EIGENWIJS EUROPEES verkiezingsprogramma Europees Parlement 2004 - 2009 Laat Europa niet rechts liggen INHOUDSOPGAVE Inleiding p. Hoofdstuk 1. Mondiaal Europa p. programmapunten p. Hoofdstuk 2. Duurzaam Europa p. programmapunten p. Hoofdstuk 3. Sociaal Europa p. programmapunten p. Hoofdstuk 4. Rechtvaardig Europa p. programmapunten p. Hoofdstuk 5. Republiek Europa p. programmapunten p. Verklarende woordenlijst p. Colofon p. INLEIDING Wie wordt de baas van Europa? Daar gaan de Europese verkiezingen niet over. Er zijn helaas geen Europese lijsttrekkers die strijden om het premierschap van de Europese Unie*. Vanwege dat gebrek aan politieke duidelijkheid meden veel kiezers altijd de Europese stembus. Toch zijn er volgens GroenLinks meer dan genoeg redenen om wél te gaan stemmen op 10 juni. De samenstelling van het Europees Parlement* is meer dan ooit van invloed op onze toekomst. De Europese volksvertegenwoordiging heeft een beslissende stem op allerlei terreinen die direct raken aan ons dagelijks leven. Neem het milieubeleid. Hoe schoon wordt de lucht die we inademen? Mogen we wel of niet weten wat er in ons voedsel zit? Tachtig procent van de Nederlandse milieuregels wordt tegenwoordig in Brussel gemaakt. Voor een milieupartij als GroenLinks is het Europees Parlement daarom the place to be. Ook op sociaal terrein stelt het Europees Parlement wetten vast. Zo zijn de lange werkweken van vrachtwagenchauffeurs aan banden gelegd en worden werknemers beschermd tegen lawaai. Maar bij de aanpak van andere problemen, zoals armoede, laat Europa het afweten. Dat geldt ook voor nationale regeringen. Zij durven geen goed sociaal beleid te voeren uit angst dat bedrijven naar elders verkassen. Zo houden de lidstaten van de Europese Unie elkaar gevangen in een spiraal van sociale afbraak. Dat kan en moet anders. Nog steeds speelt negentig procent van de handel van Europese bedrijven zich af binnen de Europese Unie. Europa hoeft geen willoze speelbal te zijn van de wereldmarkt. Door gezamenlijk sociale basisnormen op te stellen kunnen de lidstaten soevereiniteit terugveroveren op de anonieme krachten van de markt. GroenLinks wil in het Europees Parlement aanjager blijven van een sociaal Europa. Het is gelukt om de sociale grondrechten te verankeren in het ontwerp van de Europese Grondwet*. Van de naleving van die grondrechten moet nu werk worden gemaakt. Als de Grondwet wordt goedgekeurd, wordt het Europees Parlement ook medewetgever op gevoelige terreinen als asiel en strafrecht. Moeten de landen van Europa ophouden met de wedloop wie het strengst is voor asielzoekers? Welke rechten heeft een Nederlander die in het buitenland wordt gearresteerd? De ontwerp-Grondwet geeft de europarlementariërs hierover het laatste woord. Hoezo schertsparlement? Europese politiek wordt meer dan ooit een serieuze zaak. Niet voor niets zal Nederland over de Europese Grondwet, op initiatief van GroenLinks, het eerste nationale referendum houden. Niet alleen de invloed van het Europees Parlement groeit, maar ook de verwachtingen. Veel burgers pikken het niet langer dat het verdeelde Europa machteloos is in de wereldpolitiek. De almacht van de Verenigde Staten is ongezond, ook voor henzelf. Washington heeft een volwassen en kritische Europese partner nodig. Volgens de ontwerp-Grondwet krijgt de Europese Unie een minister van Buitenlandse Zaken. Die zal de steun van het Europees Parlement hard nodig hebben om vijfentwintig lidstaten op één lijn te krijgen. GroenLinks wil die steun geven, maar verlangt dan wel dat slaafse volgzaamheid aan agressieve Amerikaanse politiek plaats maakt voor een zelfbewuste Europese bijdrage aan het voorkomen en oplossen van conflicten. Als de Europese Grondwet de eindstreep haalt, zijn we straks niet alleen burgers van het Koninkrijk der Nederlanden, maar ook van de Republiek Europa. Deze vreedzame revolutie heeft grote gevolgen voor politieke partijen: als ze mee willen blijven tellen moeten ze over landsgrenzen heen politiek gaan bedrijven. Daarom heeft GroenLinks met haar zusterpartijen de Europese Groene Partij opgericht. Deze omvat 32 partijen van binnen en buiten de Europese Unie. De nieuwe Europese Groene Partij