Onder de tweede pijler van de Europese Unie (EU) valt de samenwerking in het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB). Het gaat hier om het buitenlands en defensiebeleid van de EU ten opzichte van de buitenwereld. Het handelsbeleid tegenover niet-EU-landen vloeit voort uit het feit dat de EU een gemeenschappelijke markt heeft, en behoort dus tot de eerste pijler.
De Europese Commissie en de EU-lidstaten hebben beide het recht van initiatief in de tweede pijler. Voor besluiten over gemeenschappelijke strategieën is unanimiteit in de Raad van ministers vereist. Bij meer uitvoeringsgeoriënteerde besluiten is een gekwalificeerde meerderheid in de Raad nodig. Lidstaten kunnen zich ook onthouden van stemming ('constructieve onthouding').
Als een belangrijk nationaal belang in het geding is kunnen lidstaten verhinderen dat tot besluitvorming met een gekwalificeerde meerderheid wordt overgegaan. Met gekwalificeerde meerderheid kan dan besloten worden de zaak aan de Europese Raad voor te leggen. In de Europese Raad is vervolgens unanimiteit nodig.
Het Europees Parlement (EP) heeft nauwelijks een rol in de formele besluitvorming in de tweede pijler. Wel moet de voorzitter van de Raad het EP raadplegen over de belangrijkste aspecten van het GBVB en erop toezien dat de opvattingen van het EP naar behoren in aanmerking worden genomen. Het Europees Hof van Justitie heeft in het geheel geen rol in de tweede pijler.
De coördinatie van de tweede pijler is in handen van de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB. Op dit moment is dat de Spanjaard Javier Solana. Het GBVB komt hoofdzakelijk tot uiting in het geven van verklaringen over bijvoorbeeld mensenrechtensituaties en verkiezingsprocessen. De laatste jaren krijgt het beleid ten aanzien van defensiemissies steeds meer handen en voeten.