| - | de aard, ernst en omvang van de zware, georganiseerde criminaliteit |
| - | de feitelijke toepassing, de rechtmatigheid, het verantwoord zijn en de effectiviteit van de opsporingsmethoden |
| - | organisatie, functioneren van en controle op de opsporing. |
Maatschappelijke context |
Onderzoeksvragen |
| - | de aard, ernst en omvang van de zware, georganiseerde criminaliteit; |
| - | de feitelijke toepassing, de rechtmatigheid, het verantwoord zijn en de effectiviteit van de opsporingsmethoden; |
| - | de organisatie, het functioneren van en de controle op de opsporing. |
Het onderzoek |
| - | Aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteit |
| - | Methoden en organisatie van opsporing |
| - | Controle en sturing van opsporing |
| - | Alle opsporingsmethoden moeten een wettelijke basis hebben. De wet moet daarom alle opsporingsmethoden definiëren die gebruikt mogen worden. |
| - | Bevoegdheden van opsporingsambtenaren dienen expliciet in de wet vastgelegd te worden, zodat opsporingsambtenaren precies weten over welke bevoegdheden ze kunnen beschikken. |
| - | Het gebruik van opsporingsmethoden moet expliciet worden vastgelegd. Op elk moment moet het mogelijk zijn te achterhalen met welke methode bepaalde informatie is verzameld. Op die manier is het mogelijk de wijze van informatieverzameling te controleren. |
| - | Hoe ingrijpender de opsporingsmethode, des te hoger moet de autoriteit zijn die toestemming geeft. Hogere autoriteiten kunnen namelijk op meer afstandelijke wijze het opsporingsbelang afwegen tegen het belang van de burgers wiens grondrechten kunnen worden geschonden. |
| - | Toetsing vooraf dient plaats te vinden aan de hand van objectieve criteria. |
| - | De gebruikte methoden moeten in het openbaar voor de rechter kunnen worden verantwoord. Er kunnen zich uitzonderingssituaties voordoen waarin bepaalde aspecten niet openbaar worden, maar de rechter moet alle methoden kunnen toetsen. |
| - | Het Openbaar Ministerie heeft de leiding over de opsporing. De politie dient het gezag van het Openbaar Ministerie te aanvaarden. |
| - | Op één punt binnen de regiokorpsen en binnen de parketten van het Openbaar Ministerie moet er een overzicht bestaan van de rechercheonderzoeken en de gebruikte opsporingsmethoden. Hierdoor worden coördinatie en afstemming mogelijk. |
Politieke betekenis IRT-affaire |
Politieke betekenis parlementaire enquête |
Samenstelling enquêtecommissie |
Feitelijke gegevens |
| indiener(s) | Dijkstal, Kohnstamm en Brouwer |
| datum aanvaarding voorstel door TK | 6 december 1994 |
| periode openbare verhoren | 6 september 1995 - 9 november 1995 |
| duur in dagen | 423 |
| datum eindverslag | 1 februari 1996 |
| aftredens | Hirsch Ballin en Van Thijn (reeds vooraf) |
| aantal gehoorde getuigen/deskundigen | 88 |
| omvang eindrapport | 484 pagina's excl. bijlagen |
| voorzitter | Maarten van Traa (PvdA) |
| 7 december 1993 | Opheffing IRT |
| 24 maart 1994 | Rapport commissie-Wierenga |
| 7 april 1994 | Motie-Dijkstal c.s. |
| 27 mei 1994 | Aftreden minister Hirsch Ballin |
| 27 mei 1994 | Aftreden minister Van Thijn |
| 6 december 1994 | Instelling Parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden |
| 6 september 1995 | Start verhoren |
| 25 oktober 1995 | De Telegraaf maakt afvloeiingsregeling Van Randwijck bekend |
| 9 november 1995 | Einde verhoren |
| 1 februari 1996 | Verschijning rapport Inzake opsporing |
| 18 november 1998 | Instelling commissie-Kalsbeek |
| 28 mei 1999 | Eindrapport commissie-Kalsbeek |
| 1 februari 2000 | Invoering wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden |
Bronnen |
| Maatschappelijke context |
||
| Onderzoeksvragen |
||
| Het onderzoek |
||
| Politieke betekenis IRT-affaire |
||
| Politieke betekenis parlementaire enquête |
||
| Samenstelling enquêtecommissie |
||
| Feitelijke gegevens |
||
| Bronnen |
||