steunt op het werk van de Groenen in het Europees Parlement: de actiefste, luidruchtigste én meest samenhangende fractie in het parlementaire halfrond. De Europese Groene Partij telt spraakmakende politici als Joschka Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, en Daniel Cohn-Bendit, rebel met een Europese missie. De Europese Groenen knopen ook banden aan met het toenemend aantal groene partijen op andere continenten, van Brazilië tot Australië. De groene stroming is niet meer weg te denken van het politieke toneel. De Europese Unie is nog altijd beter in het bevorderen van concurrentie dan in het organiseren van solidariteit en duurzaamheid. Regels die marktwerking in het openbaar vervoer voorschrijven, of het inenten van vee tegen dierziekten verbieden, zijn ongewenst en overbodig. Zij dienen alleen de markt, niet de mensen en de dieren. In naam van de vrije markt bemoeit Brussel zich te vaak met zaken die haar niet aangaan, zoals de prijs van Nederlandstalige boeken of het BTW-tarief voor kappers en fietsenmakers. Maar verkeerd Europees beleid kan niet worden gekeerd door met tomaten en rotte vis te smijten vanachter de Hollandse Waterlinie. Of door op hoge toon geld terug te eisen namens de Nederlandse belastingbetaler. GroenLinks is kritisch én constructief. Voor een groener en socialer Europa, dat burgers waar geeft voor hun geld, zijn bondgenoten nodig. Een partij die een progressieve kracht wil zijn in Europa, moet haar programma en politici niet reduceren tot verlengstuk van het nationaal belang. Zij moet een duidelijke visie op het gedeelde Europees belang neerzetten, waarin niet alleen Nederlandse kiezers, maar ook zusterpartijen en maatschappelijke organisaties elders in Europa zich kunnen herkennen. Dan tellen de GroenLinkse zetels in het Europees Parlement dubbel. Een goed milieu, eerlijke handel, oorlog of vrede, solidariteit tussen rijk en arm, tussen jong en oud, tussen mannen en vrouwen - in een kleiner wordende wereld hangen deze zaken steeds sterker af van wat Europa doet of nalaat. Meer dan ooit is het van belang dat de Europese volksvertegenwoordiging niet gedomineerd gaat worden door rechtse en nationalistische krachten. Ook al bepaalt uw stem niet wie de baas wordt van Europa, u kunt wél meebeslissen wie de macht krijgt. En dat is belangrijk genoeg. De Europese Groene Partij GroenLinks gaat de Europese verkiezingen in als onderdeel van de Europese Groene Partij. Vijfentwintig groene partijen uit de oude en nieuwe EU-landen voeren een grensoverschrijdende campagne, op basis van een gezamenlijk verkiezingsmanifest. De speerpunten van dat manifest zijn opgenomen in dit GroenLinkse verkiezingsprogramma. Hieronder volgt de preambule van het manifest: Europa kan zoveel beter – jij beslist! Groenen maken verschil in Europa. De uitkomst van de Europese verkiezingen van 2004, die in een uitgebreide Unie van vijfentwintig landen worden gehouden, zal bepalend zijn voor onze gemeenschappelijke toekomst. De Groenen hebben altijd tot de meest overtuigde pleitbezorgers van een eerlijke uitbreiding* behoord. De hereniging van Europa na de val van de Berlijnse Muur was en is een van de belangrijkste verplichtingen van de Unie. De Groenen spelen reeds een cruciale rol in de opbouw van een tolerantere, socialere en meer ecologische en democratische Unie. De Europese Unie dient zich in te zetten voor regulering van het globaliseringsproces. Een sterke groene aanwezigheid in de EU is daarvoor de beste waarborg. Economische en handelsregels moeten in dienst staan van ecologische en sociale doelen. Wij Groenen willen dat de EU en heel Europa verschil maken ten behoeve van vrede, solidariteit, rechtvaardigheid en respect voor diversiteit. De wereld heeft behoefte aan concrete voorstellen voor een duurzame en rechtvaardige toekomst. De Groenen ijveren voor een onafhankelijke en samenhangende Europese buitenlandse politiek, gebaseerd op democratische en ecologische waarden. We willen dat Europa haar verantwoordelijkheid neemt voor het milieu en daarom haar energie- en vervoersbeleid radicaal hervormt. Kernenergie dient te worden uitgefaseerd en vervangen door duurzame energie, die schoner en veiliger