geregistreerd als vaste activa die tijdens de verslagperiode waarin de

overgang plaatsvond, in eigen beheer zijn geproduceerd (zoals voor dieren die in het land

zelf zijn geproduceerd en opgefokt en die vervolgens tot het productievee zijn gaan

behoren) (zie 2.069 en 2.070).

2.206. Dieren die worden ingevoerd om onmiddellijk te worden geslacht (als invoer van de

slachthuizen) worden niet in de LR geregistreerd omdat deze alleen betrekking hebben op

de output van de nationale landbouw.

  • c) 
    Registratie van de handel in dieren tussen landbouweenheden

2.207. Investeringsvee: de handel in investeringsvee wordt bij de bruto-investeringen in vaste

activa geregistreerd als aan- en verkopen van vaste activa (diensten in verband met de

eigendomsoverdracht zijn in de aankoopprijs begrepen). Wanneer de aan- en verkopen

binnen hetzelfde verslagjaar plaatsvinden, heffen deze stromen elkaar op en worden alleen

de diensten in verband met de eigendomsoverdracht als bruto-investeringen in vaste activa

geregistreerd (zie 2.068).

2.208. Voorraadvee: aan- en verkopen van voorraadvee worden alleen geregistreerd wanneer ze

in twee verschillende verslagperioden plaatsvinden. Diensten in verband met deze handel

die in de aankoopprijs zijn begrepen, moeten van de waarde van de output worden

afgetrokken wanneer de handel tijdens hetzelfde verslagjaar plaatsvindt (zie 2.067).

2.209. Door de bijzondere behandeling van de veehandel tussen landbouweenheden en de invoer

van dieren bestaat er geen intermediair verbruik voor "Vee en dierlijke producten".

  • d) 
    Niet voor de landbouw bestemde dieren

2.210. Het fokken van ren- en rijpaarden, katten, honden, siervogels, vechtstieren en dieren voor

dierentuinen en circussen behoort ook tot de bedrijfstak landbouw, ongeacht of ze gefokt

worden om er verder mee te fokken, voor de vleesproductie of voor recreatieve of

sportieve doeleinden (zie 1.78). Het gebruik van deze dieren voor dienstverlening maakt

alleen dan deel uit van de bedrijfstak landbouw wanneer deze activiteiten als niet-

2.211. Deze dieren kunnen worden verkocht aan:

· huishoudens: alle verdere transacties betreffende deze dieren blijven in de LR buiten

beschouwing;

· aan andere bedrijfstakken: een waakhond, een circusdier of een renpaard gaat dan

bijvoorbeeld deel uitmaken van de bruto-investeringen in vaste activa van de bedrijfstak

die het dier heeft gekocht.

III. VERDELINGSTRANSACTIES, OVERIGE TRANSACTIES EN OVERIGE MUTATIES

IN ACTIVA

A. DEFINITIE

3.001. Verdelingstransacties zijn transacties

· waarbij de door het productieproces gegenereerde toegevoegde waarde wordt verdeeld

over arbeid, kapitaal en overheid;

· met betrekking tot de herverdeling van inkomen en vermogen.

3.002. Het ESR 1995 maakt onderscheid tussen inkomens- en kapitaaloverdrachten; bij

laatstgenoemde overdrachten worden de besparingen of het vermogen herverdeeld en niet

3.003. Omdat de LR bedrijfstakrekeningen zijn, worden slechts enkele verdelingstransacties in dit

hoofdstuk beschreven. De belangrijkste zijn die welke worden geregistreerd in de primaire

inkomensverdelingsrekening en vooral in de inkomensvormingsrekening en de rekening

voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (zie 1.38-1.48: rekeningenstelsel van de LR). In de

inkomensvormingsrekening hebben deze verdelingstransacties betrekking op de niet-

productgebonden belastingen op productie, de niet-productgebonden subsidies en de

beloning van werknemers. Voor de rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening gaat het

om bepaalde vormen van inkomen uit vermogen (vooral om inkomen uit grond, rente, en

inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders). Ook worden hier de

verdelingstransacties voor investeringssteun en "overige kapitaaloverdrachten" van de

kapitaalrekening gepresenteerd.

3.004. Verdelingstransacties betreffende bepaalde vormen van inkomen uit vermogen (vooral

dividenden en andere uitgekeerde inkomens van vennootschappen) en belastingen op

inkomen, vermogen enz. blijven bij deze selectie buiten beschouwing. Registratie van deze

transacties heeft alleen zin en is statistisch gezien alleen mogelijk wanneer men kijkt naar

groepen institutionele eenheden, m.a.w. sectoren of subsectoren (zie 1.06).

B. ALGEMEEN

  • 1. 
    Verslagperiode
  • 2. 
    Eenheden

3.006. Waarden moeten worden opgegeven in miljoenen eenheden van de nationale valuta.

  • 3. 
    Moment van registratie van verdelingstransacties

3.007. Zoals in punt 2.008 is aangegeven, worden in het ESR 1995 verdelingstransacties op

transactiebasis geregistreerd, d.w.z. op het moment dat de economische waarde tot stand

komt, wordt gewijzigd of verloren gaat, dan wel op het moment dat aanspraken en

verplichtingen tot stand komen, worden gewijzigd of worden geannuleerd, en niet op het

moment dat de betaling werkelijk wordt verricht. Deze registratieregel (die is gebaseerd op

rechten en verplichtingen) geldt voor alle stromen, monetaire en niet-monetaire, of deze nu

plaatsvinden tussen eenheden of binnen dezelfde eenheid. Om praktische redenen kunnen

bepaalde uitzonderingen evenwel gerechtvaardigd zijn.

3.008. Afhankelijk van het geval gelden voor de verdelingstransacties de volgende regels

betreffende het moment van registratie:

  • a) 
    Beloning van werknemers

3.009. De brutolonen en werkelijke sociale premies (ten laste van werkgevers) worden

geregistreerd in het tijdvak waarin de arbeid is verricht. Incidentele premies of andere

bijzondere uitkeringen worden echter geregistreerd op het moment dat ze verschuldigd zijn

(ESR 1995, 4.12).

3.010. Belastingen op productie worden geregistreerd op het moment dat zich activiteiten,

transacties of andere gebeurtenissen voordoen die verplichten tot het betalen van belasting

(ESR 1995, 4.26). Evenzo worden subsidies geregistreerd op het moment dat de transactie

of de gebeurtenis (productieproces, verkoop, invoer enz.) die aanleiding geeft tot subsidie,

plaatsvindt (ESR 1995, 4.39).

  • c) 
    Inkomen uit vermogen

3.011. Rente wordt geregistreerd gedurende de verslagperiode waarin deze verschuldigd is,

ongeacht of de rente ook werkelijk is uitbetaald, en naar rato van de periode waarin de

hoofdsom heeft uitgestaan (ESR 1995, 4.50 e.v.). Ook inkomen uit grond wordt

geregistreerd in de periode waarin deze verschuldigd is (ESR 1995 4.75).

  • d) 
    Kapitaaloverdrachten

3.012. Kapitaaloverdrachten (investeringsbijdragen of andere kapitaaloverdrachten) worden

geregistreerd op het moment dat de betaling verschuldigd is (of op het moment dat de

eigendom van de activa wordt overgedragen of dat de schuld wordt kwijtgescholden,

indien het gaat om overdrachten in natura) (ESR 1995 4.162 en 4.166).

  • 4. 
    Algemene opmerkingen over de toegevoegde waarde

3.013. De toegevoegde waarde is het saldo van de productierekening: het verschil tussen de

waarde van de output en die van het intermediair verbruik (ongeacht het outputconcept dat

wordt toegepast, want het intermediair verbruik wordt dienovereenkomstig gewijzigd). Het

gaat om een essentiële maatstaf voor de waardering van de productiviteit van een

economie of een bedrijfstak. De toegevoegde waarde kan bruto of netto worden

geregistreerd, d.w.z. vóór of na aftrek van het verbruik van vaste activa. De netto

toegevoegde waarde is het enige middel van de inkomensvormingsrekening. In

overeenstemming met de wijze waarop de output en het intermediair verbruik worden

gewaardeerd (resp. basis- en aankoopprijs), wordt de netto toegevoegde waarde berekend

in basisprijzen.

3.014. Door van de toegevoegde waarde tegen basisprijzen de niet-productgebonden belastingen

op producten af te trekken en er de niet-productgebonden subsidies bij op te tellen krijgt

men de toegevoegde waarde tegen factorkosten. De netto toegevoegde waarde tegen

factorkosten is het inkomen van de productiefactoren.

C. BELONING VAN WERKNEMERS

(zie ESR 1995, 4.02-4.13)

· sociale premies t.l.v. werkgevers (werkelijke en toegerekende premies).

3.016. De brutolonen in geld omvatten:

  • a) 
    periodiek verschuldigde directe basislonen;
  • b) 
    toeslagen voor overwerk, nachtdienst, werk in het weekend, werk onder

onaangename of gevaarlijke omstandigheden enz.;

  • c) 
    toeslagen voor kosten van levensonderhoud en ontheemdingstoeslagen;
  • d) 
    loontoeslagen zoals bijvoorbeeld kerst- en nieuwjaarsgratificaties, vakantiegeld,

productiviteitspremies, vergoedingen wegens waarneming hogere functie;

  • e) 
    vergoedingen voor het woon-werkverkeer 1;
  • f) 
    beloning voor niet-gewerkte officiële feestdagen, betaalde vakantie;
  • g) 
    commissies, fooien en presentiegelden;
  • h) 
    incidentele premies of andere bijzondere betalingen die samenhangen met het

algemene resultaat van de onderneming in het kader van winstdelingsregelingen;

  • i) 
    uitkeringen van werkgevers aan hun werknemers in het kader van spaarregelingen;
  • j) 
    bijzondere uitkeringen aan werknemers die de onderneming verlaten, die niet zijn

vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst;

  • k) 
    huisvestingstoelagen die door werkgevers aan hun werknemers worden uitbetaald.

3.017. Bij de gegevens die hier moeten worden geregistreerd, gaat het om brutolonen, inclusief

loonbelasting en eventuele opcenten hierop, alsmede de sociale premies t.l.v. werknemers.

Wanneer werkgevers hun werknemers nettolonen uitbetalen, moeten deze daarom met

deze posten worden verhoogd.

3.018. De lonen in natura omvatten goederen en diensten die gratis of tegen gereduceerde prijzen

door werkgevers worden verstrekt en waarvan werknemers en hun gezin naar eigen

goeddunken gebruik kunnen maken ter bevrediging van hun behoeften en wensen.

Dergelijke goederen en diensten zijn niet noodzakelijk voor het productieproces. Het

bedrag komt overeen met de waarde van het verleende voordeel: de waarde van de

goederen indien deze gratis zijn verstrekt, het verschil tussen deze waarde en het door de

werknemer betaalde bedrag wanneer het goed tegen een gereduceerde prijs wordt verstrekt.

Voor de landbouwrekeningen zijn vooral de volgende elementen van belang.

  • a) 
    landbouwproducten die gratis of tegen een gereduceerde prijs bij wijze van beloning
  • b) 
    woondiensten, in eigen beheer verzorgd, die gratis of tegen een gereduceerde prijs

aan de werknemers ter beschikking worden gesteld 1;

  • c) 
    door werkgevers gekochte goederen en diensten, mits deze beantwoorden aan de

definitie van loon in natura (het gaat dus niet om intermediair verbruik). Vooral het

vervoer van werknemers van en naar het werk maakt deel uit van het loon in natura,

behalve wanneer dit tijdens werktijd plaatsvindt. Deze categorie omvat ook gekochte

woondiensten, kinderopvangverblijven enz. (ESR 1995, 4.05).

3.019. Lonen in natura moeten worden gewaardeerd tegen basis- of aankoopprijzen (naargelang

de betrokken producten door de eenheid zijn geproduceerd of elders zijn gekocht).

3.020. De lonen omvatten daarentegen geen uitgaven van werkgevers die ook aan henzelf ten

goede komen en die dus in het belang van het bedrijf worden toegekend. Hierbij gaat het

onder meer om: toelagen voor of vergoedingen van reis-, verblijf- en verhuiskosten die

werknemers voor de uitoefening van hun werk maken, representatiekosten van

werknemers ten bate van de onderneming, uitgaven ter veraangenaming van de

werkomgeving (b.v. recreatieve en sportinrichtingen). Ook toelagen in geld die werkgevers

aan hun werknemers verstrekken voor de aankoop van gereedschap of speciale

werkkleding (waaronder ook moet worden begrepen het gedeelte van het loon dat

werknemers krachtens hun arbeidsovereenkomst aan dergelijke aankopen moeten

3.021. De sociale premies t.l.v. werkgevers behelzen een bedrag gelijk aan de waarde van de

sociale premies die ten laste van werkgevers komen om het recht van hun werknemers op

sociale uitkeringen te waarborgen (met uitzondering evenwel van premies t.l.v.

werknemers die op het loon worden ingehouden (zie 3.017). Het kan hierbij om werkelijke

of toegerekende premies gaan.

3.022. De werkelijke sociale premies zijn de bedragen die de werkgevers aan de verzekeraars

(wettelijke-socialeverzekeringsinstellingen en particuliere verzekeringsregelingen) betalen

voor de wettelijke, op collectieve arbeidsovereenkomsten berustende, contractuele en

vrijwillige premies voor verzekering tegen sociale risico's en behoeften. Hoewel de

premies rechtstreeks door de werkgevers aan de verzekeraars worden betaald, worden ze

beschouwd als een bestanddeel van de beloning van werknemers, dat door hen vervolgens

aan de verzekeraars wordt betaald.

