| Centrum-rechts (2002-heden) | |
| Na acht jaar kwam er een eind aan Paars. Economische teruggang en kritiek vanwege problemen op het gebied van veiligheid, zorg en onderwijs creëerden een klimaat waarin nieuwkomer LPF samen met CDA en VVD de 'puinhopen van Paars' zouden gaan opruimen. |
| Paars (1994-2002) | |
| In deze periode regeren twee kabinetten onder leiding van Wim Kok met vertegenwoordigers uit PvdA, VVD en D66. De vorming van het eerste kabinet komt in 1994 tot stand nadat de zittende coalitie van CDA en PvdA haar meerderheid heeft verloren. Beide partijen verliezen fors. Winnaars zijn D66 en VVD. |
| Kabinetten-Lubbers (1982-1994) | |
| Deze periode wordt gedomineerd door het CDA van premier Lubbers. Na het mislukte kabinet-Van Agt/Den Uyl/Terlouw komt er in november 1982 een centrum-rechts kabinet onder leiding van de opvolger van Van Agt. Dat kabinet neemt de sanering van de overheidsfinanciën krachtig ter hand, waarbij onder meer wordt bezuinigd op ambtenarensalarissen en uitkeringen. |
| Polarisatie (1966-1982) | |
| Deze periode wordt gekenmerkt door een scherpe tegenstelling tussen partijen. Met name de progressieve partijen (PvdA, D66 en PPR) vinden eind jaren zestig dat kiezers een duidelijker keuze moeten kunnen maken. Zij benadrukken daarom de verschillen met andere partijen, bepleiten directe verkiezing van de minister-president en stellen voorwaarden aan regeringsdeelname. |
| Welvaartsstaat (1958-1966) | |
| In deze periode wordt verder gewerkt aan uitbouw van de welvaartstaat. Er komen nieuwe regelingen voor kinderbijslag en arbeidsongeschiktheid, er wordt een sociaal minimum ingevoerd, de Algemene Bijstandswet vervangt de Armenwet en de vrije zaterdag wordt ingevoerd. Ook de lonen gaan, mede onder druk van krapte op de arbeidsmarkt, omhoog. De welvaartsstijging is mede te danken aan grote aardgasvondsten. Keerzijde van de welvaart zijn toenemende milieuvervuiling en een steeds verdere verstedelijking. |
| Rooms-rode kabinetten (1945-1958) | |
| Deze periode wordt gekenmerkt door de samenwerking van KVP en PvdA ('Rooms-Rood'), die de kern vormen van kabinetten waaraan ook andere partijen deelnemen. We spreken ook wel van kabinetten-op-brede-basis. Die brede basis is nodig vanwege de wederopbouw na de Duitse bezetting, die tot enorme economische schade heeft geleid. Verder krijgt Nederland te maken met de Indonesische vrijheidsstrijd die in 1949 tot losmaking van Nederlands-Indië uit het koninkrijk leidt. |
| Oorlogskabinetten (1939-1945) | |
| Deze periode wordt geheel beheerst door de internationale toestand. De herbewapening en annexatiedrift van Nazi-Duitsland mondt in 1939 uit in de Tweede Wereldoorlog. Na de val van het vijfde kabinet-Colijn is een kabinet-De Geer aangetreden waarin voor het eerst sociaal-democraten zijn opgenomen. Kort na het aantreden van het kabinet wordt het Nederlandse leger gemobiliseerd. Een paar weken later breekt de oorlog uit. |
| Interbellum (1918-1939) | |
| De tijd tussen de twee wereldoorlogen (het Interbellum) heeft twee belangrijke kenmerken. Ten eerste is dat de verzuiling van de samenleving. En tweede het overwicht van de drie confessionele partijen, RKSP, ARP en CHU. Zij hebben steeds een meerderheid in beide Kamers. Ondanks dat overwicht vinden diverse kabinetscrises plaats en worden veelal extra-parlementaire kabinetten gevormd. |
| Kabinetten voor 1918 | |
| Pas sinds 1848 kennen we kabinetten. Daarvoor waren de ministers op de eerste plaats dienaren van de koning die slechts zelden gezamenlijk vergaderden. Pas in 1842 werd er een geregelde kabinetsvergadering in het leven geroepen. In 1848 werd voor het eerst een kabinet geformeerd. |