Vraag:
Bij de (hernieuwde) discussie over smalende godslastering is het goed naar de parlementaire geschiedenis te kijken. Hoe kwam het tot strafbaarstelling?
Antwoord
In de jaren twintig van de vorige eeuw ontstond een discussie over uitlatingen in het communistische tijdschrift 'De Tribune'. Zo noemden communisten godsdienst een 'opium van het volk', alleen bedoeld om de bestaande maatschappelijke verhoudingen in stand te houden. Ook werd buitengewoon scherp en beledigend over het Christendom gesproken in termen als 'Christus op de mestvaalt'.
Op grond van deze uitlatingen werd 'De Tribune' door de regering geweerd uit openbare bibliotheken en uit spoorwegboekhandels. Minister Donner, de overgrootvader van onze huidige minister, kwam bovendien met een wetsvoorstel om smadelijke godslastering strafbaar te stellen.
In de Tweede Kamer bestreden sociaal-democraten, liberalen en vrijzinnig-democraten het voorstel. Sommige leden stelden: als iemand niet in God gelooft, kan er dan wel van lastering worden gesproken? Het liberale Kamerlid Eerdmans, voormalig hoogleraar theologie in Leiden, wees erop dat Jezus vanwege 'godslastering' was gekruisigd.
Ter rechterzijde was er waardering van ARP en CHU, maar er waren er ook kritische geluiden. De orthodoxe partijen SGP en HGSP wilden namelijk verder gaan, waarbij anti-papistische gevoelens een duidelijke rol speelden. Aan katholieke zijde bestond ook enige huivering. Zij wezen op mogelijk misbruik van het artikel. Ook het CHU-lid Slotemaker de Bruïne, voormalig predikant, had twijfels over de strafbaarstelling.
In de Tweede Kamer stemden uiteindelijk SDAP, VDB, Liberalen en Communisten, SGP en twee CHU'ers tegen. In de Eerste Kamer stemden alle linkse partijen (liberalen en socialisten) tegen. De wet kwam in 1932 tot stand.
 |