3.023. De toegerekende sociale premies vertegenwoordigen de tegenwaarde van de niet-

gekapitaliseerde sociale uitkeringen die rechtstreeks door de werkgevers aan hun

werknemers of voormalige werknemers worden verstrekt zonder tussenkomst van enige

verzekeringsmaatschappij of zelfstandig pensioenfonds 1 (ESR 1995, 4.10). Deze premies

worden geregistreerd in het tijdvak dat de arbeid is verricht (als tegenwaarde voor

verplichte sociale uitkeringen) of wanneer de uitkeringen zijn verstrekt (als tegenwaarde

voor vrijwillige sociale uitkeringen).

D. BELASTINGEN OP PRODUCTIE EN INVOER

(zie ESR 1995, 4.14 -4.29)

3.025. De belastingen op productie en invoer zijn verplichte betalingen om niet, in geld of in

natura, die door de overheid of door de Instellingen van de Europese Unie worden

opgelegd in verband met de productie of de invoer van goederen en diensten, het in dienst

hebben van arbeidskrachten en de eigendom of het gebruik van grond, gebouwen of andere

activa die in het productieproces worden aangewend. Deze belastingen zijn verschuldigd

ongeacht of er winst wordt gemaakt (ESR 1995, 4.14).

3.026. De belastingen op productie kunnen worden ingedeeld in:

· productgebonden belastingen,

  • belasting over de toegevoegde waarde (BTW),
  • belastingen op invoer (exclusief BTW), en
  • overige productgebonden belastingen,

· niet-productgebonden belastingen op producten.

  • 1. 
    Productgebonden belastingen

3.027. Productgebonden belastingen zijn belastingen die moeten worden betaald per eenheid van

een goed of dienst die is geproduceerd of verhandeld. De belasting kan een bepaald bedrag

per kwantitatieve eenheid van een goed of een dienst zijn, of worden berekend als een

bepaald percentage van de prijs per eenheid of van de waarde van de geproduceerde of

verhandelde goederen en diensten (ESR 1995, 4.16).

3.028. De belasting over de toegevoegde waarde (BTW) is een belasting op goederen en diensten,

die op de verschillende momenten van levering door ondernemingen wordt geïnd en

uiteindelijk volledig ten laste komt van de eindgebruikers. Behalve de belasting over de

toegevoegde waarde omvat deze rubriek ook andere aftrekbare belastingen die op grond

van soortgelijke regels als voor de BTW worden geheven 1.

3.029. De belastingen op invoer (exclusief BTW) omvatten de verplichte betalingen die door de

overheid of door de Instellingen van de Europese Unie worden geheven op ingevoerde

goederen, exclusief de BTW, teneinde deze goederen vrij te maken voor het verkeer in het

economisch gebied, alsmede op diensten aan ingezeten eenheden die worden geleverd door

niet-ingezeten eenheden.

3.030. Hiertoe behoren invoerrechten en andere belastingen op invoer zoals heffingen op

ingevoerde landbouwproducten, monetaire compenserende bedragen geheven op

3.031. De overige productgebonden belastingen zijn de belastingen op door ingezeten

ondernemingen geproduceerde goederen en diensten, die verschuldigd zijn als gevolg van

de productie, uitvoer, verkoop, overdracht, lease of levering van die goederen en diensten,

of als gevolg van het gebruik ervan voor eigen consumptie of investeringen in eigen beheer

(ESR 1995 4.19).

3.032. Voor de landbouw gaat het hierbij vooral om:

· belastingen op suikerbieten;

· boetes voor overschrijding van de melkquota;

· medeverantwoordelijkheidsheffingen voor melk en granen.

3.033. Omdat de output tegen de basisprijs wordt geregistreerd, worden productgebonden

belastingen in de productierekening geregistreerd (zie 2.082-2.086) en niet in de

inkomensvormingsrekening. Ze moeten worden geregistreerd wanneer de activiteiten,

transacties of gebeurtenissen die tot de betalingsverplichting leiden, plaatsvinden.

Aangezien registratie in de LR zonder aftrekbare BTW geschiedt, komt de niet-aftrekbare

BTW als enige omzetbelasting in de rekeningen voor. Daarom wordt de BTW niet in de

rekeningen geregistreerd, afgezien van de ondercompensatie van BTW, die in de niet-

productgebonden belastingen op productie is begrepen (zie 3.048 (g)).

3.034. De productgebonden belastingen (met uitzondering van de BTW) die worden geheven op

bepaald intermediair verbruik van de landbouw, moeten in de productierekening in de

aankoopprijs van het intermediair verbruik zijn begrepen (zie 2.110-2.113). Dit betreft

bijvoorbeeld belastingen die in sommige lidstaten worden geheven op suiker en op alcohol

die voor de wijnbereiding wordt gebruikt. Bij deze belastingen gaat het om

productgebonden belastingen op producten van de levensmiddelenindustrie, die moeten

worden toegevoegd aan de waarde van het intermediair verbruik van de bedrijfstak

landbouw.

  • 2. 
    Behandeling van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW)

3.035. De in het ESR 1995 (4.17) gegeven beschrijving is die van het normale BTW-stelsel,

waarbij iedere onderneming van het bedrag dat zij uit hoofde van de BTW over haar

verkopen verschuldigd is, het bedrag aan belastingen mag aftrekken dat zij op haar

aankopen van intermediaire producten of kapitaalgoederen heeft betaald. Naast het

normale BTW-stelsel zijn er voor de landbouw speciale regelingen (forfaitaire BTW-

stelsels), die van lidstaat tot lidstaat verschillen.

3.036. De in de lidstaten toegepaste forfaitaire waarderingssystemen kunnen in twee groepen

worden ingedeeld afhankelijk van de wijze van compensatie van de op de aankopen

betaalde BTW:

· in de vorm van een terugbetaling. In dit geval verkopen de landbouwers hun producten

exclusief BTW. Vervolgens krijgen zij van de belastingdienst op hun verzoek een

terugbetaling volgens een op hun verkopen toegepast forfaitair percentage 1 om hen te

compenseren voor de BTW die zij op hun aankopen hebben betaald.

  • a) 
    Definities

3.037. De volgende begrippen voor het normale BTW-stelsel zijn ook op de forfaitaire stelsels

van toepassing:

  • a) 
    door de producent in rekening gebrachte BTW: de BTW die de producent berekent

tegen het tarief dat voor het verkochte product geldt en die hij iedere binnenlandse

koper in rekening brengt;

  • b) 
    aan de producent op zijn aankopen voor intermediair verbruik in rekening gebrachte

BTW: de BTW die wordt berekend tegen het tarief dat voor het gekochte product

geldt en die de producent heeft betaald op zijn intermediaire input; dit wordt ook

aftrekbare BTW 2 op intermediair verbruik genoemd;

  • c) 
    aan de producent op zijn aankopen van vaste activa in rekening gebrachte BTW:

deze wordt aftrekbare BTW op aankopen van vaste activa genoemd;

  • d) 
    BTW die de producent op zijn lopende transacties verschuldigd is: het saldo van de

door de producent in rekening gebrachte BTW en de aan de producent op zijn

aankopen voor intermediair verbruik in rekening gebrachte BTW (a - b);

  • e) 
    totale door de producent betaalde BTW: het saldo van de door de producent in

rekening gebrachte BTW en de totale BTW die aan de producent op zijn aankopen

van goederen voor intermediair verbruik en van vaste activa in rekening is gebracht

(a - b - c).

3.038. Het ESR 1995 schrijft nettoregistratie van de BTW voor, wat betekent dat de prijzen van

in- en output worden geregistreerd zonder aftrekbare BTW.

3.039. Vanuit fiscaal oogpunt wordt BTW gezien als een transitorische post bij de producenten,

zodat de aftrekbare BTW die een producent op zijn aankopen moet betalen, geen deel

uitmaakt van de door de producent berekende werkelijke kosten en alleen mag worden

beschouwd als een aanbetaling van de BTW die de producent over zijn eigen omzet moet

berekenen, waarna hij alleen het verschil nog aan de belasting hoeft af te dragen.

Aangezien in het algemeen de consument de BTW op een product moet betalen, treedt de

producent, en met hem de producenten van de voor intermediair verbruik benodigde

producten, als tussenpersoon voor de belastingdienst op. Indien de producent daarentegen

niet de mogelijkheid heeft de belasting op zijn aankopen af te trekken (of terug te krijgen)

3.040. Landbouwers voor wie het normale systeem geldt, hebben geen enkel registratieprobleem;

de op de verkochte of anderszins vervreemde producten in rekening gebrachte BTW wordt

in de LR niet in aanmerking genomen en komt niet voor in de voor de waardering van de

finale output gebruikte prijs. De aftrekbare BTW die is betaald op de aankopen van

goederen voor intermediair verbruik en van vaste activa, maakt bij de berekening van de

uitgaven voor de LR ook geen deel meer uit van de desbetreffende prijzen.

3.041. Er doen zich echter wel registratieproblemen voor bij landbouwers voor wie de forfaitaire

stelsels (zie 3.035 e.v.) gelden. Uiteraard zal de aan elk van de landbouwers gegeven

compensatie maar zelden precies gelijk zijn aan het BTW-bedrag dat zij op hun aankopen

hebben betaald. Bij forfaitaire stelsels wordt de BTW op dezelfde wijze als bij het normale

stelsel geregistreerd, d.w.z. exclusief BTW voor de verschillende elementen van de finale

output en exclusief aftrekbare BTW voor de verschillende elementen van het intermediair

verbruik en de bruto-investeringen in vaste activa.

Het verschil tussen de forfaitaire compensatie die in het forfaitaire stelsel aan de

landbouwers wordt toegekend en het bedrag aan BTW dat ze hadden kunnen aftrekken

wanneer het normale BTW-stelsel op hen van toepassing zou zijn geweest, is de over- dan

wel ondercompensatie. Iedere over- of ondercompensatie moet afzonderlijk in de LR

worden geregistreerd.

3.042. Over- en ondercompensatie van de BTW in het kader van de forfaitaire stelsels moet als

volgt worden geregistreerd:

· overcompensatie van op aankopen betaalde BTW wordt geregistreerd als niet-

productgebonden subsidies;

· ondercompensatie van op aankopen betaalde BTW wordt geregistreerd als niet-

productgebonden belastingen op productie.

BTW op aankopen is de BTW die de landbouwers in het forfaitaire stelsel hadden kunnen

aftrekken wanneer op hen het normale BTW-stelsel van toepassing zou zijn geweest.

3.043. Het voordeel van dit systeem is een homogene behandeling van de output, het intermediair

verbruik en de bruto-investeringen in vaste activa in de landbouw, ongeacht de wijze

waarop de landbouwers BTW moeten betalen. Bovendien leidt dit tot een symmetrische

behandeling van de over- en ondercompensatie van de BTW ten opzichte van de bruto

toegevoegde waarde in basisprijzen, waardoor deze onafhankelijk van het gekozen BTW-

stelsel kan worden berekend en de harmonisatie en vergelijkbaarheid van de

landbouwrekeningen van de lidstaten worden verbeterd (zie 3.033).

  • 3. 
    Niet-productgebonden belastingen op productie

3.044. De niet-productgebonden belastingen op productie omvatten alle belastingen die

ondernemingen moeten betalen voor hun productieactiviteit, ongeacht de hoeveelheid of de

waarde van de geproduceerde of verkochte goederen en diensten (ESR 1995, 4.22). Het

betreft belastingen op grond, vaste activa of werknemers die bij het productieproces zijn

betrokken.

3.045. De niet-productgebonden belastingen op productie zijn de enige belastingen die worden

geregistreerd in de inkomensvormingsrekening van de bedrijfstak. Ze komen voor in de

rekeningen van de bedrijfstakken of sectoren die ze betalen (betalingscriterium).

3.046. De belastingen die in de inkomensvormingsrekening van de bedrijfstak landbouw moeten

worden geregistreerd, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • a) 
    ze zijn verplicht;
  • b) 
    ze worden rechtstreeks door de bedrijfstak landbouw betaald;
  • c) 
    ze worden betaald aan de overheid of aan de Instellingen van de Europese Unie;
  • d) 
    het gaat om niet-productgebonden belastingen op productie (zie 3.044).

3.047. Gezien de uiteenlopende historische ontwikkeling van de openbare financiën in de

lidstaten ziet men een grote verscheidenheid aan belastingen op productie. Voor de

landbouw zijn twee niet-productgebonden belastingen op productie vrij belangrijk:

grondbelasting en motorrijtuigenbelasting.

3.048. Voor de landbouw omvatten de niet-productgebonden belastingen op productie vooral:

  • a) 
    grondbelasting en andere belastingen op het gebruik van grond en bouwwerken die

voor productiedoeleinden worden gebruikt (ongeacht of de landbouweenheid hiervan

eigenaar is of deze gepacht heeft);

  • b) 
    belastingen op het gebruik van vaste activa voor productiedoeleinden, zoals

motorvoertuigen, machines of andere werktuigen (ongeacht of de landbouweenheid

hiervan eigenaar is of deze gehuurd heeft);

  • c) 
    belastingen over de totale door de werkgever betaalde loonsom;
  • d) 
    milieuheffingen op productieactiviteiten;
  • e) 
    belastingen die ondernemingen betalen voor het verkrijgen van bedrijfs- of

beroepsvergunningen indien deze automatisch worden afgegeven na betaling van de

verschuldigde bedragen. Indien aan deze betalingen een bepaalde controlerende

functie is verbonden (deskundigheid, beroepskwalificatie enz.), worden ze gezien als

  • f) 
    heffingen op water die uitsluitend als belasting worden betaald en niet in verhouding

staan tot de verbruikte hoeveelheid water;

  • g) 
    ondercompensatie van BTW als gevolg van het forfaitaire BTW-stelsel (zie 3.041 en

3.042).

3.049. Omdat de registratie op transactiebasis plaatsvindt, worden belastingen op productie

geregistreerd op het moment waarop de belastingplicht ontstaat. Voor de

ondercompensatie van BTW zijn dit het moment van aankoop van de goederen en diensten

voor intermediair verbruik en de bruto-investeringen in vaste activa die tot de

ondercompensatie van BTW leiden (en niet het moment van de terugbetaling).

