Als een kabinet gevallen is, wordt vaak de Tweede Kamer ontbonden. De regering heeft Grondwettelijk het recht hiertoe. Kamerontbinding maakt het mogelijk een politiek geschil aan de kiezers voor te leggen. Een besluit tot kamerontbinding moet namelijk altijd gepaard gaan met het binnen 40 dagen uitschrijven van nieuwe verkiezingen.
Het recht van kamerontbinding bestaat sinds 1848. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer kunnen ontbonden worden. Nu heeft ontbinding van de Eerste Kamer echter weinig zin meer, omdat het kiescollege daarvan, de Provinciale Staten, niet ontbonden kan worden. Ontbinding van de Eerste Kamer vanwege een politiek conflict was er alleen in 1904. In die tijd was het nog wel mogelijk dat ontbinding leidde tot een andere politieke samenstelling. In 1904 verloren de liberalen hun meerderheid aan katholieken en antirevolutionairen.
Sinds 1918 is het gebruikelijk dat het kabinet demissionair wordt vóór de verkiezingen. In de negentiende eeuw wachtten kabinetten de verkiezingsuitslag af, alvorens te beslissen of ze aanbleven. De verkiezingsstrijd stond dan geheel in het teken van het conflict, zoals in 1894 bij de strijd over uitbreiding van het mannenkiesrecht tussen voor- en tegenstanders van minister Tak van Poortvliet.
Ontbinding van de Tweede Kamer is voorgeschreven als een voorstel tot Grondwetsherziening in eerste lezing is aangenomen. Zo'n ontbinding valt als regel samen met het einde van de vierjarige zittingsperiode van de Kamer. De Eerste Kamer wordt sinds 1995 niet meer ontbonden bij Grondwetsherziening.