 | kabinet-Schimmelpenninck (1848) |
| Dit eerste kabinet treedt op als tijdelijk kabinet, nadat de conservatieve ministers van Willem II zijn opgestapt. Belangrijkste taak is het tot stand brengen van een herziening van de Grondwet. Tot formateur van het kabinet benoemt de koning niet Thorbecke, maar Gerrit graaf Schimmelpenninck, een zoon van de vroegere raadpensionaris Rutger Jan. Die wil echter een veel behoudender Grondwet naar Brits model.
|
 | kabinet-De Kempenaer/Donker Curtius (1848-1849) |
| Dit kabinet 'van burgerlijke zin' is gematigd liberaal. Een nieuwe formatie heeft niet plaatsgevonden; er zijn slechts enkele wijzigingen ten opzichte van het vorige (tijdelijke) kabinet. De grote man van 1848, Thorbecke, ontbreekt. Daarom wordt het kabinet door de Thorbeckianen in de Tweede Kamer fel bestreden.
|
 | kabinet-Thorbecke I (1849-1853) |
| 'Wacht op onze daden!'. Met die woorden introduceert Thorbecke in november 1849 zijn kabinet. Hoewel het kabinet ook nederlagen lijdt, weet het veel bepalingen van de herziene Grondwet in zogenaamde 'organieke wetten' uit te werken. Het kabinet brengt onder meer de Gemeentewet, de Provinciale Wet, de Kieswet en de Wet op het recht van enquête tot stand. Daarnaast worden op economisch gebied allerlei maatregelen genomen om de handel te liberaliseren. De doorvoerrechten en vrijwel alle tollen op de Rijn en de IJssel worden afgeschaft.
|
 | kabinet-Van Hall/Donker Curtius (1853-1856) |
| Dit koninklijke kabinet treedt aan na de Aprilbeweging van 1853. Kort na zijn aantreden, ontbindt het kabinet de Tweede Kamer. De verkiezingen leveren winst voor de conservatieven en antirevolutionairen op. Minister Van Hall weet de godsdienstige gemoederen tot bedaren te brengen door een nietszeggende Wet op de kerkgenootschappen.
|
 | kabinet-Van der Brugghen (1856-1858) |
| Dit koninklijke kabinet onder leiding van de antirevolutionair Van der Brugghen weet in 1857 een nieuwe Wet op het lager onderwijs tot stand te brengen. De kabinetsleider komt door de nieuwe wet echter in conflict met de antirevolutionaire voorman Groen van Prinsterer, die uit onvrede ontslag neemt als Tweede-Kamerlid.
|
 | kabinet-Rochussen (1858-1860) |
| Dit gemengd liberaal-conservatieve kabinet kan niet veel tot stand brengen. Plannen op het gebied van koloniën en een belastinghervorming halen niet de eindstreep.
|
 | kabinet-Van Hall/Van Heemstra (1860-1861) |
| Dit kabinet van conservatieven en gematigde liberalen weet de spoorwegkwestie waarover het vorige kabinet is gevallen, op te lossen. Er komt daardoor spoorwegaanleg van staatswege, terwijl de wijze van exploitatie later bij wet zal worden geregeld.
|
 | kabinet-Van Zuylen van Nijevelt/Van Heemstra (1861-1862) |
| Dit gemengd conservatief-liberale kabinet wordt geleid door J.P.P. baron van Zuylen van Nijevelt. Hij is een voormalige medestander van Thorbecke, maar is allengs conservatiever geworden. Na zijn aftreden in november 1861 wordt de minister van Binnenlandse Zaken, Van Heemstra, kabinetsleider. Ook de liberale minister van Koloniën Loudon behoort tot de vooraanstaande figuren in het kabinet.
|
 | kabinet-Thorbecke II (1862-1866) |
| Dit tweede kabinet onder leiding van Thorbecke richt zich vooral op versterking van de economie. Het is, zo heet het, 'met de spade op de schouder' aangetreden. Het kabinet weet wetten over nieuwe waterverbindingen, over verbetering van het middelbaar onderwijs, en tot verlaging van invoerrechten en opheffing van gemeentelijke accijnzen tot stand te brengen. De ministers zijn allen liberaal.
|
 | kabinet-Fransen van de Putte (1866) |
| Dit liberale kabinet telt enkele ministers van het voorgaande kabinet, die medestander zijn van minister van Koloniën Fransen van de Putte (de zgn. Puttianen). Het kabinet komt al spoedig ten val over de grondpolitiek in Nederlands-Indië. Met steun van acht Thorbeckianen zorgen de conservatieven voor aanneming van een amendement-Poortman op de ontwerp-Cultuurwet. Dat amendement is onaanvaardbaar voor het kabinet.
|
 | kabinet-Van Zuylen van Nijevelt (1866-1868) |
| Dit (koninklijke) minderheidskabinet bestaat uit conservatieve ministers, onder wie een katholieke conservatief. Het kabinet gaat na nederlagen twee keer de strijd aan met de Tweede Kamer. Zowel in 1866 als 1868 wordt de Kamer namelijk ontbonden. Pas na een derde nederlaag eindigt deze 'conflictentijd' in een overwinning voor de (liberale) Kamermeerderheid.
|
 | kabinet-Van Bosse/Fock (1868-1871) |
| Dit liberale kabinet wordt geformeerd door Thorbecke, die daarin echter zelf geen zitting neemt. De vroegere minister van Financiën Van Bosse en de Amsterdamse burgemeester Fock leiden het kabinet. Het kabinet voert een liberale economische politiek en streeft naar hervormingen op koloniaal gebied.
|
 | kabinet-Thorbecke III (1871-1872) |
| Net als het voorgaande kabinet is dit een liberaal kabinet. Herziening van de defensie-organisatie staat hoog in het vaandel. Het kabinet is, zo heet het, aangetreden "Met het geweer op de schouder". Van realisering van de plannen tot legerhervorming komt echter niets terecht. Gedurende de 19 maanden dat het kabinet aan het bewind is, zijn er liefst drie ministers van Oorlog.
|