Motie van afkeuring of wantrouwen

Er zijn twee soorten moties waarmee de Tweede Kamer ernstige kritiek op een bewindspersoon kan verwoorden: de motie van afkeuring en de motie van wantrouwen. Het onderscheid tussen beide soorten is in de praktijk overigens niet altijd even duidelijk.

Een motie van afkeuring veroordeelt beleid van een bewindspersoon (of van het kabinet). De ernst van de verwoorde kritiek kan reden zijn voor ontslagaanvrage.

Met een motie van wantrouwen spreekt de Kamer uit niet langer vertrouwen te hebben in een bewindspersoon of in het kabinet. Zij kunnen niet anders doen dan daaraan consequenties te verbinden en op te stappen. Hierbij geldt de regel dat een bewindspersoon of kabinet het vertrouwen heeft tot het tegendeel is gebleken. Een motie van vertrouwen kennen we in het Nederlandse staatsbestel niet.

Een motie van afkeuring wordt soms opgevat als een motie van wantrouwen. Dat is afhankelijk van de lading die een bewindspersoon, het kabinet of de Kamer er zelf aan geven. Een bewindspersoon of kabinet kan de vertrouwenskwestie aan de orde stellen.

In 1966 diende Schmelzer, de fractievoorzitter van de KVP, de grootste regeringspartij, een motie in waarin om betere dekking van de uitgaven werd gevraagd. Hij verklaarde dat zijn motie niet als motie van wantrouwen moest worden uitgelegd. Het kabinet dacht daar echter anders over en diende, na aanneming van de motie, zijn ontslag in.

In 1980 nam de Tweede Kamer een motie aan waarin het kabinet werd opgeroepen een olieboycot tegen het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime in te stellen. Toen minister-president Van Agt later diezelfde vergadering meedeelde dat het kabinet de motie niet zou uitvoeren, diende oppositieleider Den Uyl hierover een motie van afkeuring in. Deze werd verworpen. Staatsrechtelijk had de motie van afkeuring nog zonder gevolgen kunnen blijven. Het kabinet had echter door de motie onaanvaardbaar te verklaren de motie tevens tot motie van wantrouwen gemaakt.

In 1981 kwam de PvdA met een motie waarin het huurbeleid van staatssecretaris Brokx in stadsvernieuwingsgebieden werd afgewezen. Na aanneming verklaarde zowel de staatssecretaris als de Kamermeerderheid vervolgens dat de motie niet als motie van wantrouwen mocht worden uitgelegd. De staatssecretaris bleef gewoon zitten.

Overigens kan alleen al het feit dat een regeringsfractie met een motie van afkeuring of wantrouwen komt voor het kabinet reden zijn om op te stappen. In 1989 diende Voorhoeve (voorzitter van regeringsfractie VVD) een motie in tegen de afschaffing van het reiskostenforfait. Deze motie kwam zelfs niet in stemming, maar het kabinet zag er toch reden in om zijn ontslag in te dienen.

Soms neemt de Kamer een motie van treurnis aan. Dat is een mildere vorm van afkeuring en heeft bij aanneming dan ook geen consequenties.

TXT/Print-versie voor correct en passend afdrukken (verschijnt in een nieuw venster)Reageer op deze pagina. Aanvullingen en suggesties zijn altijd welkom!
homeHome           Route