 | Pim Fortuyn |
| Voormalige hoogleraar en columnist die in 2001 op stormachtige wijze de politiek betrad en die op een onconventionele wijze politiek bedreef. Hedonistische, enigszins dandy-achtige man, die omstreden uitspraken niet schuwde, maar daarom ook fel werd bestreden. Werd in 2001 gekozen tot lijsttrekker van Leefbaar Nederland. Zeer succesvol bij de gemeenteraadsverkiezingen in Rotterdam. Na een conflict met Leefbaar Nederland kwam hij met een eigen lijst, de Lijst Pim Fortuyn. Fel bestrijder van het 'paarse kabinet' en het 'poldermodel'. Leek af te stevenen op een grote verkiezingswinst en had ambitie om minister-president te worden. Werd kort voor de verkiezingen vermoord; een moord die de gehele politiek schokte.
|
 | Willem van Oranje |
| 'De Vader des Vaderlands', ook wel 'Willem de Zwijger'. Duitse prins uit Dillenburg uit een luthers geslacht, die aan hof van de landvoogdes een katholieke opvoeding kreeg. Door erfenis en huwelijk breidde zijn bezittingen uit en werd hij prins van Orange. Gunsteling van de keizer en in 1559 stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Ontpopte zich echter als leider van het adellijke verzet en was voorstander van meer godsdienstvrijheid in de Nederlanden. Na overgang tot het protestantisme leidde hij de (militaire) opstand tegen de Katholieke (Spaanse) machthebbers. Drong echter wel steeds aan op tolerantie op godsdienstig gebied. Na in 1580 door Filips II in de ban te zijn gedaan vogelvrij. Overleefde in 1582 een aanslag in Antwerpen, maar werd in juli 1584 in Delft doodgeschoten.
|
 | Willem Drees |
| 'Vadertje Drees'. De belangrijkste naoorlogse politicus, onder wiens leiding zowel de dekolonisatie als de wederopbouw plaatsvonden. Overtuigd sociaaldemocraat, maar wel zeer pragmatisch ingesteld ('niet alles kan, en zeker niet alles tegelijk'). Groeide op in Amsterdam en klom op van stenograaf, SDAP-wethouder van Den Haag en Kamerlid, tot minister en minister-president. Had als wethouder van Den Haag al voor 1940 een goede naam als bestuurder. In de oorlog enige tijd gijzelaar en centrale figuur in het politieke verzet. Bracht in 1947 als minister van Sociale Zaken de Noodwet Ouderdomsvoorziening tot stand, de voorloper van de AOW. Werd zowel daardoor, als door zijn leiderschap en soberheid een populair staatsman, ook buiten zijn eigen kring. Tien jaar premier van brede coalities waarvan PvdA en KVP de kern vormden. Had goede contacten met Beel. Brak in de jaren '70 met zijn partij, de PvdA, uit onvrede over de koers. Sober levende en altijd eenvoudig gebleven man, die een zeer hoge leeftijd bereikte.
|
 | Aletta Jacobs (nr. 11) |
| Voorvechtster van vrouwenkiesrecht in de tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw. Eerste meisje dat (als toehoorster) toegang kreeg tot de hbs en in 1870 de eerste vrouwelijke student. Na voltooiing van haar studie geneeskunde huisarts in Amsterdam (de eerste vrouwelijke arts). Toonde daarin grote sociale betrokkenheid en zette zich in voor geboortebeperking. Vanaf 1883 strijdster voor vrouwenkiesrecht en in 1894 oprichtster van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Actief in de VDB, maar in 1918 tegen de bedoeling van haar partij niet gekozen tot Tweede Kamerlid. Zette zich ook voor internationaal vredeswerk in.
|
 | koningin Juliana (nr. 14) |
| Vorstin, die op menselijke ('gewone') manier inhoud wilde geven aan haar taak en weinig op had met 'protocol'. Stond daardoor veel dichter bij de bevolking dan haar moeder. Verklaarde bij haar inhuldiging het moederschap net zo belangrijk te vinden als haar rol als vorstin. Had goede banden met Drees en Beel. Kreeg twee maal te maken met ernstige constitutionele moeilijkheden. In 1956 door de Greet Hofmansaffaire en in 1976 door de Lockheedaffaire waarbij haar echtgenoot in opspraak kwam. Dat deed geen afbreuk aan haar populariteit. Zette zich in het bijzonder in voor het maatschappelijk werk en voor gehandicaptenzorg.
|
 | Johan Rudolf Thorbecke (nr. 15) |
| Liberale staatsman. Als voorzitter van de Grondwetscommissie in 1848 grondlegger van onze parlementaire democratie. Kwam al in 1844 met acht medeleden met een voorstel tot herziening van de Grondwet in democratische zin. Werd in 1848 door de koning gevraagd een liberale Grondwet te onderwerpen. Hierdoor kwamen er rechtstreekse verkiezingen en ministeri le verantwoordelijkheid, werden parlementaire rechten uitgebreid en werd de mogelijkheid van Kamerontbinding ingevoerd. Leidde daarna drie keer een kabinet, waarbij hij onder meer de Kieswet, Gemeentewet en Provincie Wet tot stand bracht. Legde daarmee ook de basis voor de bestuurlijke organisatie met drie bestuurslagen. Had niet de sympathie van koning Willem III. Hoewel hij veel medestanders later van zich vervreemdde en soms weerstanden opriep, was hij ongetwijfeld de grootste staatsman van de negentiende eeuw.
|
 | koningin Wilhelmina (nr. 20) |
| Op haar tiende koningin, aanvankelijk onder het regentschap van haar moeder. Werd in september 1898 als koningin ingehuldigd en bleef vijftig jaar regerend vorstin. Regeerde lange tijd nogal afstandelijk van de bevolking, maar is in de Tweede Wereldoorlog uitermate populair geworden. Nadat zij in de meidagen van 1940 noodgedwongen was uitgeweken naar Londen kon zij haar rol als 'Moeder des Vaderlands' ten volle gestalte geven. Inspireerde via radio-toespraken het verzet. Zag zichzelf als leidsvrouwe van een vernieuwd en verenigd volk. Nadat na de bevrijding bleek dat de oorlog niet de politieke vernieuwing had gebracht die zij had gewenst, deed zij afstand van de troon. Krachtige persoonlijkheid, godsdienstig en temperamentvol.
|