is. De toekomst behoort aan zon, wind, water, biomassa en andere hernieuwbare energiebronnen. De EU die wij willen is open en tolerant en beschermt de diversiteit van cultuur en natuur. Ons Europa zet zich in voor hoge sociale en ecologische standaarden op regionaal, Europees en internationaal niveau. Die moeten voorrang hebben boven handelsbelangen. In ons groene Europa gaan de rechtsstaat, de rechten van lokale bevolkingen en van individuen boven militaire en economische macht. De Groenen maken reeds verschil, en met uw steun bij de Europese verkiezingen van 2004 zal onze invloed vaker de doorslag geven in de toekomst. De nieuwe Europese Grondwet moet leiden tot een EU die meer verantwoording aflegt, transparanter en democratischer is en dichter bij haar burgers staat. Wij zijn ervan overtuigd dat de ontwerp-Grondwet van de Europese Conventie* in de goede richting gaat. De Conventie schreef een historisch document. De nachtmerrie van Nice – waar koehandel achter gesloten deuren de inhoud van het verdrag bepaalde – dient overwonnen te worden. Wij vinden dat de Europese Grondwet per referendum moet worden goedgekeurd. Om Europa te vergroenen zullen wij niet aarzelen om gebruik te maken van de bepaling in de Grondwet die de Europese Commissie* verplicht een wetsvoorstel in te dienen wanneer een miljoen burgers daarom vragen. Meer macht voor burgers en meer invloed voor niet-gouvernementele organisaties* zijn voor ons prioriteiten. Wij willen een sociale Unie die gebouwd is op de grondslagen van gelijkheid en solidariteit. Een Unie die zich inzet voor duurzame ecologische ontwikkeling op het hele continent. In onze groene visie is de Europese Unie een uniek voorbeeld van vreedzame samenwerking. Zij dient dan ook een hoofdrol te spelen bij het werken aan vrede in een onstabiele wereld. HOOFDSTUK 1. MONDIAAL EUROPA Amerikanen verwijten Europeanen vaak een naïeve, romantische kijk op de wereld. “Amerikanen komen van Mars, Europeanen komen van Venus”, zo omschreef de Amerikaanse neo-conservatief Robert Kagan het transatlantische onbegrip. Volgens hem is de Amerikaanse neiging tot spierballentaal en militair ingrijpen superieur aan de Europese voorkeur voor overtuigen, onderhandelen en verleiden. De Duitse groene minister Joschka Fischer herinnerde Kagan eraan dat de Europeanen wel degelijk op de oorlogsplaneet Mars hebben geleefd, nog geen zestig jaar geleden: “Onze houding weerspiegelt de bittere ervaringen van een continent.” De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, de kosten van wederopbouw en de traagheid van verzoening hebben Europeanen geleerd om het gebruik van geweld niet als zelfbevestiging, maar als falen te zien. Europeanen zien geweld niet als zelfbevestiging, maar als falen. De Europese Unie* is een poging om het recht van de sterkste te vervangen door de sterkte van het recht. Om conflicten tussen staten niet met intimidatie en geweld te beslechten, maar met regels, overleg en rechtspraak. De meeste Europeanen zijn dan ook warme voorstanders van multilaterale organisaties als de Verenigde Naties en het Internationaal Strafhof*. Zij bezitten een gezonde afkeer van militair geweld zolang niet alle vreedzame middelen zijn uitgeput. De Europese burgers, in West én Oost, zijn hierin eensgezinder dan hun politici, helaas. Door onenigheid tussen regeringen is de EU vaak afwezig op het wereldtoneel. Conflictpreventie GroenLinks legt zich niet neer bij de verdeeldheid en verlamming van de EU, zoals die zich bijvoorbeeld tijdens de Irak-oorlog openbaarde. Een gemeenschappelijke Europese buitenlandse politiek is geen illusie. Op het eigen continent bleek de EU immers wel degelijk in staat om als vredesstichter op te treden. Zo leverde zij in 2001 een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van een bloedige burgeroorlog tussen de Slavische meerderheid en de Albanese minderheid in Macedonië. Met shuttle-diplomatie, forse politieke druk, de belofte van economische hulp en een perspectief op EU-lidmaatschap bracht EU-buitenlandvertegenwoordiger Javier Solana politici uit beide kampen ertoe een vredesakkoord te tekenen. Dat verleende meer rechten aan de Albanese Macedoniërs. Toen de EU