3.050. De niet-productgebonden belastingen op productie omvatten niet:

  • a) 
    verplichte betalingen die weliswaar direct door de bedrijfstak landbouw worden

verricht, maar die niet zijn bestemd voor de overheid of voor de Instellingen van de

Europese Unie. Deze betalingen worden beschouwd als de aankoop van

marktdiensten bij de ontvanger van de betaling en worden daarom geregistreerd als

intermediair verbruik van de landbouw;

  • b) 
    boeterente voor te late betaling of door de belasting opgelegde boetes, alsmede de

kosten van inning. Deze bedragen mogen niet worden geregistreerd bij de

  • c) 
    verplichte betalingen die niet worden geheven door de overheid of de Instellingen

van de Europese Unie, die weliswaar ten laste van de landbouw komen, maar niet

rechtstreeks door deze worden betaald, maar door een bedrijfstak die klant van de

landbouw is. Deze betalingen moeten als intermediair verbruik van de gebruikende

bedrijfstak worden geregistreerd;

  • d) 
    belastingen die gewoonlijk worden geheven op de winst of het vermogen, zoals

lastencompensatie-, inkomsten-, vennootschaps- en vermogensbelastingen. Deze

moeten worden opgenomen bij de belastingen op inkomen, vermogen enz. in de

secundaire inkomensverdelingsrekening;

  • e) 
    successie- en schenkingsrechten, alsmede buitengewone vermogensheffingen. Deze

moeten worden ingedeeld bij de vermogensheffingen in de kapitaalrekening;

  • f) 
    waterbelasting die al dan niet rechtstreeks gekoppeld is aan de verbruikte

hoeveelheden.

E. SUBSIDIES

(zie ESR 1995, 4.30 -4.40)

3.051. Subsidies zijn betalingen om niet die door de overheid of de Instellingen van de Europese

Unie worden gedaan aan ingezeten producenten met het doel de productieniveaus, de

3.052. Subsidies zijn ingedeeld in:

· productgebonden subsidies:

  • subsidies op invoer,
  • overige productgebonden subsidies, en

· niet-productgebonden subsidies.

  • 1. 
    Productgebonden subsidies

3.053. Productgebonden subsidies worden uitgekeerd per geproduceerde of ingevoerde eenheid

van een goed of een dienst. De subsidie kan een bepaald bedrag per kwantitatieve eenheid

van een goed of een dienst zijn, of worden berekend als een bepaald percentage van de

prijs per eenheid. Een subsidie kan ook worden berekend als het verschil tussen een

bepaalde richtprijs ("specified target price") en de prijs die een koper werkelijk op de

markt betaalt. Een productgebonden subsidie wordt gewoonlijk uitgekeerd wanneer het

product wordt gemaakt, verkocht of ingevoerd. Volgens afspraak kunnen productgebonden

subsidies alleen betrekking hebben op marktoutput of op output voor eigen finaal gebruik

(ESR 1995, 4.33).

3.054. Subsidies op invoer zijn subsidies op goederen en diensten, die worden verleend wanneer

de goederen de grens passeren voor gebruik in het economisch gebied of wanneer de

diensten worden verleend aan ingezeten institutionele eenheden. Hiertoe behoren ook

verliezen van handelsorganisaties in handen van de overheid die, in het kader van een

gericht overheidsbeleid, tot taak hebben producten van niet-ingezetenen te kopen om deze

vervolgens tegen lagere prijzen te verkopen aan ingezetenen (ESR 1995, 4.34).

3.055. Productgebonden subsidies worden bij de waardering van de output in basisprijzen

meegerekend (zie 2.082-2.086) en verschijnen dus niet in de inkomensvormingsrekening

van de bedrijfstak. Productgebonden subsidies (d.w.z. op invoer of andere) voor de

aankoop van producten voor intermediair verbruik of van vaste activa, die leiden tot lagere

aankoopprijzen, worden bij de waardering van het intermediair verbruik of de BIVA tegen

aankoopprijzen in aanmerking genomen (zie 2.110-2.113), waardoor de kosten van de

producten of de vaste activa lager uitvallen.

3.056. Omdat de output tegen basisprijzen wordt gewaardeerd, moet er een fundamenteel

onderscheid worden gemaakt tussen productgebonden en niet-productgebonden subsidies.

Overeenkomstig hun definitie betreffen subsidies op landbouwproducten vooral de

volgende vormen van steun (met een aanduiding van het begrotingsonderdeel in de

algemene begroting van de Europese Unie):

· bepaalde vormen van steun in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk

landbouwbeleid (GLB). Het gaat om compensatiebedragen voor akkerbouwgewassen

(granen en eiwitrijke en oliehoudende gewassen) (B1-104 en B1-1050 tot en met

B1 - 1055) en premies voor rundvlees (premies voor zoogkoeien en speciale premies

B1 - 2120 tot en met B1-2122, B1-2127). Deze indeling is gebaseerd op drie

overwegingen:

  • het begrip productgebonden subsidies is in het ESR 1995 uitgebreid tot subsidies

die worden verstrekt in de vorm van "deficiency payments". De compenserende

betalingen voor akkerbouwgewassen lijken qua toepassing op "deficiency

payments". Bovendien is er een zeer nauw verband tussen het bedrag ervan en de

geproduceerde hoeveelheden (op macro-economisch niveau);

  • de werking en de economische gevolgen van de hervorming van het GLB: deze

steun vindt plaats in het kader van een beleid dat ondanks een zekere ontkoppeling

van de hoogte van de steun en de landbouwproductie resp. de omvang van het

gebruik van productiemiddelen (alleen de verdeling tussen de verschillende

soorten steun - steun in de vorm van uitvoerrestituties, interventies en

rechtstreekse steun - is gewijzigd) in wezen een productgebonden beleid is

gebleven, waarbij marktsteun met directe steun wordt verbonden, in combinatie

met maatregelen ter beheersing van de productie;

  • bij het bedrag waarmee de runderpremie in het kader van de herziening van het

GLB steeg, gaat het om een compenserend bedrag in verband met de daling van

de interventieprijs voor runderen. Deze steun moet om dezelfde reden als de

compenserende bedragen voor akkerbouwgewassen als productgebonden subsidie

worden aangemerkt. Ondanks een ingewikkelder behandeling van deze premies

vóór de hervorming van het GLB werd overeengekomen de premies niet in

tweeën te delen om zo een zekere coherentie met de compenserende betalingen

voor akkerbouwgewassen te bereiken;

· productiesteun voor olijfolie (B1-1210);

· productiesteun voor vezelgewassen (vezelvlas, hennep; B1-140);

· productiesteun voor zijderupsen (B1-1420);

· productiesteun voor bananen (B1-1508, alleen voor zover het gaat om compenserende

steun);

· productiesteun voor krenten en rozijnen (B1-1513);

· productiesteun voor zaaizaad (B1-180);

· productiesteun voor hop (B1-181);

· premies per ooi en per geit (B1-2220);

· alle subsidies die in de vorm van "deficiency payments" aan landbouwers worden

verstrekt (d.w.z. wanneer de overheid aan producenten van landbouwproducten het

verschil tussen de gemiddelde marktprijs en de garantieprijs voor landbouwproducten

betaalt);

  • b) 
    Subsidies op landbouwproducten die worden verstrekt aan andere economische eenheden

· restituties voor de uitvoer van granen (B1-100), verse groenten en fruit (B1-1500) enz.;

· productiesteun voor oliehoudende gewassen (vóór 1992), eiwitrijke gewassen en vlas

(vóór 1993);

· productiesteun voor aardappelzetmeel (B1-1021);

· productiesteun voor gedroogde voedergewassen (B1-130);

· productiesteun voor katoen (B1-141);

· steun voor het gebruik van most (B1-163);

· premies voor de tabaksproductie (B1-171).

Bij al deze subsidies gaat het om subsidies op landbouwproducten. Toch wordt uitsluitend

de aan landbouwproducenten verstrekte steun (d.w.z. de eerste groep) aan de door de

producenten ontvangen marktprijzen toegevoegd om aldus de basisprijs te verkrijgen. De

subsidies op landbouwproducten die aan andere economische eenheden worden verstrekt

(d.w.z. de tweede groep), worden niet in de LR geregistreerd. Wanneer het bij de

betrokken landbouwproducten gaat om intermediair verbruik voor de levensmiddelen-

industrie, wordt het bedrag van deze steun afgetrokken van het intermediair verbruik van

deze bedrijfstak.

3.057. Productgebonden subsidies moeten worden geregistreerd op het moment dat de transactie

of het feit waardoor men subsidie krijgt (productie, verkoop, invoer enz.) plaatsvindt,

teneinde de samenhang met de rest van de rekeningen te behouden (d.w.z. berekening van

de output tegen de basisprijs). Daarom moeten compenserende betalingen voor

akkerbouwgewassen bijvoorbeeld op het moment van de oogst worden geregistreerd,

terwijl speciale premies voor runderen of zoogkoeien en premies per ooi worden

geregistreerd op het moment dat de dieren worden gehouden en/of op het moment waarop

de steun wordt aangevraagd.

  • 2. 
    Niet-productgebonden subsidies

3.058. Niet-productgebonden subsidies zijn subsidies, met uitzondering van productgebonden

subsidies, die ingezeten productie-eenheden kunnen ontvangen in het kader van hun

productieactiviteiten. Overige niet-marktproducenten kunnen voor hun overige niet-

marktoutput alleen niet-productgebonden subsidies ontvangen indien deze betalingen door

de overheid gebaseerd zijn op algemene regelingen die zowel voor markt- als voor niet-

marktproducenten gelden (ESR 1995, 4.36). Het ESR 1995 noemt vier niet-

productgebonden subsidies (ESR 1995, 4.37): subsidies op de loonsom of het aantal

werknemers, milieusubsidies, rentesubsidies en overcompensatie van de BTW. Deze

betalingen betreffen hoofdzakelijk de overname van productiekosten of steun bij een

verandering van productiemethode.

3.059. Omdat de output tegen basisprijzen wordt gewaardeerd, worden alleen niet-

productgebonden subsidies in de inkomensvormingsrekening geregistreerd (als negatieve

bestedingen).

  • a) 
    Aard van de begunstigde

3.060. Om subsidies te krijgen moeten normaliter goederen en diensten worden geproduceerd die

voor de markt of voor eigen finaal gebruik zijn bestemd. Marktgoederen en -diensten zijn

alle goederen en diensten die op de markt worden afgezet of hiervoor zijn bestemd. De

producten kunnen worden verkocht, geruild, gebruikt voor betaling in natura of opgeslagen

om later te worden gebruikt voor een of meer van de hierboven genoemde vormen van

besteding. De productie voor eigen finaal gebruik betreft producten die worden bewaard

voor consumptie door of bruto-investeringen in vaste activa van dezelfde eenheid. Toch

kunnen ook niet-marktproducenten van niet-productgebonden subsidies profiteren indien

hierop algemene regelingen van toepassing zijn die zowel voor markt- als voor niet-

marktproducenten gelden.

3.061. De productie van marktdiensten omvat ook diensten die worden geleverd door de handel

en de opslag. Er kunnen dus ook subsidies worden toegekend aan de handel en de

marktregulerende organisaties wier activiteit bestaat in het kopen, opslaan en

doorverkopen van landbouwproducten (zie 3.068 en 3.069 over marktregulerende

instellingen).

  • b) 
    Doelen van de niet-productgebonden subsidies

3.062. Niet-productgebonden subsidies kunnen, volgens het ESR 1995, ook worden toegekend

wanneer de gevolgen voor de verkoopprijs of de toereikende beloning van de

  • c) 
    Betalingscriterium

3.063. Afgezien van de rentesubsidies, waarbij het om een speciale vorm van subsidies gaat,

worden de niet-productgebonden subsidies geregistreerd in de inkomensvormingsrekening

van de bedrijfstakken of de sectoren waaraan ze worden betaald. Dientengevolge wordt in

de LR niet alle steun aan de landbouw in aanmerking genomen. Afgezien van de directe

steun hebben de productie-eenheden in de landbouw immers ook voordeel van subsidies

(in de zin van het ESR 1995) die worden betaald aan toeleverende en afnemende

bedrijfstakken en vooral aan marktregulerende instellingen 1.

3.064. Voor de landbouw gaat het bij de niet-productgebonden subsidies vooral om:

· subsidies op de loonsom of het aantal werknemers;

· rentesubsidies (ESR 1995, 4.37 (c)) aan ingezeten productie-eenheden, ook al hebben

zij de stimulering van investeringen ten doel 2. Bij deze subsidies gaat het immers om

inkomensoverdrachten om de exploitatielasten van de producenten te verlichten. Zij

worden geregistreerd als subsidies aan de begunstigde producenten, ook al wordt het

renteverschil in feite rechtstreeks door de overheid uitgekeerd aan de kredietinstelling

die de lening heeft toegekend (in afwijking van het betalingscriterium);

· overcompensatie van de BTW als gevolg van het forfaitaire stelsel (zie 3.041 en 3.042);

· de overname van sociale premies en grondbelasting;

· de overname van andere kosten zoals steun voor de particuliere opslag van wijn en

druivenmost en de hernieuwde opslag van tafelwijn (B1-1610) (voor zover het bij de

eigenaar van de voorraden om een landbouweenheid gaat);

· diverse niet-productgebonden subsidies:

  • steun voor het uit de productie nemen van bouwland (het verplicht uit de

productie nemen van bouwland gekoppeld aan steun per hectare in het kader van

de hervorming van het GLB, B1-1060, en vijfjarenregeling inzake het uit de

productie nemen van bouwland, B1-1062);

  • financiële compensaties voor het uit de markt nemen van verse groenten en fruit

in geval van een ernstige crisis (B1-1501). Deze betalingen worden vaak aan

groepen marktproducenten toegekend en moeten worden behandeld als subsidies

aan de landbouw omdat ze rechtstreekse compensatie bieden voor een

productieverlies;

  • premies voor runderen in de vorm van seizoencorrectiepremies, verwerkings-

premies voor jonge stierkalveren en premies voor extensivering (B1-2123 tot en

  • steun voor de landbouwproductie in minder ontwikkelde gebieden en/of

berggebieden;

  • andere steun die wordt toegekend ter stimulering van productiemethoden

(extensivering, milieubeschermende methoden enz.);

  • bedragen die aan landbouwers worden uitgekeerd ter compensatie van periodieke

voorraadverliezen, bijvoorbeeld aan plantaardige producten of dieren die als

onderhanden werk worden beschouwd, of van verliezen aan aanplantingen die nog in

de groeifase zijn (zie 2.040-2.045). Overdrachten ter compensatie van

voorraadverliezen en/of van verliezen aan aanplantingen die als productiefactoren

worden gebruikt, worden daarentegen als overige kapitaaloverdrachten in de

kapitaalrekening geregistreerd.

