Wettelijke basis |
Wanneer ontstaat wantrouwen? |
Ontstaan van de vertrouwensregel |
| - | In 1853 liet koning Willem III zich, tegen het advies van het kabinet-Thorbecke in, kritisch uit over het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (het recht van de paus om zelfstandig een Nederlandse katholieke kerkorganisatie met een bisschoppelijk bestuur vast te stellen; de overheidsbemoeienis hiermee was bij de Grondwetsherziening van 1848 afgeschaft). Het kabinet-Thorbecke trad af nadat de Koning zijn uitlatingen niet in het openbaar wilde herroepen. Het kabinet wilde dus geen verantwoordelijkheid dragen voor de woorden van de koning. |
| - | In 1866 trad minister Mijer van Koloniën af. Hij werd korte tijd later Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië. De Kamer was het niet eens met zijn aftreden en nam een motie van afkeuring aan. Volgens het kabinet was de regering geen verantwoording aan het parlement schuldig omdat de Grondwet het bestuur van de koloniën uitdrukkelijk aan de Koning overliet. De Koning ontbond vervolgens de Tweede Kamer, zodat de kiezers zich over de kwestie konden uitspreken. De nieuw gekozen Tweede Kamer deed vervolgens niets meer met dit onderwerp. |
| - | In 1868 verwierp de Tweede Kamer de begroting van Buitenlandse Zaken omdat Nederland een verdrag had ondertekend waarin de neutraliteit van Luxemburg was gegarandeerd. De Tweede Kamer vond dat Nederland zich niet in de Europese machtspolitiek had moeten laten betrekken, waarop de Koning de Tweede Kamer ontbond. Na de verkiezingen werd de begroting van Buitenlandse Zaken opnieuw verworpen, waarop het kabinet aftrad. Hierdoor ontstond de ongeschreven regel dat de Tweede Kamer vanwege hetzelfde conflict slechts eenmaal ontbonden mag worden. |
De praktijk |
| Meer over kabinetscrises | |
| Meer over ministerscrises |
| Wettelijke basis |
||
| Wanneer ontstaat wantrouwen? |
||
| Ontstaan van de vertrouwensregel |
||
| De praktijk |
||