Nadat op 20 mei 2003 demissionair premier Balkenende belast was met de vorming van een kabinet van CDA, VVD en D66, kon hij op 27 mei 2003 zijn tweede kabinet presenteren. Op 14 mei hadden de partijen onder leiding van de informateurs Hoekstra en Korthals Altes overeenstemming bereikt over een regeerakkoord. De informateurs waren op 15 april aangewezen, na het mislukken van een poging om een kabinet van CDA en PvdA te vormen.
De twee informateurs hebben eerst onderzocht welke partij(en) bereid waren een kabinet met CDA en VVD aan een meerderheid te helpen. Nadat de LPF was afgevallen, bleven D66 en de combinatie ChristenUnie/SGP als mogelijke kandidaten over. Met deze partijen werden intensieve gesprekken gevoerd. Tenslotte viel de keus op D66.
Na de verkiezingen van 22 januari heeft allereerst demissionair minister van Justitie Donner opdracht gekregen om te verkennen welke partijen een coalitie zouden kunnen vormen. Donner richtte zich bij zijn verkenning op vorming van een kabinet van CDA en PvdA. Het ging daarbij vooral om de vraag of de politieke wil bij beide partijen bestond om zo'n kabinet te vormen.
Donner bracht op 3 februari verslag uit aan de Koningin en adviseerde om gezien de aanwezige politieke wil een onderzoek in te stellen naar de vorming van een kabinet van CDA en PvdA. Tevens stelde hij voor om naast een CDA'er een informateur van PvdA-huize te benoemen.
De koningin benoemde hierna op 5 februari naast Donner het vroegere PvdA-Tweede Kamerlid Leijnse tot informateur. Samen onderzochten zij de mogelijkheden van de vorming van een CDA-PvdA-kabinet. Op 11 april strandde de poging echter, omdat partijen het niet eens konden worden over het financiële beleid.