3.065. Registratie van niet-productgebonden subsidies op transactiebasis kan problemen

opleveren. Omdat het niet eenvoudig is een algemene regel vast te stellen, moet dit

beginsel coherent, flexibel en pragmatisch worden toegepast. Omdat een groot aantal

landbouwsubsidies gekoppeld is aan de productie en de productiefactoren (areaal,

veestapel enz.), moet de registratie meestal gebeuren op het moment dat de productie

plaatsvindt of wanneer de productiefactoren worden verworven (vooral bij grond en

dieren). Wanneer de subsidies niet rechtstreeks met de productie of de productiefactoren

3.066. Onderstaande speciale behandelingen worden aanbevolen:

· compenserende betalingen voor het uit de productie nemen van bouwland: op het

moment van de aangifte van het areaal;

· uit de markt nemen van producten (groente/fruit): op het moment dat dit fysiek gebeurt

gedurende het landbouwjaar, en niet het kalenderjaar, zodat er een samenhang is tussen

de waardering van de output, zonder de tijdens het landbouwjaar uit de markt genomen

hoeveelheden, en de registratie van de subsidies (als negatieve bestedingen) in de

inkomensvormingsrekening;

· steun voor de rundveeproductie (premies voor extensivering enz.): op het moment dat

de dieren door de landbouwers worden aangeschaft en op het moment dat de aanvragen

worden ingediend;

· overname van kosten (waaronder rentesubsidies): op het moment dat de kosten en de

rente moeten worden betaald;

· schadeloosstelling voor periodieke verliezen met betrekking tot de output (plantaardige

producten, dieren en aanplantingen die nog in de groeifase zijn, zie 3.064): op het

moment dat de output in de LR wordt geregistreerd (indien de schadeloosstelling

precies en met zekerheid bekend is);

· overige niet direct met producten of productiefactoren verbonden subsidies (zoals

directe inkomenssteun, steun aan minder ontwikkelde gebieden enz.): aanbevolen wordt

gebruik te blijven maken van het overmakingscriterium omdat het moeilijk is vast te

stellen wanneer de verzoeken om schadeloosstelling worden ingediend en of de

bedragen zeker zijn.

3.067. Tot de subsidies in de LR behoren niet:

· inkomensoverdrachten die weliswaar subsidies in de zin van de LR zijn, maar die niet

aan landbouwproductie-eenheden worden verstrekt. Dit betreft vooral subsidies aan

marktregulerende instellingen. Hoewel de toegekende bedragen de verkoopprijzen van

landbouwproducten wel kunnen beïnvloeden en aldus de landbouw kunnen stimuleren,

moeten ze overeenkomstig het betalingscriterium worden geregistreerd in de rubriek

voor de bedrijfstak die het geld ontvangt;

· inkomensoverdrachten van marktregulerende instellingen aan landbouwproductie-

eenheden. Deze moeten als element van de output van het product waarvoor de

overdracht plaatsvindt, worden geregistreerd indien de marktregulerende instelling

alleen goederen aankoopt, verkoopt of opslaat. Indien de instelling daarentegen alleen

subsidies verstrekt, moeten de inkomensoverdrachten aan productie-eenheden wel als

subsidie worden geregistreerd (zie 3.068 en 3.069);

· buitengewone betalingen van beroepsorganisaties aan landbouwproductie-eenheden. Bij

deze betalingen kan het niet om subsidies gaan omdat deze organisaties geen

overheidsinstanties zijn;

· inkomensoverdrachten van de overheid aan huishoudens in hun hoedanigheid van

consument. Deze worden ofwel tot de sociale uitkeringen ofwel tot de overige

inkomensoverdrachten n.e.g. gerekend. Tot de eerste categorie behoren bepaalde

vormen van overheidssteun voor structurele aanpassingen, zoals financiële steun voor

de omscholing van landbouwers;

· kapitaaloverdrachten: deze verschillen van inkomensoverdrachten in die zin dat er

sprake is van het verwerven dan wel afstoten van activa door tenminste één van de bij

de transactie betrokken partijen. Ongeacht of de transactie plaatsvindt in geld of in

natura, steeds moet een overeenkomstige verandering in de financiële of niet-financiële

activa op de balans van een van de bij de transactie betrokken partijen het gevolg zijn

(ESR 1995, 4.145). Kapitaaloverdrachten omvatten vermogensheffingen,

investeringsbijdragen en overige kapitaaloverdrachten (ESR 1995, 4.147). Ze worden

geregistreerd in de kapitaalrekening van de sector/bedrijfstak in de vorm van mutaties in

de passiva en het vermogenssaldo. Bij bepaalde vormen van steun aan de landbouw gaat

het om kapitaaloverdrachten:

  • omschakelingssteun voor een boomgaard/wijngaard (met verplichting deze opnieuw aan te

planten); deze valt onder de investeringsbijdragen;

  • steun voor de beëindiging of vermindering van de melkproductie: deze wordt geregistreerd

bij de overige kapitaaloverdrachten wanneer de steun direct of indirect de waarde van de

quota beïnvloedt;

· overdrachten van de overheid aan vennootschappen en quasi-vennootschappen in de landbouw

ter dekking van geaccumuleerde verliezen over verschillende boekjaren of van uitzonderlijke

verliezen die aan oorzaken buiten de onderneming zijn toe te schrijven. Deze overdrachten

worden geregistreerd in de rubriek overige kapitaaloverdrachten;

· schadeloosstellingen door de overheid of het buitenland (incl. de Instellingen van de Europese

Unie) aan eigenaren van kapitaalgoederen die voor de landbouwproductie worden gebruikt,

wegens schade aan of verlies van deze goederen als gevolg van oorlogshandelingen, andere

politieke gebeurtenissen of nationale rampen (zie 2.045). Deze betalingen worden geregistreerd

in de rubriek overige kapitaaloverdrachten (zie 3.096);

· kwijtschelding van schulden van landbouwproducenten aan de overheid (bv. als gevolg van

leningen van een overheidsinstelling aan een productieonderneming die verscheidene jaren

achtereen exploitatieverliezen heeft geleden). Volgens het ESR 1995 moeten ook deze

transacties worden geregistreerd in de rubriek overige kapitaaloverdrachten;

· belastingverlichting voor de belastingen op productie, inkomen of vermogen. Een

dergelijke belastingverlichting wordt niet expliciet genoemd in het rekeningenstelsel

van het ESR 1995 en dus ook niet in de LR, aangezien alleen werkelijk geheven

belastingen worden geregistreerd;

· aandelen en andere deelnemingen van de overheid in het kapitaal van

vennootschappen en quasi-vennootschappen op landbouwgebied. Deze worden

geregistreerd in de rubriek aandelen en overige deelnemingen.

  • d) 
    Marktregulerende instellingen

3.068. Marktregulerende instellingen

· waarvan de activiteiten uitsluitend de aankoop, verkoop of opslag van goederen

betreffen, worden bij de indeling van de economie:

  • in bedrijfstakken, ingedeeld bij de handel; volgens afspraak wordt deze activiteit

geacht niet-financiële marktdiensten voort te brengen;

  • in sectoren, ingedeeld bij de niet-financiële vennootschappen en quasi-

vennootschappen indien ze als institutionele eenheden in de zin van het ESR 1995

kunnen worden beschouwd; indien dit niet het geval is, worden ze ingedeeld bij

de sector waartoe de eenheid behoort waaronder zij vallen;

· waarvan de activiteit uitsluitend de uitbetaling van subsidies betreft, worden bij de indeling van

de economie:

  • in bedrijfstakken, ingedeeld bij de bedrijfstakken voor de niet-marktoutput van de

overheid, aangezien alleen de overheid (afgezien van de Instellingen van de Europese

Unie) volgens de regels van het ESR 1995 subsidies kan verstrekken;

  • in sectoren, ingedeeld bij de overheid (zie hierboven);

· waarvan de activiteit zowel in de aankoop, verkoop en opslag van goederen als in de uitbetaling

van subsidies bestaat, worden bij de indeling van de economie:

  • in bedrijfstakken, ingedeeld bij de handel wanneer het gaat om hun productie-eenheden

(van het type lokale EEA) die goederen kopen, verkopen of opslaan, en bij de

bedrijfstakken voor de niet-marktoutput van de overheid wanneer het gaat om de andere

productie-eenheden;

  • in sectoren, ingedeeld bij de overheid aangezien alleen deze subsidies kan verstrekken.

Indeling in een andere sector zou betekenen dat de door de marktregulerende instelling

verstrekte subsidies niet meer als subsidies in de zin van het ESR 1995 zouden worden

beschouwd.

3.069. Zoals al is aangegeven, komen bij een strikte toepassing van het betalingscriterium

bepaalde subsidies in de zin van het ESR 1995 niet in de landbouwrekeningen voor,

aangezien ze worden geregistreerd bij de bedrijfstakken en sectoren waaraan de subsidies

zijn gegeven. Als marktregulerende instellingen bij de sector overheid worden ingedeeld,

komen de door deze instellingen met het oog op de marktregulering (verkoop, opslag en

wederverkoop) verleende subsidies bij de bestedingen en bij de middelen van de sector

overheid voor. Het gevolg hiervan is dat niet-productgebonden subsidies door de overheid

aan de overheid kunnen worden verleend.

F. INKOMEN UIT VERMOGEN

(zie ESR 1995, 4.41-4.76)

  • 1. 
    Definitie

3.070. Inkomen uit vermogen is het inkomen dat de eigenaar van een vordering of van materiële

niet-geproduceerde activa ontvangt in ruil voor het verstrekken van financiële middelen of

het ter beschikking stellen van materiële niet-geproduceerde activa aan een andere

institutionele eenheid (ESR 1995, 4.41).

3.071. Inkomen uit vermogen wordt in het ESR 1995 op onderstaande wijze ingedeeld:

· rente,

· winstuitkeringen (dividenden en inkomen onttrokken aan quasi-vennootschappen),

· ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen,

· inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders,

· inkomen uit grond en minerale reserves.

3.072. Voor de LR is het inkomen uit vermogen alleen interessant voor zover dit is opgenomen in

de rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (zie rekeningenstelsel 1.38-1.48). In deze

rekening vallen onder de middelen het inkomen dat eenheden ontvangen in verband met

hun directe deelname aan het productieproces (exploitatieoverschot/gemengd inkomen) en

het inkomen uit vermogen dat deze eenheden ontvangen. Onder de bestedingen valt het

inkomen uit vermogen dat wordt betaald in verband met landbouwactiviteiten (en in

verband met niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten). Normaliter

kan de rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening alleen worden berekend voor

institutionele sectoren. Toch kan de waarde voor een bedrijfstak worden vastgesteld

wanneer het mogelijk is bepaalde stromen van het inkomen uit vermogen toe te rekenen

aan de lokale EEA's.

3.073. Voor de LR zijn slechts drie soorten inkomen uit vermogen interessant: rente, inkomen uit

grond en minerale reserves en inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders.

  • 2. 
    Rente

3.074. Rente betreft betalingen van een (al dan niet vast) percentage van het schuldbedrag, die

met vooraf vastgestelde tussenpozen verschuldigd zijn voor het lenen van kapitaal. In de

LR is rente de tegenprestatie voor leningen van het landbouwbedrijf (bv. voor de aankoop

van grond, gebouwen, machines, voertuigen of andere werktuigen, ook al worden deze

gebruikt voor niet-scheidbare nevenactiviteiten buiten de landbouw).

3.075. Tot de rente behoren ook betalingen in verband met de lease van vaste activa voor gebruik

in de landbouw (eventueel met inbegrip van grond). Alleen het door de lessee betaalde

huurgedeelte (dat wordt gelijkgesteld aan een lening van de lessor aan de lessee) wordt als

betaling van rente aangemerkt (het deel dat op het kapitaal betrekking heeft, wordt in de

financiële rekening geregistreerd).

3.076. De fictieve rente op het eigen vermogen dat in het landbouwbedrijf steekt, wordt niet in

deze rubriek geregistreerd, maar maakt deel uit van het inkomen van de landbouw-

onderneming (zie 5.06). Het bedrag dat als te betalen rente moet worden geregistreerd,

omvat ook de aan de landbouw toegekende rentesubsidies.

3.077. Ook de rente die tot landbouwvennootschappen behorende eenheden uit hoofde van hun

landbouwactiviteiten ontvangen, moet hier worden geregistreerd. Voor eenmansbedrijven

moet de ontvangen rente bij de berekening van het inkomen uit bedrijfsuitoefening van de

bedrijfstak landbouw buiten beschouwing blijven omdat men ervan uitgaat dat de meeste

rentedragende activa geen verband houden met de landbouwactiviteit van de eenheden en

het zeer moeilijk is de activa van het huishouden te scheiden van die voor de productie 1.

