 | Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I (1918-1922) |
| Hoewel ARP, CHU en katholieken, alleen samen met enkele kleine partijen een meerderheid hebben, wordt toch een rechts kabinet gevormd onder leiding van de eerste katholieke minister-president, de Limburgse Commissaris van de Koningin Charles Ruijs de Beerenbrouck. De laatste periode en de nasleep van de Eerste Wereldoorlog plaatsen het kabinet voor grote problemen.
|
 | Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck II (1922-1925) |
| Dit kabinet is een voortzetting van het eerste kabinet-Ruijs de Beerenbrouck en heeft grotendeels dezelfde samenstelling. Het kabinet krijgt vanaf 1924 te maken met een economische recessie die bezuinigingen noodzakelijk maken. De minister van Financiën, Colijn, die in 1923 De Geer is opgevolgd, voert die bezuinigingen met kracht door.
|
 | Kabinet-Colijn I (1925-1926) |
| Dit eerste kabinet onder leiding van Hendrik Colijn, die bij de verkiezingen als sterke man was geafficheerd, nadat hij als minister van Financiën in het vorige kabinet een op bezuinigingen gericht financieel beleid had gevoerd, houdt het slechts kort uit. Het komt in november 1925 na de 'Nacht van Kersten' ten val.
|
 | Kabinet-De Geer I (1926-1929) |
| Dit kabinet kan worden getypeerd als een extra-parlementair intermezzo-kabinet. Er is geen directe band met partijen en er maken zowel personen van links als rechts deel van uit. De ministers zijn met uitzondering van kabinetsleider De Geer hoofdzakelijk afkomstig uit de bestuurlijk-ambtelijke wereld.
|
 | Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck III (1929-1933) |
| Tijdens deze kabinetsperiode breekt, na de beurskrach van oktober 1929, een economische wereldcrisis uit. Ook Nederland krijgt hiermee in sterke mate te maken. Het kabinet is genoodzaakt een krachtig bezuinigingsbeleid te voeren en allerlei crisismaatregelen te nemen. De crisis vertaalt zich in groeiende onrust in de samenleving en opkomst van extremistische partijen.
|
 | Kabinet-Colijn II (1933-1935) |
| Dit extra-parlementaire centrum-rechtse kabinet moet het hoofd bieden aan de in 1929 uitgebroken economische crisis, die ook Nederland hard treft. Het kabinet kiest voor een politiek van 'aanpassing'. De overheidsuitgaven worden verlaagd en de waarde van de gulden wordt gehandhaafd. Wel worden, ondanks de beperkte financiële middelen, werkgelegenheidsprojecten opgezet. In 1935 is 30% van de beroepsbevolking werkloos.
|
 | Kabinet-Colijn III (1935-1937) |
| Dit kabinet is een voortzetting in iets gewijzigde samenstelling van het tweede kabinet-Colijn. De financieel-economische problemen blijven centraal staan. In 1936 besluit het kabinet alsnog tot devaluatie van de gulden.
|
 | Kabinet-Colijn IV (1937-1939) |
| Dit kabinet heeft, anders dan de vier voorgaande kabinetten, weer een parlementair karakter. Het wordt gesteund door RKSP, ARP en CHU. De financieel-economische problemen beheersen het kabinetsbeleid. Daarnaast vragen de toevloed van (joodse) vluchtelingen, de toenemende onrust in de samenleving door het optreden van de NSB en de internationale spanningen veel aandacht. Er is sprake van een steeds grotere oorlogsdreiging.
|
 | Kabinet-Colijn V (1939) |
| Het vijfde kabinet-Colijn wordt direct bij zijn eerste optreden weer naar huis gestuurd. Het is buiten partijen om gevormd door Colijn, die volgens eigen zeggen de hem gegeven formatieopdracht heeft aanvaard als ware het een koninklijk bevel. Het kabinet telt meer liberalen (vooral partijloze oud-Indische bestuurders) dan er in de Tweede Kamer zitten.
|
 | 1918 |
| De verkiezingen van 1918 zijn de eerste waarbij alle mannen mogen meestemmen. Het zijn tevens de eerste verkiezingen volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Er wordt niet meer per district gestemd volgens een meerderheidsstelsel, maar kiezers brengen hun stem uit op een persoon die op een kandidatenlijst van een partij staat. Alle uitgebrachte stemmen tellen mee voor de zetelverdeling.
|
 | 1922 |
| Dit zijn de eerste verkiezingen met algemeen kiesrecht, want door de aanvaarding van het initiatiefvoorstel-Marchant mogen voortaan ook vrouwen meestemmen. Een wijziging van de Kieswet zorgt ervoor dat kleine partijen minder kans maken dan in 1918. Er geldt in het vervolg bij de verdeling van restzetels een drempel. Alleen partijen die 75% van de kiesdeler hebben gehaald, krijgen een zetel.
|
 | 1925 |
| De verkiezingen van 1925 staan in het teken van de bezuinigingspolitiek van minister van Financiën Colijn, die landelijk lijsttrekker is van de ARP. Hij wordt naar voren geschoven als de 'sterke man', de stuurman die het schip van staat door de woeste golven moet voeren. Geheel succesvol is dat niet, want de ARP verliest drie zetels. Ook de Katholieken gaan twee zetels achteruit en van de regeringspartijen blijft alleen de CHU gelijk. Gezamenlijk hebben de drie rechtse partijen nog wel een meerderheid: 54 zetels.
|
 | 1929 |
| De verkiezingen van 1929 zijn de rustigste van het Interbellum. Er treden nauwelijks verschuivingen op. Zowel RKSP, CHU, VDB als SDAP behouden hun zeteltal. Alleen de ARP en de Liberalen verliezen één zetel. De meerderheid van de rechtse partijen loopt daarmee wel terug naar 53 zetels.
|
 | 1933 |
| Voornaamste winnaar van de verkiezingen is de ARP, die met Colijn aan het hoofd twee zetels wint. Net als in 1925 geldt hij als sterke man, die Nederland uit de crisis moet leiden. Naast de heersende economische crisis, met massa-werkloosheid, spelen ook de internationale situatie en de ondermijning van het gezag daarbij een grote rol. De Nazi's zijn op 30 januari 1933 in Duitsland aan het bewind gekomen en op het marineschip 'De Zeven Provinciën' heeft diezelfde maand een muiterij plaatsgevonden.
|
 | 1937 |
| Grote winnaar van de verkiezingen is de ARP, en meer nog minister-president Colijn. Zijn partij gaat drie zetels vooruit en komt op 17. Dat de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Mussert als nieuwkomer vier zetels haalt, lijkt een groot succes. De teruggang ten opzichte van de Statenverkiezingen van 1935 is echter zodanig, dat het voor hen in feite zeer teleurstellend is. Lijsttrekker Mussert neemt geen zitting in de Kamer.
|