| - | |
advocaat en procureur te Arnhem, vanaf 1840 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 13 februari 1849 tot 26 april 1853 (voor het kiesdistrict Zutphen) |
| - | |
voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 24 september 1852 tot 26 april 1853 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 20 september 1854 tot 1 oktober 1866 (voor het kiesdistrict Zutphen) |
| - | |
lid gemeenteraad van Arnhem, van 1857 tot 24 februari 1881 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 11 december 1866 tot 3 januari 1868 (voor het kiesdistrict Groningen) |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 februari 1868 tot 24 februari 1881 (voor het kiesdistrict Arnhem) |
| - | |
voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 23 september 1869 tot 24 februari 1881 |
| - | |
Deskundige op waterschap- en poldergebied; sprak in de Tweede Kamer ook over accijnzen, marine, justitie en spoorwegen. |
| - | |
Diende in 1855 met Blaupot ten Cate een voorstel in tot het instellen van een parlementaire enquête naar de aanbesteding van de levering van muntplaatjes voor de koperen pasmunt in Nederlands-Indië. Het voorstel werd later ingetrokken. |
| - | |
Behoorde in 1866 tot de liberalen die vóór het amendement-Poortman op de ontwerp-Cultuurwet stemden. Door aanneming van dit amendement viel het kabinet-Fransen van de Putte. |
| - | |
Stemde op 23 maart 1868 vóór de motie-Blussé van Oud-Alblas, die uitsprak dat de Kamerontbinding van 1867 niet in het landsbelang was geweest |
| - | |
Behoorde in 1880 tot de 14 leden die tegen de toelating van Schaepman als Kamerlid waren |
| - | |
Versloeg in januari 1849 bij naverkiezingen in het district Zutphen R.W. Tadema |
| - | |
Werd in 1853 in de districten Arnhem en Zutphen verslagen door antirevolutionaire tegenkandidaten |
| - | |
Versloeg in 1854 bij de periodieke verkiezingen in het district Zutphen J.J.L. van der Brugghen (a.r.) |
| - | |
Werd in 1866 bij de algemene verkiezingen in het district Zutphen na herstemming verslagen door J. Dam (lib.) |
| - | |
Versloeg in 1866 bij naverkiezingen in het district Groningen J.J. Cremers (lib.) |
| - | |
Werd in 1868 in de districten Arnhem en Groningen gekozen en nam zitting voor Arnhem. Versloeg in Arnhem na herstemming de antirevolutionairen G. Groen van Prinsterer en C.Th. baron van Lynden van Sandenburg. |
| - | |
Versloeg in 1869 jhr. J.W. van Loon (a.r.) |
| - | |
Werd in 1873 in de districten Arnhem en Deventer gekozen en nam zitting voor Arnhem. Versloeg in Deventer A. baron Schimmelpenninck van der Oye (a.r.) en in Arnhem H.A. ridder van Rappard (cons.) en L.W.Ch. Keuchenius (a.r.). |
| - | |
Versloeg in 1877 A.J. Thomassen à Thuessink van der Hoop van Slochteren (a.r.) |
| - | |
Sagittarius, "Parlementaire Portretten. De aftredende helft van de Tweede Kamer der Staten-Generaal" (1869) |
| - | |
Castoretpollux, "In de Tweede Kamer. Portretten" (1881) |
| - | |
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel IV, 534 |
| - | |
N. Cramer, "Wandelingen door de Handelingen", p. 34 |
| - | |
J. Brabers, "Een Arnhems burger bij uitnemendheid. Een levensbericht van W.H. Dullert 1817-1881" (2011) |