3.078. Rente wordt geregistreerd op batenbasis, d.w.z. als "aangegroeide" rente (en niet als

uitgekeerde rente).

3.079. Wanneer in het ESR 1995 de bestedingen aan indirect gemeten diensten van financiële

intermediairs (IGDFI) worden toegerekend aan de sectoren/bedrijfstakken waar ze worden

gebruikt, moeten de feitelijke rentebetalingen of -ontvangsten aan c.q. van financiële

intermediairs worden gecorrigeerd om de marges in verband met de impliciete

dienstverlening te elimineren. Van de door de debiteuren aan de financiële intermediairs

betaalde rentebedragen moet de geraamde waarde van de impliciete dienstverlening

worden afgetrokken, terwijl de door de crediteuren ontvangen rentebedragen

dienovereenkomstig moeten worden verhoogd. De kosten van de impliciete

dienstverlening wordt beschouwd als de beloning van diensten van de financiële

intermediairs en niet als rentebetaling (zie 2.108 (i); ESR 1995, bijlage I, 4.51).

  • 3. 
    Inkomen uit grond en minerale reserves

3.080. Dit inkomen komt overeen met de betalingen die de eigenaar van niet-geproduceerde

materiële activa (grond en minerale reserves) ontvangt voor het ter beschikking stellen van

de activa aan een andere eenheid. Voor de LR gaat het hierbij vooral om de pacht die

landbouwers aan grondeigenaren betalen 1.

3.081. Wanneer de eigenaar bepaalde, rechtstreeks met de landbouwactiviteit verbonden lasten

betaalt (grondbelasting, onderhoudskosten voor de grond enz.), moet het te registreren

inkomen dienovereenkomstig worden verminderd. Deze lasten worden geregistreerd als

niet-productgebonden belastingen op productie (voor grondbelasting) of als intermediair

verbruik (voor de onderhoudskosten).

3.082. In de pacht is niet de huur van zich op de grond bevindend onroerend goed begrepen; deze

moet worden beschouwd als betaling voor een marktdienst die door de eigenaar is verleend

aan de huurder van het gebouw of de woning, en worden geregistreerd als intermediair

verbruik van diensten of consumptieve bestedingen (rekeningen van de huishoudens),

naargelang de aard van de eenheid die het gebouw of de woning huurt. Indien er geen

objectieve basis voor de splitsing van de betaling in grondpacht en huur voor de gebouwen

op de grond is, moet het volledige bedrag als pacht worden geregistreerd. Deze regel is een

aangepaste versie van de aanbeveling van het ESR 1995 (ESR 1995, 4.73) 2.

3.083. Alle grondpachten moeten in deze rubriek worden opgenomen, ongeacht of de duur ervan

meer of minder dan een jaar bedraagt.

3.084. Het inkomen uit grond omvat daarom niet:

· de huurwaarde voor het woongedeelte in deze gebouwen; dit betreft een beloning voor

een marktdienst die deel uitmaakt van de particuliere consumptie (d.w.z. de bewoner

betaalt de huur uit zijn overige netto-inkomen);

· huur betaald voor het beroepsmatig gebruik van bedrijfsgebouwen (zie 2.108 (a));

· afschrijving van gebouwen;

· uitgaven voor lopend onderhoud aan gebouwen (zie 2.106);

· grondbelasting (zie 3.048 (a));

· uitgaven voor de verzekering van gebouwen (zie 2.108 (g)).

3.085. Voor grond en gebouwen die door de eigenaar zelf worden gebruikt, mag geen huurwaarde

worden geregistreerd. Inkomen uit niet-geproduceerde immateriële activa, zoals octrooien

en productierechten (melkquota), moeten als intermediair verbruik worden geregistreerd

(zie 2.108 (n)).

  • 4. 
    Inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders (niet bestreken door de LR)

3.086. Inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders is gelijk aan de som van de primaire

inkomens ontvangen uit de belegging van de verzekeringstechnische voorzieningen (ESR

1995, 4.68). Deze voorzieningen worden behandeld als eigendom van de polishouders.

Ingevolge het ESR 1995 moet bij de berekening van het inkomen uit bedrijfsuitoefening

bij de middelen rekening worden gehouden met de inkomsten uit de belegging van de

verzekeringstechnische voorzieningen. Dit inkomen wordt aan de polishouders

toegerekend als "inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders". Aangezien dit

inkomen in de praktijk door de verzekeringsmaatschappijen wordt ingehouden, wordt het

geacht aan de verzekeringsmaatschappijen te zijn terugbetaald in de vorm van

toegerekende premies (ESR 1995, 4.69).

3.087. Het inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders blijft in de LR buiten

beschouwing. Om zinvol te zijn moet een maatstaf voor het inkomen uit

landbouwactiviteit:

· alle schadeverzekeringsstromen (waarde van de dienst, inkomen toegerekend aan

polishouders, nettopremies en schadeuitkeringen) in aanmerking nemen: in dit geval

verschijnt het berekende inkomen na een beschrijving van alle herverdelingstransacties

(tussen polishouders en verzekeringsinstellingen en tussen periodes) in verband met de

G. KAPITAALOVERDRACHTEN

(zie ESR 1995, 4.145 -4.167)

3.088. De enige kapitaaloverdrachten die in het rekeningenstelsel van de LR moeten worden

opgenomen, zijn de te ontvangen kapitaaloverdrachten: investeringsbijdragen en overige

kapitaaloverdrachten. Deze verdelingstransacties worden geregistreerd in de

kapitaalrekening (zie 1.41 en 1.48).

  • 1. 
    Investeringsbijdragen

3.089. Investeringsbijdragen zijn kapitaaloverdrachten in geld of in natura van overheden of het

buitenland aan andere ingezeten of niet-ingezeten institutionele eenheden ter volledige of

gedeeltelijke financiering van de aankoop van vaste activa (ESR 1995, 4.152). Tot de

investeringsbijdragen van het buitenland behoren de bijdragen die rechtstreeks door de

Instellingen van de Europese Unie worden betaald op grond van het Europees Oriëntatie-

en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) - afdeling Oriëntatie.

3.090. Rentesubsidies vallen niet onder de investeringsbijdragen (zie 3.064), ook al hebben ze ten

doel investeringen te vergemakkelijken. Wel moet eraan worden herinnerd dat wanneer

een subsidie zowel voor de financiering van de afbetaling van een opgenomen krediet als

voor de betaling van de rente op het kapitaal dient en beide elementen niet kunnen worden

3.091. Afgezien van bepaalde door het EOGFL "Oriëntatie" verstrekte bijdragen omvatten de

investeringsbijdragen voor de landbouw onder meer:

· bijdragen voor de herstructurering van boom- en wijngaarden wanneer er een

verplichting tot herbeplanting is (zie 3.067);

· de overname door de overheid van de terugbetaling van leningen die productie-

eenheden zijn aangegaan voor de financiering van hun investeringen;

· steun bij de opening van een bedrijf door een jonge landbouwer wanneer hiermee de

aankoop van activa wordt gefinancierd.

3.092. Investeringsbijdragen moeten worden geregistreerd op het moment dat betaling

verschuldigd is (ESR 1995, 4.162).

  • 2. 
    Overige kapitaaloverdrachten

3.093. De overige kapitaaloverdrachten omvatten - met uitzondering van de investeringsbijdragen

en de vermogensheffingen - alle overdrachten die, hoewel zij geen inkomensverdelings-

transacties vormen, toch een herverdeling van de besparingen of het vermogen tussen de

verschillende sectoren of subsectoren van de economie of ten opzichte van het buitenland

tot resultaat hebben (ESR 1995, 4.164).

· terwijl investeringsbijdragen beperkt zijn tot betalingen in verband met de aankoop van

vaste activa, kunnen de overige kapitaaloverdrachten ook verband houden met alle

andere vormen van overdracht van besparingen of vermogen tussen eenheden.

3.095. De overige kapitaaloverdrachten kunnen de vorm aannemen van schadeloosstellingen door

de overheid of door het buitenland aan eigenaars van kapitaalgoederen die door

oorlogshandelingen, natuurrampen (zoals overstromingen) enz. zijn vernietigd. Ook

behoren hiertoe overdrachten van de overheid ter dekking van gecumuleerde verliezen

over verschillende boekjaren of van uitzonderlijke verliezen die aan oorzaken buiten de

onderneming zijn toe te schrijven (ESR 1995, 4.165).

3.096. Voor de landbouw omvatten de overige kapitaaloverdrachten voorts:

· bijdragen voor het definitief uit productie nemen van boom- of wijngaarden;

· bijdragen in verband met de beëindiging of de vermindering van de melkproductie

(wanneer ze, al dan niet expliciet, van invloed zijn op de waarde van de quota);

· schadeloosstellingen voor uitzonderlijke verliezen en verlies door rampen van vaste

activa die voor de productie van landbouwproducten worden gebruikt (bv. dieren en

werktuigen) (zie 2.045 en 3.067);

· bijdragen aan de oprichting van nieuwe bedrijven door jonge landbouwers, indien ze de

3.097. De overige kapitaaloverdrachten in geld worden geregistreerd op het moment dat de

betaling verschuldigd is (en die in natura op het moment dat de eigendom van de activa

wordt overgedragen of de schuld door de crediteur wordt kwijtgescholden).

H. VERBRUIK VAN VASTE ACTIVA

(zie ESR 1995, 6.02-6.05)

3.098. Slijtage en voorzienbare economische veroudering van vaste activa tijdens de

verslagperiode geven aanleiding tot kosten, die impliciet zijn zolang het goed niet door een

nieuwe aankoop is vervangen. Slijtage en veroudering worden gemeten aan de hand van

het verbruik van vaste activa. Door het verbruik van vaste activa in de productierekening

bij de bestedingen op te nemen kunnen de kosten van de investeringen in vaste activa over

de gehele gebruiksperiode worden gespreid.

3.099. Wanneer de levensduur van productiemiddelen meer dan een jaar bedraagt, geeft het

verbruik van vaste activa aan in hoeverre de in het productieproces gebruikte vaste activa

tijdens de beschouwde periode worden verbruikt als gevolg van normale slijtage en

voorzienbare economische veroudering 1. Voor productiemiddelen met een levensduur van

minder dan een jaar wordt slijtage daarentegen als intermediair verbruik geregistreerd.

3.100. Het verbruik van vaste activa heeft betrekking op alle geproduceerde vaste activa (hoewel

3.101. Het verbruik van vaste activa is slechts een van de elementen waardoor de waarde van

activa wordt gewijzigd (naast de BIVA, de overige volumemutaties en de nominale

waarderingsverschillen, zie 2.134). Met name omvat het verbruik van vaste activa niet de

overige volumemutaties in activa (met uitzondering van die als gevolg van de BIVA):

· uitzonderlijke verliezen als gevolg van rampen (aardbevingen, oorlogen, droogte,

epidemieën enz.);

· onvoorzienbare veroudering; dit betreft het verschil tussen de voorzieningen die in het

verbruik van vaste activa zijn opgenomen voor schade en normale slijtage, en de

werkelijke verliezen, schadegevallen die tot een grotere afschrijving leiden dan die

waarmee vooraf in het kader van het verbruik van vaste activa rekening werd gehouden;

· wijzigingen in de classificatie van de vaste activa, d.w.z. wijzigingen in het economisch

gebruik van activa als grond of bedrijfsgebouwen, die voor particulier gebruik of voor

ander economisch gebruik zullen worden ingezet.

3.102. Het verbruik van vaste activa, dat moet worden onderscheiden van fiscale en commerciële

afschrijvingen, moet worden geraamd op basis van de kapitaalgoederenvoorraad en de

waarschijnlijke (gemiddelde) economische levensduur van de verschillende soorten

goederen. Voor de berekening van de kapitaalgoederenvoorraad wordt de "perpetual

inventory method" aanbevolen voor het geval rechtstreekse informatie hierover ontbreekt.

De kapitaalgoederenvoorraad moet worden gewaardeerd tegen de aankoopprijzen in de

verslagperiode (d.w.z. tegen de vervangingswaarde van de activa tijdens de lopende

verslagperiode en niet op basis van de historische waarde). De vervangingswaarde wordt

berekend op basis van de prijzen die landbouwbedrijven tijdens een bepaalde

verslagperiode moeten betalen voor de vervanging van vaste activa door nieuwe vaste

activa die zoveel mogelijk op de oude lijken. Dit is nodig om het bruto binnenlands

product correct te berekenen.

3.103. Het verbruik van vaste activa wordt berekend volgens de lineaire methode, waarbij de

waarde van de vaste activa gelijkmatig over de hele levensduur van het goed wordt

afgeschreven. Dit afschrijvingspercentage wordt berekend aan de hand van de

formule 100:n, waarin "n" staat voor de waarschijnlijke economische levensduur van deze

categorie in jaren ("n" kan van land tot land variëren en binnen een land ook in de loop der

tijd). In bepaalde gevallen kan het afschrijvingspercentage ook meetkundig worden

berekend. Door het gebruik van lopende vervangingsprijzen en vaste percentages voor het

verbruik van vaste activa kan het verbruik van vaste activa van jaar tot jaar anders zijn,

3.104. Voor de kosten van eigendomsoverdracht van geproduceerde materiële en immateriële

activa moet het verbruik van vaste activa worden berekend op basis van een gemiddelde

levensduur die volgens afspraak op één jaar is gesteld.

3.105. Voor vee komt het verbruik van vaste activa overeen met de verwachte daling van de

productiviteit van de dieren wanneer ze voor productiedoeleinden worden gebruikt (melk,

wol enz.); dit komt tot uiting in de geactualiseerde waarde van de toekomstige inkomsten

uit deze dieren. Aangezien deze inkomsten in de loop der tijd teruglopen, moet voor de

dieren het verbruik van vaste activa worden vastgesteld. Gezien de praktische

moeilijkheden bij de berekening van het verbruik van vaste activa voor investeringsvee is

afgesproken dat dit niet wordt berekend. Hiervoor gelden de volgende overwegingen:

· de afschrijvingen op het punt van productiviteit en economische waarde houden

verband met de leeftijd, maar zijn geen rechtstreeks, regelmatig en continu verschijnsel,

zoals het impliciet wel het geval is voor een normale afschrijving;

· de verwijdering van dieren uit de productieveestapel kan van het economisch klimaat

afhankelijk zijn (ontwikkeling van de slachtprijzen of de veevoederprijzen enz.).