in 2003 de leiding kreeg van de vredesmacht die toezag op het vredesakkoord, was het risico op een burgeroorlog in Macedonië al veel kleiner geworden. Waar de EU eerder op dramatische wijze faalde bij het voorkomen van oorlogen op de Balkan, nam zij ditmaal haar verantwoordelijkheid voor conflictpreventie op het eigen continent. Het kan dus wél. De ‘Max van der Stoel-Universiteit’ in Macedonië Door het vredesakkoord van Ohrid kregen de Albanezen in Macedonië recht op onderwijs in de eigen taal. Maar om dat recht daadwerkelijk uit te oefenen zijn goede onderwijsinstellingen nodig. Op initiatief van Max van der Stoel, de Hoge Commissaris voor Minderheden van de OVSE*, is eind 2001 in de stad Tetovo een universiteit opgericht die onderwijs verzorgt in het Albanees, Macedonisch en Engels. Deze universiteit trekt zoveel studenten dat zij geld tekort komt. In het Europees Parlement* heeft GroenLinks gedaan gekregen dat de EU meer geld steekt in de universiteit. Een investering in modern, meertalig onderwijs, maar ook in een multi-etnisch Macedonië dat de kans op aansluiting bij de EU kan verzilveren. Ook de uitbreiding* van de Europese Unie met landen in Midden- en Oost-Europa is in de ogen van GroenLinks een belangrijk project van conflictpreventie. Natuurlijk, de toetreding van tien landen ineens brengt grote aanpassingsproblemen met zich mee. Er is veel aandacht voor de tekortkomingen van de nieuwkomers. Maar die mogen het zicht niet benemen op de vredeskansen die Europa benut heeft door tempo te maken met de uitbreiding. Vijftien jaar geleden nog stonden Oost en West tegenover elkaar als onderdeel van twee vijandige militaire blokken. Nu werken zij samen in een gedurfd en veelomvattend integratieproject dat uniek is in de wereld. Een project dat met horten en stoten verloopt, maar dat de grote verdienste heeft dat het oorlog tussen de deelnemende landen ondenkbaar heeft gemaakt. Vredesmissie De tien nieuwe landen hebben goede vooruitzichten op groei. Zij kunnen de EU tot de grootste economie ter wereld maken. Die status schept verantwoordelijkheden. Het Europa van de 25 is te groot om weg te duiken voor de wereldpolitiek. De veiligheid die de EU haar lidstaten biedt is betrekkelijk zolang de wereld geteisterd wordt door conflicten. In de nasleep van 11 september 2001 werd duidelijk dat Europa de inspanningen voor een veiliger wereld beter niet kan overlaten aan de Verenigde Staten. Na de omverwerping van het door Al-Qaida gesponsorde Taliban-regime in Afghanistan, liet de regering-Bush de meeste Afghanen aan hun lot over. Als het verwaarloosde land een ‘mislukte staat’ wordt, kunnen terroristen er opnieuw een schuilplaats vinden. De oorlog tegen Irak heeft duizenden nieuwe recruten in de armen van Al-Qaida gedreven. Uit de val van Saddam Hussein trekken andere dictators de les dat zij zich beter moeten wapenen om zich de VS van het lijf te houden. De Amerikaanse doctrine van eigenmachtig preventief ingrijpen dreigt de wereld met meer, niet minder terrorisme en massavernietigingswapens op te zadelen. Terwijl het er juist om ging het horror-scenario van terroristen-met-massavernietigingswapens te voorkomen. Uit deze trieste balans trekt GroenLinks de slotsom dat ‘Venus’ niet mag capituleren voor ‘Mars’. De zwakte van de Europeanen ligt niet aan hun afkeer van oorlog, maar aan de beschamende verdeeldheid van hun leiders. Die schaamte op zich is winst. Tien jaar geleden verwachtte haast niemand dat de EU-landen gezamenlijk zouden optrekken op het wereldtoneel. Nu verlangt een overgrote meerderheid van de Europese burgers een gemeenschappelijke buitenlandse politiek. Niet om de Amerikaanse hypermacht naar de kroon te steken. Wel om een corrigerend tegenwicht te vormen voor de agressieve wijze waarop Washington de Pax Americana wil opleggen aan de wereld. Om kwetsbare mondiale verworvenheden - zoals het Kyoto Protocol tegen klimaatverandering en het Internationaal Strafhof - te beschermen tegen Amerikaanse sabotagepogingen. In z’n eentje kan geen enkel Europees land de Verenigde Staten afremmen. Meer Europese eenheid is urgent. Want of ze nu de rol van keffertje (Frankrijk) of schoothond (Verenigd Koninkrijk) spelen, zelfs