Vraag:
Is het vaker voorgekomen dat een voorstel tot Grondwetsherziening in de Eerste Kamer geen tweederde meerderheid haalde en daardoor werd verworpen?
Antwoord:
Ja. Het bekendste voorbeeld was tot nu toe uiteraard het voorstel voor een correctief referendum dat op 19 mei 1999 strandde, omdat op één stem na niet de tweederde meerderheid werd gehaald (de stemverhouding was 49-26).
In maart 1996 kreeg een voorstel over tijdelijke vervanging van volksvertegenwoordigers bij zwangerschap slechts 43 voorstemmen, terwijl 27 leden tegen waren. Vooral de VVD lag dwars, hoewel het voorstel door VVD-minister Dijkstal werd verdedigd.
In 1952 verwierp de Eerste Kamer een voorstel tot uitbreiding van het aantal leden van de Tweede Kamer van 100 naar 150. Voornaamste reden was eveneens opgenomen mogelijkheid van stemoverdracht (andere leden zouden een stem mogen uitbrengen namens een afwezige collega). In de Kamer van 50 leden waren 28 leden voor het voorstel en 17 tegen.
In 1956 kreeg een voorstel over het voorkomen van een parlementair vacuüm eveneens geen tweederde meerderheid (18 voor en 16 tegen). Met het voorstel (oorspronkelijk door VVD-leider Oud ingediend) moest worden voorkomen dat er tussen verkiezingen en het optreden van de nieuwe Kamer enige tijd geen parlement zou zijn. De zittingsduur van de Kamer zou daartoe eventueel verlengd kunnen worden. Hoogleraren wezen op het gevaar van mogelijk misbruik en dat was reden voor veel leden om tegen te stemmen.
 |