3.106. Deze overwegingen maken de berekening van een verbruik van vaste activa voor vee

weliswaar niet onmogelijk, maar wel heel ingewikkeld, omdat de juiste gemiddelde

levensduur en het percentage van het verbruik van vaste activa moeten worden vastgesteld.

Ook zal het moeilijk zijn om de voorziene en de werkelijke gemiddelde afschrijving van de

dieren op elkaar af te stemmen. Bovendien garandeert deze procedure de compatibiliteit

van de LR met het ESR 1995 (ESR 1995, 6.03) en de micro-economische rekeningen van

het informatienet voor de landbouwbedrijfsboekhoudingen, terwijl voorts kan worden

vermeden dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen investerings- en voorraadvee.

IV. ARBEIDSINPUT IN DE LANDBOUW

4.01. Tot de werkzame personen in de landbouw behoren alle personen - werknemers en

zelfstandigen - die al dan niet tegen een beloning een arbeidsinput leveren aan ingezeten

eenheden die karakteristieke activiteiten (landbouwactiviteiten en niet-scheidbare niet tot

de landbouw behorende nevenactiviteiten) van de bedrijfstak landbouw in de LR uitvoeren.

Personen die weliswaar de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt maar toch op het

bedrijf blijven werken, behoren ook tot de werkzame personen in de landbouw.

Personen die nog school- of leerplichtig zijn, blijven buiten beschouwing.

4.02. Werknemers zijn alle personen die op grond van een overeenkomst voor een andere

ingezeten institutionele eenheid (een landbouweenheid) werken en een beloning ontvangen

(geregistreerd als beloning van werknemers, zie deel C van hoofdstuk III). De arbeidsinput

van werknemers wordt arbeidsinput in loondienst genoemd. Volgens afspraak wordt de

arbeid van arbeidskrachten die niet tot het gezin van de landbouwer behoren tot de

arbeidsinput in loondienst gerekend. Wanneer een landbouweenheid als klassieke

vennootschap (zie 5.09) is georganiseerd, wordt alle arbeidsinput als arbeidsinput in

loondienst beschouwd.

4.03. Zelfstandigen zijn de enige eigenaren, of gezamenlijke eigenaren, van de ondernemingen

zonder rechtspersoonlijkheid waar zij werken. De arbeidsinput van zelfstandigen wordt

arbeidsinput niet in loondienst genoemd. Leden van het gezin van het bedrijfshoofd die

geen vooraf vastgestelde en aan de hand van hun feitelijke werkzaamheden berekende

beloning ontvangen, worden als zelfstandige ingedeeld.

4.04. In het geval van specifieke vennootschappen (zie deel B van hoofdstuk V) wordt de

arbeidsinput van werkenden op dezelfde manier behandeld als bij ondernemingen zonder

rechtspersoonlijkheid (eenmansbedrijven). De directeuren/aandeelhouders delen in het

gemengd inkomen van de eenheid (arbeidsinput niet in loondienst), terwijl hun

werknemers een beloning ontvangen (arbeidsinput in loondienst).

4.06. Een beschrijving van wat wel of niet tot het totaal aantal gewerkte uren behoort, is te

vinden in het ESR 1995 (11.27 en 11.28). Bij de berekening van het totaal aantal gewerkte

uren blijven werkzaamheden ten behoeve van het huishouden van het bedrijfshoofd of de

bedrijfsleider buiten beschouwing.

4.07. Arbeidsjaareenheden (AJE's) worden gedefinieerd als het aantal werkzame personen in

voltijdequivalenten (wat overeenkomt met het aantal banen in voltijdequivalenten), d.w.z.

het totaal aantal gewerkte uren gedeeld door het gemiddelde aantal op het economisch

grondgebied in voltijdbanen gewerkte uren.

4.08. Niemand kan meer dan één arbeidsjaareenheid vertegenwoordigen. Deze beperking geldt

zelfs wanneer iemand in de bedrijfstak landbouw meer uren werkt dan het aantal uren

waarmee een voltijdbaan wordt gedefinieerd.

4.09. De arbeidsinput in de landbouw van personen die niet voltijds op een landbouwbedrijf

werken, wordt berekend door het aantal werkelijk gewerkte uren (per week of per jaar) te

delen door het aantal in een voltijdbaan gewerkte uren (per week of per maand).

4.10. Het aantal werkelijk gewerkte uren in een voltijdbaan hoeft niet voor alle categorieën

arbeid gelijk te zijn. Het aantal uren in een voltijdbaan kan voor zelfstandigen groter zijn

dan voor werknemers. In het laatste geval ligt het maximale aantal uren immers

contractueel vast.

4.12. Tenzij er redenen zijn om aan andere bronnen de voorkeur te geven moet de berekening

van de AJE's voor voltijdwerk in de landbouw gebaseerd zijn op de huidige definitie in de

communautaire enquêtes naar de structuur van de landbouwbedrijven, als het

minimumaantal uren dat krachtens de nationale bepalingen inzake arbeidsovereenkomsten

vereist is. Indien het aantal uren per jaar hierin niet wordt aangegeven, moet 1800 uur als

minimum worden aangehouden (225 werkdagen van 8 uur per dag).

V. INKOMENSINDICATOREN VAN DE LANDBOUW

5.01. De berekening van de omvang en de ontwikkeling van het landbouwinkomen is een van de

belangrijkste doelstellingen van de landbouwrekeningen.

A. DEFINITIE VAN INKOMEN EN SALDI

5.02. Inkomen kan worden gedefinieerd als het maximumbedrag dat de ontvanger gedurende een

bepaalde periode kan verbruiken zonder het volume van zijn activa te verminderen. Het

kan ook worden gedefinieerd als de som van de consumptie en de waardeverandering van

de activa gedurende een bepaalde periode, onder overigens gelijkblijvende

omstandigheden, omdat inkomen weergeeft wat gebruikt zou kunnen worden. Dankzij het

onderscheid tussen de lopende rekeningen en de kapitaalrekening in het ESR 1995 kan de

potentiële maximumconsumptie worden bestudeerd door meting van de consumptie en de

besparingen in de lopende rekeningen en de verandering van de waarde van de activa in de

5.03. De rekeningenreeks (zie 1.43) van de bedrijfstak landbouw maakt het mogelijk drie saldi te

berekenen, die kunnen worden gebruikt als inkomensaggregaat voor de bedrijfstak

landbouw: de netto toegevoegde waarde, het netto-exploitatieoverschot (netto gemengd

inkomen) en het netto-inkomen uit bedrijfsuitoefening. De relatie tussen deze saldi ziet er

als volgt uit:

Productierekening Inkomensvormingsrekening Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening

P.1 Output B.1n Toegevoegde waarde B.2n/ Exploitatieoverschot (netto)/ Gemengd inkomen (netto)

(netto) B.3n

P.2 - Intermediair verbruik D.1 - Beloning van D.41 + D.41 Ontvangen

werknemers rente*

K.1 - Verbruik van vaste activa D.29 - Niet-productgebonden D.41 - Betaalde rente

belastingen op productie

D.39 + Niet-productgebonden D.45 - Betaald inkomen uit grond en minerale reserves

subsidies

B.1n = Toegevoegde B.2n/ = Exploitatieoverschot B.4n = Inkomen uit

waarde (netto) B.3n (netto)/ Gemengd inkomen (netto) bedrijfsuitoefening (netto)

D.29 - Niet-product-

gebonden belastingen op productie

D.39 +Niet-product-

gebonden subsidies

5.04. De netto toegevoegde waarde van de bedrijfstak meet de waarde die door alle EEA's in de

landbouw wordt gecreëerd, na aftrek van het verbruik van vaste activa. Aangezien de

output tegen basisprijzen wordt gewaardeerd en het intermediair verbruik tegen

aankoopprijzen, omvat de netto toegevoegde waarde het saldo van productgebonden

subsidies en productgebonden belastingen. De netto toegevoegde waarde tegen

factorkosten (die gedefinieerd wordt als de netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen

waarvan de niet-productgebonden belastingen op productie worden afgetrokken en waarbij

de niet-productgebonden subsidies worden opgeteld) meet de beloning van alle

productiefactoren (grond, kapitaal en arbeid) en kan het "factorinkomen" worden genoemd

omdat zij de totale waarde weergeeft die een eenheid door haar productieve activiteit

voortbrengt.

5.05. Het netto-exploitatieoverschot meet de opbrengst van de grond, het kapitaal en de niet in

loondienst werkende arbeidskrachten. Het is het saldo van de inkomensvormingsrekening,

die aangeeft hoe het inkomen wordt verdeeld tussen de productiefactoren en de sector

overheid. De netto toegevoegde waarde en het netto-exploitatieoverschot worden berekend

op het niveau van de bedrijfstakken.

5.06. Het netto-inkomen uit bedrijfsuitoefening, dat wordt verkregen door de door

landbouwvennootschappen ontvangen rente bij het netto-exploitatieoverschot op te tellen

en hiervan het betaalde inkomen uit grond (d.w.z. pacht en deelpacht) en de betaalde rente

5.07. Voor eenmansbedrijven komt dit inkomen uit bedrijfsuitoefening overeen met enerzijds de

beloning voor het werk van het bedrijfshoofd (en zijn niet-betaalde medewerkende

gezinsleden) en anderzijds het inkomen dat in de onderneming blijft, zonder dat beide

elementen kunnen worden gescheiden (met de term "bedrijfshoofd" wordt hier uiteraard

iedereen aangeduid die leiding geeft aan een dergelijke onderneming in de bedrijfstak

landbouw). Het gaat dus om gemengd inkomen. Evenals alle andere bedrijfstakken omvat

de bedrijfstak landbouw productie-eenheden die tot verschillende soorten institutionele

eenheden behoren: vennootschappen en eenmansbedrijven. Er is verschil tussen het

inkomen uit bedrijfsuitoefening dat door eenmansbedrijven en dat wat door

vennootschappen wordt voortgebracht. In het tweede geval komt het netto-inkomen uit

bedrijfsuitoefening overeen met het "zuivere" inkomen uit bedrijfsuitoefening omdat iedere

beloning van arbeid buiten beschouwing blijft (omdat deze als beloning voor arbeid in

loondienst moet worden beschouwd ook al gaat het om de bedrijfsleiders en

aandeelhouders van de vennootschap).

5.08. De inkomensaggregaten die als saldi van het rekeningenstelsel van de bedrijfstak worden

verkregen, zijn echter indicatoren voor het totale inkomen of het beschikbare inkomen van

de huishoudens die in de landbouw werkzaam zijn, omdat deze behalve hun inkomen uit

de landbouw ook inkomen uit andere bronnen kunnen hebben (niet-landbouwactiviteiten,

lonen, sociale uitkeringen, inkomen uit vermogen). Het inkomen uit de landbouw mag dus

niet worden beschouwd als het inkomen van de landbouwers. Bovendien gaat het bij deze

B. BEHANDELING VAN HET INKOMEN VAN VENNOOTSCHAPPEN

5.09. De meeste landbouweenheden in de Europese Unie zijn eenmansbedrijven (of

familiebedrijven). Sommige landbouwproductie-eenheden kunnen evenwel de vorm

aannemen van een vennootschap, hetzij een klassieke vennootschap (d.w.z. dat hun

organisatie lijkt op die van vennootschappen in andere sectoren van de economie), hetzij

een vennootschap met meer bijzondere kenmerken (zoals wanneer een landbouwer voor

fiscale doeleinden een aparte vennootschap opricht voor zijn handelsactiviteiten of

wanneer een groep landbouwers hun grond en arbeidskracht samenvoegen in een

coöperatie).

5.10. Het netto-inkomen uit bedrijfsuitoefening van de bedrijfstak landbouw bestaat dus uit drie

elementen:

· het "gemengde" inkomen uit bedrijfsuitoefening van eenmansbedrijven (ondernemingen

zonder rechtspersoonlijkheid);

· het "zuivere" inkomen uit bedrijfsuitoefening van klassieke vennootschappen;

· het "gemengde" inkomen uit bedrijfsuitoefening van specifieke

landbouwvennootschappen.

Deze drie elementen zijn opgenomen in onderstaand schema.

5.11. Bij het "zuivere" inkomen uit bedrijfsuitoefening moet iedere beloning van werknemers en

ieder inkomen uit grond dat wordt betaald vóór de verdeling van de winst, buiten

beschouwing blijven. Voor de meeste specifieke landbouwvennootschappen is het evenwel

moeilijk de beloning van de aandeelhouders voor de input van arbeid en grond te scheiden

van de verdeling van de winst. Daarom wordt aanbevolen het "gemengde" inkomen als

maatstaf voor het inkomen uit bedrijfsuitoefening voor dergelijke landbouweenheden te

nemen; dit omvat dus de beloning van de werknemers/aandeelhouders voor hun werk en

het inkomen uit grond. Voor deze specifieke vennootschappen moeten bij de berekening

van het inkomen uit bedrijfsuitoefening de lonen en het inkomen uit grond dus niet worden

afgetrokken. Ze worden in feite gelijkgesteld aan een groep eenmansbedrijven. Bij de

klassieke vennootschappen moet daarentegen wel een duidelijk onderscheid tussen lonen

en winstverdeling worden gemaakt.

