| Het Bataafsche Volk vat nimmer de waapenen op, dan ter handhavinge zijner vrijheid, ter bewaaringe van zijn grondgebied, en ter verdediging zijner Bondgenooten. Het beveelt, tot dat einde, eene zorgvuldige inrigting zijner Krijgsmagt, bovenal ter Zee, als het bolwerk van den nationaalen voorspoed. Het gelast de stipste onzijdigheid van het Bestuur ten aanzien der mogendheden. Het bewaart, zooveel mooglijk, den vrede met alle Volken, en koomt zijne verbindtenissen met denzelven heiliglijk na. Het eerbiedigt derzelver regten, en wil, dat, in tijd van Oorlog, de rampen der menschheid, bij wederzijdsch verdrag, zoo veel doenlijk, verzagt worden.
|
|