| - | 1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. |
| - | 2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden. |
| - | 3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden. |
| - | 4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd. |
| - | 1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren. |
| - | 2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd. |
| - | 1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen. |
| - | 2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming. |
| - | 1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn. |
| - | 2. Van het kiesrecht is uitgesloten: |
| - | hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht; |
| - | 1. Niemand kan lid van beide kamers zijn. |
| - | 2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad. |
| - | 3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist. |
| - | 4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend. |
| - | 1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter. |
| - | 2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn. |
| - | 1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden. |
| - | 2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden. |
| - | 3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt. |
| - | 4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd. |
| - | 1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar. |
| - | 2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt. |
| - | 3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten. |
| - | 1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is. |
| - | 2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen. |
| - | 3. De leden stemmen zonder last. |
| - | 4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt. |
| - | 1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen. |
| - | 2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn. |
| - | 3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen. |