Bedrijfstak landbouw

EenmansbedrijvenVennootschappen

FamiliebedrijfSpecifieke vennoot- schappen, bv. coöperaties, kleine vennootschappen die zijn opgericht voor fiscale doeleindenKlassieke vennootschappen zoals in de rest van de economie

C. DEFINITIE VAN DE INKOMENSINDICATOREN VAN DE LANDBOUW

5.12. De drie inkomensindicatoren van de landbouw kunnen als volgt worden omschreven:

· Indicator A: Index van het reële factorinkomen in de landbouw per arbeidsjaareenheid

· Deze maatstaf komt overeen met de reële netto toegevoegde waarde tegen factorkosten

van de landbouw per arbeidsjaareenheid totaal 1.

· Indicator B: Index van het reële netto-inkomen uit bedrijfsuitoefening in de landbouw,

per arbeidsjaareenheid die niet in loondienst is verricht

Deze indicator meet de veranderingen in de tijd van het netto-inkomen uit

bedrijfsuitoefening per arbeidsjaareenheid die niet in loondienst is verricht. Wanneer deze

voor iedere lidstaat worden geïndexeerd, krijgt men wel informatie over de ontwikkeling

van het inkomen, maar niet over de hoogte ervan. Deze indicator is vooral nuttig in landen

waar de landbouw vooral op eenmansbedrijven plaatsvindt. Door het bestaan van

"klassieke" vennootschappen, die met uitsluitend arbeidskrachten in loondienst een

inkomen uit bedrijfsuitoefening genereren, wordt indicator B in relatie tot een individueel

inkomen overschat. Een vergelijking van het inkomenspeil tussen lidstaten kan onmogelijk

worden indien het gewicht van de "klassieke" vennootschappen te zeer uiteenloopt.

· Indicator C: Netto-inkomen uit bedrijfsuitoefening in de landbouw

Dit inkomensaggregaat wordt in absolute waarden weergegeven 1 (of als indexcijfer in

reële waarden), waardoor in de loop der tijd de inkomens van de bedrijfstak landbouw

tussen de lidstaten kunnen worden vergeleken.

D. AGGREGATIE VAN DE INKOMENSINDICATOREN VOOR DE EUROPESE UNIE

5.13. Voor de Europese Unie als geheel kunnen indexcijfers en wijzigingspercentages worden

berekend als gewogen gemiddelden van de nationale indexcijfers of wijzigingspercentages,

of rechtstreeks aan de hand van de communautaire aggregaten van de nationale gegevens

in euro's (of in KKS). In beide gevallen moet een basisjaar worden gekozen: voor de

vaststelling van het aandeel van de landen in de berekening van het communautaire

gemiddelde of voor de wisselkoersen die voor de berekening van de aggregaten worden

gebruikt.

5.14. Naargelang de berekeningen voor een kortetermijnanalyse (wijziging in een jaar "n" ten

opzichte van jaar "n-1") of voor een langetermijnanalyse (in het algemeen van 1980 tot jaar

  • n) 
    zijn bestemd, wordt gebruik gemaakt van enigszins van elkaar afwijkende methoden en

van verschillende basisjaren.

5.15. Voor de analyse van een kortetermijnontwikkeling worden de wijzigingspercentages van

de nominale of reële inkomensindicatoren van de Europese Unie voor jaar n ten opzichte

van jaar n-1 berekend als gewogen gemiddelden van de dienovereenkomstige geschatte

wijzigingspercentages in de lidstaten; de wegingscoëfficiënten worden berekend aan de

hand van de inkomensaggregaten voor jaar n-1, omgerekend in euro's tegen de

wisselkoersen van jaar n-1; uiteraard gaat het voor ieder aggregaat om een specifieke

coëfficiënt. Deze op jaar n-1 gebaseerde methode lijkt het meest geschikt voor een

kortetermijnanalyse en het meest in overeenstemming met de in de lidstaten gebruikte

methode.

5.16. Voor de analyse van de langetermijnontwikkeling worden de indexcijfers en

wijzigingspercentages van de inkomensindicatoren voor de Europese Unie berekend aan de

hand van de communautaire aggregaten (in euro's) tegen constante wisselkoersen van

1995; bij reële waarden (d.w.z. na aftrek van het effect van de gemiddelde prijsverhoging)

geldt ook voor de gebruikte deflatoren dat 1995 = 100. Deze op 1995 gebaseerde methode

lijkt het geschiktst voor een beschrijving en analyse van de ontwikkeling voor de gehele

periode 1980-jaar n.

E. DEFLATIE VAN DE INKOMENSINDICATOREN

5.17. Voor iedere lidstaat worden de indexcijfers en de reële waardeverandering van de

5.18. Voor het gebruik van deze deflator pleiten belangrijke factoren, zoals de betrouwbaarheid

en de vergelijkbaarheid ervan. Het impliciete prijsindexcijfer van het bruto binnenlands

product is een algemene indicator van de prijzen van alle goederen en diensten die in de

gehele economie zijn voortgebracht respectievelijk verleend. Men zou ook kunnen denken

aan het gebruik van het prijsindexcijfer van de nationale finale bestedingen als deflator.

Anders dan bij het prijsindexcijfer van het BBP wordt bij dit indexcijfer ook direct

rekening gehouden met de invloed van de buitenlandse handel, zodat sneller en duidelijker

op de prijsontwikkelingen bij de invoer wordt gereageerd (bv. veranderingen in de

energieprijzen). In verband met de vergelijkbaarheid met andere statistieken van de

Europese Commissie is de invoering van een nieuwe deflator evenwel van de hand

gewezen.

5.19. De reële inkomensaggregaten voor de Europese Unie als geheel worden verkregen door de

nominale waarden (in lopende prijzen) voor de verschillende lidstaten met het impliciete

prijsindexcijfer van het bruto binnenlands product van de desbetreffende lidstaat te

defleren en ze vervolgens in euro's om te rekenen (tegen wisselkoersen van 1995 voor de

langetermijnanalyse en van jaar n-1 voor de kortetermijnontwikkeling, zoals hierboven is

aangegeven). Vervolgens worden de resultaten bij elkaar opgeteld, zodat reële waarden

voor de Europese Unie worden verkregen. Aan de hand van deze reële aggregaten worden

de indexcijfers en de wijzigingspercentages voor de Europese Unie berekend, waarvoor

dus nooit expliciet een EU-deflator wordt gebruikt.

VI. WAARDERING VAN DE LANDBOUWREKENINGEN IN CONSTANTE PRIJZEN

A. METEN VAN PRIJS- EN VOLUMEMUTATIES

(zie ESR 1995, hoofdstuk 10)

6.01. Voor economische analyses is het interessant bij waardeveranderingen onderscheid te

maken tussen volume- en prijsmutaties. In het ESR 1995 (10.15-10.23) wordt duidelijk

gesteld dat voor de prijscomponent alleen prijsveranderingen in aanmerking mogen

worden genomen en dat alle andere veranderingen bij de volumecomponent moeten

worden meegeteld. Kwaliteitsverschillen tussen producten (fysieke kenmerken, type

detailhandelsverkooppunt enz.) worden dus als volume- en niet als prijsverandering

beschouwd.

6.02. Tal van goederen en diensten bestaan in diverse variëteiten, die verband houden met een

uiteenlopende kwaliteit. Het ESR 1995 noemt diverse factoren die tot kwaliteitsverschillen

leiden, maar voor de LR zijn de "fysieke kenmerken" het belangrijkst. Voor een bepaald

product kunnen er fysieke verschillen bestaan, waardoor de fysieke eenheden (bv. een ton)

in economische zin niet identiek zijn. Stel, in twee opeenvolgende jaren wordt twee ton

graan verkocht: in het eerste jaar kan alle graan worden gemalen, terwijl in het tweede jaar

minder dan de helft de juiste kwaliteit bezit en de rest als veevoeder moet worden

6.03. Bij de voor de opstelling van gegevens in constante prijzen gebruikte prijs- en volume-

indicatoren moet rekening worden gehouden met veranderingen in kwaliteit. Daarom

wordt aanbevolen het werk op een zo gedetailleerd mogelijk niveau uit te voeren om waar

mogelijk te werken met volkomen homogene elementaire producten. In dat geval kunnen

volumemutaties op basis van veranderingen in de hoeveelheid worden geschat.

6.04. Vaak is statistische informatie evenwel alleen op een meer geaggregeerd niveau

beschikbaar, zodat het niet langer om volkomen homogene producten gaat. Het ESR 1995

(10.32) zegt hierover dat het voor een schatting van de volumemutaties in dat geval de

voorkeur verdient de waarde voor het lopende jaar te defleren met een geschikt

prijsindexcijfer.

6.05. De mate van gedetailleerdheid waarbij de gebruikte index geacht wordt een elementaire

index te zijn (het betrokken product wordt dan als homogeen aangemerkt), wordt het

elementaire aggregatieniveau genoemd. In de LR komt het elementaire aggregatieniveau

overeen met ten minste het meest gedesaggregeerde niveau van de classificatie in de tabel

voor de indiening van de gegevens. Voor de berekening van prijsindexcijfers is een

verdergaande gedetailleerdheid evenwel wenselijk.

6.06. Voor elk in de rekeningen opgenomen goederen- en dienstenaggregaat moet een zodanige

maatstaf voor prijs en hoeveelheid worden geconstrueerd dat

6.07. De systematische uitsplitsing van wijzigingen in lopende waarden in "prijs-" en

"volumemutaties" blijft beperkt tot goederen- en dienstentransacties en tot de elementen

voor de waardering van deze transacties (output, intermediair verbruik, verbruik van vaste

activa, bruto en netto toegevoegde waarde, BIVA, veranderingen in voorraden,

productgebonden belastingen en subsidies).

B. PRINCIPES EN METHODE VOOR DE OPSTELLING VAN LR IN CONSTANTE

PRIJZEN

  • 1. 
    Keuze van de indexformule

6.08. Het ESR 1995 (10.62) heeft een voorkeur voor Fisher-indexcijfers, die evenwel een aantal

nadelen hebben; zo zijn ze niet additief en is er een aanzienlijke hoeveelheid basisgegevens

nodig. Daarom is het voor het ESR 1995 aanvaardbaar volume-indexcijfers volgens

Laspeyres en prijsindexcijfers volgens Paasche te gebruiken.

6.09. In overeenstemming met de aanbevelingen van het ESR 1995 worden ook in de LR

Laspeyres-indexcijfers voor volumemutaties en Paasche-indexcijfers voor prijsmutaties

gebruikt.

Volume-indexcijfer volgens Laspeyres: L(q) =p q p q q

n n

n =q V q

q

p q p q =

V

n

Prijsindexcijfer volgens Paasche: P(p) = q p p q p

n

n n =p

q p p q

n n

Voor ieder elementair product is:

p de prijs geregistreerd in basisjaar 0;

p

n de prijs geregistreerd in jaar n;

q de hoeveelheid geregistreerd in basisjaar 0;

q

n de hoeveelheid geregistreerd in jaar n;

  • 2. 
    Basisjaar

6.10. Volumemutaties worden gemeten met behulp van Laspeyres-indexcijfers, zodat

veranderingen in de hoeveelheden van de elementaire reeksen worden gewogen met de

waarde in het basisjaar. Prijsmutaties worden gemeten met behulp van Paasche-

indexcijfers, zodat veranderingen in de prijzen van de elementaire reeksen worden

gewogen met de waarde in het lopende jaar tegen prijzen van het basisjaar.

6.11. Het basisjaar is het jaar waarvan de prijzen voor de samenstelling van een wegingsschema

worden gebruikt.

6.12. Volumemutaties van het ene jaar op het andere kunnen het nauwkeurigst worden gemeten

met behulp van gegevens over het laatst beschikbare basisjaar. Dankzij deze aanpak zijn

wegingen vrij actueel, zodat men niet te kampen krijgt met problemen in verband met het

wegen van producten die niet meer worden vervaardigd en nieuwe producten die

ontbreken. Daarom worden in het kader van de LR volumemutaties met behulp van

gewichten voor het voorgaande jaar gewogen.

  • 3. 
    Presentatie van reeksen in relatie tot een referentiejaar

6.13. Het jaar dat wordt gebruikt voor de indiening en presentatie van gegevens in constante

prijzen hoeft niet het basisjaar te zijn. Het is het referentiejaar. In een reeks indexcijfers is

6.14. Reeksen volume-indexcijfers in prijzen van een referentiejaar worden verkregen door

middel van kettingindexcijfers die zijn berekend in prijzen van het voorgaande jaar (ESR

1995, 10.64).

6.15. Het is van belang dat een wijziging van referentiejaar geen gevolgen heeft voor de

volumemutaties ten opzichte van het voorgaande jaar. Daarom worden de LR-gegevens

gepresenteerd in relatie tot een vast referentiejaar door voor iedere variabele afzonderlijk

een nieuw referentiejaar vast te stellen, of het nu gaat om aggregaten of om elementaire

indexcijfers.

6.16. Voorbeeld:

Stel men heeft twee homogene elementaire producten, A en B. De volgende reeks is

gebaseerd op de prijsstructuur van het voorgaande jaar:

De volume- en prijsindexcijfers voor de producten A en B samen zijn afhankelijk van het

gewicht dat elk van beide producten heeft.

90P90 90-91 91P90 90-91 prijs- 91P91 91-92 volume-92P91 92-91 prijs- 92P92

volume-indexcijfer indexcijfer indexcijfer

indexcijfer

A 100 105,0 105 110,0 115 102,0 117 108,0 126

B 300 110,0 330 95,0 314 90,0 283 105,0 297

Totaal 400 108,8 435 98,6 429 93,2 400 105,8 423

Indien deze reeks aan een vast referentiejaar (bv. 1990) wordt gerelateerd, kunnen dezelfde volume-

indexcijfers voor jaar n ten opzichte van jaar n-1 alleen worden behouden door de indexcijfers

afzonderlijk aan elkaar te koppelen. Dit resulteert in de volgende reeks (1990 = 100):

1990 1991 1992

A 100 105,0 107,1

B 100 110,0 99,0

Tota100 108,8 101,4 ( 101,4 = 108,8 * 93,2 / 100 )

al

De waarden in constante prijzen in relatie tot het referentiejaar 1990 zijn:

1990 1991 1992

A 100 105 107,1

B 300 330 297,0

Tota400 435 405,6 ( 405,6 = 400*101,4 / 100 )

al

Daardoor is de rekening niet langer additief. Wanneer de waarden in constante prijzen voor A en B

worden opgeteld, krijgt men de volgende reeks:

1990 1991 1992

A+B 400 435 404,1

Anders dan in het jaar na het referentiejaar is de reeks met het nieuwe referentiejaar niet additief.

