| - | |
advocaat te 's-Gravenhage, vanaf 25 juni 1827 |
| - | |
substituut-Officier van Justitie te Deventer, van 1834 tot 1 oktober 1838 |
| - | |
Officier van Justitie te Zwolle, van 1 oktober 1838 tot oktober 1839 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 22 oktober 1839 tot 18 oktober 1847 (voor Overijssel) |
| - | |
voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 24 oktober 1845 tot 18 oktober 1847 |
| - | |
Gouverneur van Overijssel, van 1 november 1847 tot 1 augustus 1850 (benoemd bij K.B. van 24 september 1847) |
| - | |
Commissaris des Konings van Overijssel, van 1 augustus 1850 tot 24 oktober 1850 (benoemd bij K.B. van 10 juli 1850) |
| - | |
Behoorde in 1839 tot de 14 leden die tegen de voorlopige begroting 1840 stemden |
| - | |
Behoorde in 1840 tot de 15 leden die vóór een amendement op het Adres van Antwoord stemde om te verklaren dat de Grondwet plechtanker van Neêrlands vrijheid en volksgeluk 'moet zijn' in plaats van dat ze dat 'is' |
| - | |
Stemde bij de Grondwetsherziening van 1840 tegen het voorstel inzake de koloniën |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de 32 leden die vóór de ontwerp-wet inzake de (vrijwillige) geldlening en buitengewone belasting op bezittingen stemden. Het voorstel werd met 32 tegen 25 stemmen aangenomen. |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de 15 leden die tegen een aanvulling van de instructie aan de Algemene Rekenkamer stemden, omdat die tot onvoldoende verbetering van het toezicht zou leiden |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de 28 leden die vóór het ontwerp-Adres van Antwoord stemde, waarin werd aangedrongen op grondwetsherziening |
| - | |
Beantwoordde in 1844 de vraag of er vanuit de Tweede Kamer een voorstel tot Grondwetsherziening moest worden gedaan met "ja" |
| - | |
Behoorde in 1845 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel inzake onteigening ten algemene nutte stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 20 stemmen verworpen. |
| - | |
Stemde in 1846 tegen hoofdstuk I van de begroting |
| - | |
Behoorde in 1847 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel over het stemrecht in steden en op het platteland stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 27 stemmen verworpen. |
| - | |
Behoorde in 1847 tot de dertien leden die vóór het (verworpen) wetsvoorstel tot intrekking van de accijns op het gemaal van rogge stemde |
| - | |
Stemde in 1847 tegen hoofdstuk II van de begroting |
| - | |
Steunde in 1847, als één van de weinige liberalen, het regeringsvoorstel tot afschaffing van het Recht van Placet |