Vragenrecht

Als uitvloeisel van het recht op inlichtingen, waarover alle Kamerleden beschikken, kennen Tweede en Eerste Kamer een vragenrecht. Met dit recht kunnen leden behalve tijdens de debatten en de schriftelijke behandeling van (wets)voorstellen schriftelijk vragen stellen aan de regering.

[ V ][ ^^ ]

Procedure

Vragen kunnen betrekking hebben op vrijwel elk onderwerp, maar vragen moet wel eerst aan de Kamervoorzitter worden voorgelegd, voor ze worden doorgezonden. De Voorzitter beoordeelt onder meer of de vraag de juiste vorm heeft en of het onderwerp wel beleid betreft waarmee de Kamer zich bezighoudt. Voor het stellen van schriftelijke vragen bestaan binnen fracties ook vaak regels. Meestal worden vragen alleen na intern overleg (bijvoorbeeld met de fractievoorzitter) gesteld.

Schriftelijke vragen worden als regel schriftelijk door een minister of staatssecretaris beantwoord. Indien een bewindspersoon niet in staat is dit binnen drie weken te doen, wordt dit aan de Kamervoorzitter met opgave van redenen, gemeld. Alle vragen worden opgenomen in het Aanhangsel van de Handelingen (het woordelijke verslag van de vergaderingen).

[ V ][ ^^ ]

Vragenuur

Schriftelijke vragen kunnen in de Tweede Kamer eventueel mondeling worden beantwoord tijdens het wekelijkse vragenuur, dat iedere dinsdag aan het begin van de vergadering wordt gehouden.

Tijdens het vragenuur kan een Kamerlid ten hoogste twee minuten één of meer ministers vragen te stellen en een toelichting te geven. De minister of indien de vragen aan meer ministers zijn gericht de ministers gezamenlijk wordt voor ten hoogste vijf minuten het woord verleend om de vragen te beantwoorden. Interrupties door de vragensteller zijn toegestaan na drie minuten. Als daarvan geen gebruik wordt gemaakt, mogen gedurende één minuut nog aanvullende vragen worden gesteld. Daarna kunnen ook andere leden vragen stellen.

Tijdens het vragenuur kunnen geen moties worden ingediend en kan ook geen verlof voor het houden van een interpellatie worden gevraagd.

[ V ][ ^^ ]

Historische ontwikkeling

Het mondelinge (individuele) vragenrecht werd in 1906 in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer opgenomen. Het voorstel daartoe werd gedaan door de liberaal Goeman Borgesius en door zes andere fractievoorzitters. De Eerste Kamer kent sinds 1918 het vragenrecht.

Naar analogie van het Britse parlement kwam er in 1906 in de Tweede Kamer tevens een mogelijkheid voor ieder lid om, zonder speciaal verlof van de Kamer, op een vast tijdstip aan één of meer ministers vragen te stellen (het vragenuurtje). De vragen moesten kort en duidelijk zijn en bij de Kamervoorzitter worden ingediend. Aanvullende vragen waren mogelijk.

Het vragenuur was aanvankelijk vrijdagmiddag, maar na enkele jaren vond nog nauwelijks mondelinge beantwoording plaats. In 1952 werd het vragenuur echter nieuw leven ingeblazen. Ook andere leden mochten voortaan een aanvullende vraag stellen. In 1984 werd het vragenuur verplaatst van donderdagochtend naar dinsdagmiddag. Zo kon beter worden ingespeeld op de wekelijkse ministerraad op vrijdag. Vragen mochten tot 12.00 uur worden ingeleverd. Het vragenuur werd verlevendigd door meer discussie toe te staan.

Sinds 1997 wordt het vragenuurtje aan het begin van de vergadering gehouden, nog voor de regeling van werkzaamheden.

Procedure
Vragenuur
Historische ontwikkeling
TXT/Print-versie voor correct en passend afdrukken (verschijnt in een nieuw venster)Reageer op deze pagina. Aanvullingen en suggesties zijn altijd welkom!
homeHome           Route