6.17. Overeenkomstig het ESR 1995 (10.67) worden de niet-additieve gegevens in constante

prijzen zonder enige correctie gepubliceerd 1.Voor de LR geldt dezelfde aanpak, maar het

wordt aan de gebruikers uitgelegd dat de tabellen niet additief zijn.

  • 4. 
    Berekening van de toegevoegde waarde in constante prijzen

6.18. De toegevoegde waarde is het saldo van de productierekening. Een rechtstreekse ontleding

in een prijs- en een volumecomponent is dan ook niet mogelijk. De theoretisch correcte

methode voor de berekening van de toegevoegde waarde in constante prijzen is die van de

"dubbele deflatie" (ESR 1995, 10.27-10.28).

6.19. De bruto toegevoegde waarde in prijzen van het voorgaande jaar wordt daarom

gedefinieerd als het verschil tussen de output in prijzen van het voorgaande jaar en het

intermediaire verbruik in prijzen van het voorgaande jaar. De netto toegevoegde waarde in

prijzen van het voorgaande jaar wordt gedefinieerd als het verschil tussen de bruto

toegevoegde waarde in prijzen van het voorgaande jaar en het verbruik van vaste activa in

prijzen van het voorgaande jaar. De toegevoegde waarde in prijzen van een vast

referentiejaar wordt verkregen door het referentiejaar te veranderen.

6.20. Voorbeeld:

Hieronder wordt een reeks lopende waarden en waarden in prijzen van het voorgaande jaar

(volume) voor de output en het intermediaire verbruik gegeven:

95P95 96P95 96P96 97P96 97P97

Output 150 160 170 180 200

Intermediair verbruik 40 30 35 40 45

De toegevoegde waarde (volume) wordt verkregen door het volume van het intermediaire

verbruik van het volume van de output af te trekken, zodat de volgende reeks ontstaat:

95P95 96P95 96P96 97P96 97P97

Toegevoegde waarde (bruto) 110 130 135 140 155

Zo worden de volgende volume-indexcijfers in prijzen van het voorgaande jaar verkregen:

1996 1997

Toegevoegde 118,2 103,7

waarde (bruto)

(118,2 = 130/110*100) (103,7 = 140/135*100)

De bruto toegevoegde waarde van jaar n in prijzen van 1995 wordt berekend door de

lopende waarde voor 1995 te vermenigvuldigen met het volume-kettingindexcijfer.

  • 5. 
    Uitsplitsing van productgebonden belastingen en subsidies in volume- en

prijscomponenten

6.21. Uitsplitsing van waarderingen in basisprijzen in prijs- en volumecomponenten betekent dat

dit ook moet gebeuren voor productgebonden belastingen en subsidies. In de LR wordt de

volgende keuze gemaakt:

6.22. Het volume-indexcijfer van de productgebonden subsidie (of belasting) is identiek aan het

volume-indexcijfer van de output tegen de producentenprijs. In dit geval maakt het voor

het volume-indexcijfer van de output niet uit of dit in de producentenprijs of in de

basisprijs wordt uitgedrukt.

6.23. Deze oplossing heeft nog een voordeel: het volume-indexcijfer is onafhankelijk van de

waarderingsmethode, zodat de interpretatie van de prijs- en volume-indexcijfers tegen de

basisprijs eenvoudig is: voor een volkomen homogeen basisproduct is het volume-

indexcijfer identiek aan het hoeveelheidsindexcijfer, zodat het prijsindexcijfer de

verandering in de gemiddelde basisprijs aangeeft.

6.24. Voorbeeld:

Stel de waarde van de output van een bepaald product tegen de producentenprijs in jaar n is

1000 en de waarde van de output in jaar n+1 is 900. Het volume-indexcijfer van de output

De uitsplitsing van de subsidie in een volume- en prijscomponent geschiedt dan als volgt:

Waarde n Volume-Volume n+1 Prijsindexcijfer Waarde n+1

indexcijfer n+1/n n+1/n

Output tegen 1 000 102,0 1 020 88,2 900

producentenprijzen

Productgebonden 100 102,0 102 147,0 150

subsidie

Output tegen 1 100 102,0 1 122 93,6 1 050

basisprijzen

Het volume-indexcijfer van de subsidie is gelijk aan dat van de output tegen de producentenprijs.

_______________

BIJLAGE II

Tabel voor de indiening van de gegevens van de landbouwrekeningen

Voor elk van de outputposten (posten 01-18, incl. subposten) afzonderlijk moet de waarde tegen de

basisprijs en de elementen hiervan (waarde tegen producentenprijzen, productgebonden subsidies

en productgebonden belastingen) worden opgegeven.

De gegevens van de productierekening en die over de bruto-investeringen in vaste activa moeten in

lopende prijzen en in constante prijzen worden ingediend.

De waarden moeten worden opgegeven in miljoenen eenheden van de nationale valuta. De

arbeidsinput moet in 1000 arbeidsjaareenheden worden opgegeven.

  • 1. 
    Productierekening

Indiening betreffende referentiejaar n

Post Lijst van variabelen NOV JAN SEP

jaar n jaar n+1 jaar n+1

(schatting) (schatting)

01 GRANEN (incl. zaaigoed) X X X

01.1 Tarwe en spelt X X X

01.1/1 Zachte tarwe en spelt -- -- X

01.1/2 Harde tarwe -- -- X

01.2 Rogge en mengkoren X X X

01.3 Gerst X X X

01.4 Haver en mengsels van zomergranen X X X

01.5 Korrelmaïs X X X

01.6 Rijst X X X

01.7 Andere granen X X X

02 HANDELSGEWASSEN X X X

02.1 Oliehoudende zaden en vruchten (incl. X X X

zaaigoed)

02.1/1 Kool- en raapzaad -- -- X

02.1/2 Zonnebloempitten -- -- X

02.3 Ruwe tabak X X X

02.4 Suikerbieten X X X

02.5 Andere handelsgewassen X X X

02.5/1 Vezelplanten -- -- X

02.5/2 Hop -- -- X

02.5/3 Andere handelsgewassen: andere -- -- X

03 VOEDERGEWASSEN X X X

03.1 Voedermaïs -- -- X

03.2 Voederwortels en voederbieten -- -- X

03.3 Andere voedergewassen -- -- X

04 GROENTEN EN TUINBOUWPRODUCTEN X X X

04.1 Verse groenten X X X

04.1/1 Bloemkool -- -- X

04.1/2 Tomaten -- -- X

04.1/3 Andere verse groenten -- -- X

04.2 Planten en bloemen X X X

04.2/1 Kwekerijplanten -- -- X

04.2/2 Bloemen en sierplanten (incl. kerstbomen) -- -- X

04.2/3 Aanplantingen -- -- X

05 AARDAPPELEN (incl. pootgoed) X X X

06 FRUIT X X X

06.1/1 Tafelappelen -- -- X

06.1/2 Tafelperen -- -- X

06.1/3 Perziken -- -- X

06.1/4 Ander vers fruit -- -- X

06.2 Citrusvruchten X X X

06.2/1 Sinaasappelen (andere dan pomeransen) -- -- X

06.2/2 Mandarijnen -- -- X

06.2/3 Citroenen -- -- X

06.2/4 Andere citrusvruchten -- -- X

06.3 Tropisch fruit X X X

06.4 Druiven X X X

06.4/1 Tafeldruiven -- -- X

06.4/2 Andere druiven -- -- X

06.5 Olijven X X X

06.5/1 Tafelolijven -- -- X

06.5/2 Andere olijven -- -- X

07 WIJN X X X

07.1 Tafelwijn -- -- X

07.2 Kwaliteitswijn -- -- X

08 OLIJFOLIE X X X

09 ANDERE PLANTAARDIGE PRODUCTEN X X X

09.1 Plantaardige stoffen, hoofdzakelijk gebruikt voor -- -- X

vlechtwerk

09.2 Zaaigoed -- -- X

12 DIERLIJKE PRODUCTEN X X X

12.1 Melk X X X

12.2 Eieren X X X

12.3 Andere dierlijke producten X X X

12.3/1 Ruwe wol -- -- X

12.3/2 Cocons van zijderupsen -- -- X

12.3/3 Andere dierlijke producten: andere -- -- X

13 OUTPUT VAN DE VEETEELT (11+12) X X X

14 OUTPUT VAN DE LANDBOUW: GOEDEREN X X X

(10+13)

15 OUTPUT VAN DE LANDBOUW: DIENSTEN X X X

15.1 LANDBOUWDIENSTEN -- -- X

15.2 VERHUUR VAN MELKQUOTA -- -- X

16 OUTPUT VAN DE LANDBOUW (14+15) X X X

17 NIET TOT DE LANDBOUW BEHORENDE X X X

NEVENACTIVITEITEN (NIET-SCHEIDBAAR)

17.1 VERWERKING VAN X X X

LANDBOUWPRODUCTEN

17.2 ANDERE NIET-SCHEIDBARE X X X

NEVENACTIVITEITEN (GOEDEREN EN

DIENSTEN)

19.02/2 - gas -- -- X

19.02/3 - andere brandstoffen -- -- X

19.02/4 - andere -- -- X

19.03 MESTSTOFFEN EN GRONDVERBETERENDE X X X

MIDDELEN

19.04 FYTOSANITAIRE PRODUCTEN EN X X X

PESTICIDEN

19.05 UITGAVEN VOOR VEEARTSEN X X X

19.06 VEEVOEDER X X X

19.06/1 - veevoeder geleverd door andere X X X

landbouwbedrijven

19.06/2 - veevoeder gekocht buiten de bedrijfstak landbouw X X X

19.06/3 - veevoeder geproduceerd en verbruikt op hetzelfde X X X

bedrijf

19.07 ONDERHOUD VAN MATERIAAL X X X

19.08 ONDERHOUD VAN GEBOUWEN X X X

19.09 LANDBOUWDIENSTEN X X X

19.10 ANDERE GOEDEREN EN DIENSTEN X X X

20 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE TEGEN X X X

BASISPRIJZEN (18-19)

21 VERBRUIK VAN VASTE ACTIVA X X X

21.3 AANPLANTINGEN -- -- X

21.4 ANDERE -- -- X

22 NETTO TOEGEVOEGDE WAARDE TEGEN X X X

BASISPRIJZEN (20-21)

  • 2. 
    Inkomensvormingsrekening

Indiening betreffende

referentiejaar n

Post Lijst van variabelen NOV JAN SEP

jaar n jaar n+1 jaar

(schatting) (schatting) n+1

23 BELONING VAN WERKNEMERS X X X

24 NIET-PRODUCTGEBONDEN X X X

BELASTINGEN OP PRODUCTIE

25 NIET-PRODUCTGEBONDEN SUBSIDIES X X X

26 FACTORINKOMEN (22-24+25) X X X

27 EXPLOITATIEOVERSCHOT / GEMENGD X X X

INKOMEN (22-23-24+25)

  • 3. 
    Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening

Indiening betreffende

  • 4. 
    Elementen van de kapitaalrekening

Indiening betreffende

referentiejaar n

Post Lijst van variabelen NOV JAN SEP

jaar n jaar n+1 jaar

(schatting) (schatting) n+1

32 BIVA, LANDBOUWPRODUCTEN -- -- X

32.1 BIVA, AANPLANTINGEN -- -- X

32.2 BIVA, DIEREN -- -- X

33 BIVA, NIET-LANDBOUWPRODUCTEN -- -- X

33.1 BIVA, MATERIAAL -- -- X

33.2 BIVA, GEBOUWEN -- -- X

33.3 ANDERE BIVA -- -- X

34 INVESTERINGEN IN VASTE ACTIVA -- -- X

(BRUTO) (EXCL. AFTREKBARE BTW)

(32+33)

35 INVESTERINGEN IN VASTE ACTIVA -- -- X

(NETTO) (EXCL. AFTREKBARE BTW) (34-

21)

36 VERANDERINGEN IN VOORRADEN -- -- X

37 KAPITAALOVERDRACHTEN -- -- X

  • 5. 
    Arbeidsinput in de landbouw

Indiening betreffende

referentiejaar n

Post Lijst van variabelen NOV JAN SEP

jaar n jaar n+1 jaar

(schatting) (schatting) n+1

38 ARBEIDSINPUT IN DE LANDBOUW, X X X

TOTAAL

38.1 ARBEIDSINPUT IN DE LANDBOUW, NIET X X X

IN LOONDIENST

38.2 ARBEIDSINPUT IN DE LANDBOUW, IN X X X

LOONDIENST

_______________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

4 feb
'03
COM(2003)50 - Landbouwrekeningen in de EG


15 mei
'02
COM(2002)234 - Wijziging van Verordening 2223/96 betreffende de indieningstermijnen voor de belangrijkste aggregaten van de nationale rekeningen, de afwijkingen met betrekking tot de indiening van de belangrijkste aggregaten van de nationale rekeningen en de indiening van gegevens over de werkzame personen in gewerkte uren


24 jun
'98
COM(1998)380 - Voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden


16 dec
'94
COM(1994)593 - Europees stelsel van nationale en regionale rekeningen in de EG


10 mrt
'94
COM(1994)78 - Maatregelen van de gemeenschap op het gebied van de statistiek


 
publicatiedatum 03-11-2003
kenmerk 3664/03

Inhoud