Een staatssecretaris staat een minister bij de politieke leiding van een ministerie bij. Staatssecretarissen komen vooral voor bij 'zware' ministeries. Daar krijgen zij een specifiek beleidsterrein onder hun hoede, maar de minister blijft medeverantwoordelijk. Net als de minister moet een staatssecretaris verantwoording afleggen aan het parlement. Staatssecretarissen kunnen sinds 1948 worden benoemd.
De verhouding tussen minister en staatssecretaris is in de Grondwet geregeld. Een staatssecretaris treedt namens de minister op in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met in achtneming van de aanwijzingen van de minister.
In de praktijk komt het er echter op neer dat tijdens de formatie van een kabinet al wordt bepaald voor welke beleidsterreinen van een ministerie er een staatssecretaris moet komen. Politieke verhoudingen bepalen ook vaak hoeveel staatssecretarissen per partij in het kabinet zitting hebben. Het evenwicht in het kabinet kan soms bereikt worden door middel van het creëren van een extra staatssecretaris.
Net als ministers, zijn staatssecretarissen lid van een partij die deelneemt aan de regeringscoalitie. De regel dat een minister bepaalt wie zijn staatssecretaris wordt, doet dus meestal geen opgeld. Wel zal een minister akkoord moeten gaan met de keuze voor een bepaalde persoon als staatssecretaris op zijn departement. Vaak wordt een staatssecretaris benoemd met een andere politieke kleur dan de minister. Daarmee wordt een politiek evenwicht op het ministerie beoogd.
Een staatssecretaris is lid van het kabinet, maar niet van de ministerraad. Als het beleidsterrein van de staatssecretaris aan de orde is, wordt deze wel voor het overleg in de ministerraad uitgenodigd. Stemrecht heeft hij niet. De staatssecretaris van Economische Zaken, die Nederland vaak vertegenwoordigt in handelsdelegaties en op internationale handelsconferenties, mag zich in het buitenland 'minister van Buitenlandse Handel' noemen.
De staatssecretaris legt wel zelfstandig verantwoording af in het parlement. Als het parlement het vertrouwen in een staatssecretaris verliest, zal deze moeten vertrekken. De minister kan dan blijven zitten, ondanks het feit dat volgens de Grondwet de minister medeverantwoordelijk is.
Omgekeerd biedt een staatssecretaris wel zijn ontslag aan als de minister om welke reden dan ook ontslag neemt. Dit volgt uit het (Grondwettelijke) principe dat een minister (dus ook de nieuwe) zelf moet kunnen beslissen of, en zo ja, wie hij als staatssecretaris wil hebben op zijn departement.
De staatssecretaris wordt belast met een deel van de taken van de minister en overlegt na zijn of haar benoeming met de minister over de vraag hoe zij hun taken zullen verdelen. De taakomschrijvingen van de staatssecretarissen kunnen per kabinetsperiode verschillen en worden na hun benoeming in de Staatscourant gepubliceerd.
In het huidige regeerakkoord is afgesproken dat de staatssecretaris de minister kan vervangen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de staatssecretaris namens zijn minister kan deelnemen aan de beraadslagingen in de ministerraad. Nadeel hiervan is wel dat hij geen stemrecht heeft.
Niet op elk ministerie wordt een staatssecretaris aangesteld. Dit hangt af van de politieke samenstelling van het kabinet, maar vooral van 'zwaarte' van een ministerie. Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is bijvoorbeeld een zo omvangrijk ministerie dat daar bijna altijd één of twee staatssecretarissen benoemd worden. De minister van Financiën heeft vrijwel altijd een staatssecretaris voor fiscale zaken naast zich, en de minister van Buitenlandse Zaken een staatssecretaris voor Europese samenwerking.