de grootste EU-landen zijn in hun eentje niet bij machte de Verenigde Staten af te remmen. Volgens de Europese ontwerp-Grondwet* krijgt de EU een minister van Buitenlandse Zaken. GroenLinks wenst dat de lidstaten Solana nu al machtigen om de standpunten van de lidstaten te coördineren, namens de EU te spreken en te handelen, en daarover verantwoording af te leggen aan het Europees Parlement. Een sterker Europa is ook in Amerika’s belang: zonder de kritische steun van bondgenoten, zonder de legitimiteit van de VN kan Washington de dreigingen van terroristische netwerken en massavernietigingswapens niet wegnemen. Veiligheid vergt partners die willen samenwerken, geen onderworpenen die op wraak zinnen. De presidentskandidaat George Bush zag dat beter dan de latere president, toen hij in 2000 zei: “Als we een arrogante natie zijn, zullen ze aanstoot aan ons nemen. Als we een deemoedige maar sterke natie zijn, zullen ze ons verwelkomen.” Civiele supermacht GroenLinks vindt dat de EU een zelfbewuste supermacht moet worden. Geen militaire, maar een civiele supermacht. De activiteiten die de landen van de EU hebben samengesmeed – onderhandelen, handel drijven, achterblijvers helpen – moeten ook haar externe kracht worden: diplomatie, culturele dialoog, eerlijke handel, ontwikkelingssamenwerking en, waar nodig, economische druk. De hefboom voor dergelijke soft power is de mondiale publieke opinie. De EU moet bondgenootschappen nastreven met de opkomende, wereldomspannende civil society, het netwerk van maatschappelijke organisaties dat ijvert voor versterking van de internationale rechtsorde en verantwoorde globalisering. Als civiele supermacht heeft de EU wel degelijk militaire instrumenten nodig. Die zijn het laatste redmiddel bij oplaaiende conflicten, met name in de eigen ‘achtertuin’. Op dit moment is de EU genoodzaakt Amerikaanse militaire hulp in te roepen, wanneer bijvoorbeeld haar politiemacht in Macedonië plotseling geëvacueerd zou moeten worden. De EU dient de verantwoordelijkheid voor de pacificatie van de Balkan zélf te kunnen dragen. Verhoging van militaire uitgaven is daarvoor niet nodig, betere samenwerking wel. De Europese defensiebegrotingen belopen bij elkaar opgeteld de helft van het Amerikaanse militaire budget. Toch kan Europa slechts tien procent van de Amerikaanse militaire vermogens leveren. Die beroerde verhouding tussen prijs en prestatie moet de EU rechttrekken, zonder de Amerikanen te willen evenaren. Een Europees ‘vredesleger’ doet geen afbreuk aan het belang dat Europa heeft bij de internationale rechtsorde. Anders globaliseren Voor een katoenboer in het Afrikaanse land Benin heeft Europa een minder vriendelijk gezicht. Weliswaar ontvangt zijn land jaarlijks ongeveer 50 miljoen euro ontwikkelingshulp van de EU. Maar tegelijk bederft Europa de markt voor katoen, het belangrijkste exportproduct van Benin. De lage katoenprijs is het gevolg van mondiale overproductie. Die ontstaat omdat de VS en de EU hun katoenproducenten zwaar subsidiëren. Zuid-Europese katoenboeren ontvangen meer dan honderd procent van de wereldmarktprijs aan subsidie, in totaal zo’n 700 miljoen euro. De Europese ontwikkelingshulp aan Benin is dus niet meer dan een schaamlap voor falend handelsbeleid. Handel, zo toont de ontstaansgeschiedenis van de EU, kán bijdragen aan vrede en stabiliteit. Maar alleen wanneer het eerlijke handel is. De EU investeert vele miljarden in haar minst ontwikkelde regio’s om hun kansen op de interne markt* te vergroten en de welvaart beter te spreiden. Ook heeft Brussel regels opgesteld voor staatssteun, milieu en werknemersrechten teneinde concurrentievervalsing tegen te gaan. Daardoor hebben alle lidstaten profijt bij de Europese handel. Vergeleken met de Europese markt is de wereldmarkt een jungle. Het mondiale handelssysteem is meedogenloos voor de landen en bevolkingsgroepen die niet mee kunnen in de concurrentieslag. De spelregels worden gedicteerd door rijke landen. Zij ontzeggen arme landen de marktbescherming waarmee zij hun eigen economie groot hebben gemaakt. Veel ontwikkelingslanden zijn speelbal van multinationals, waarvan de omzet hun bruto nationaal product* ver overtreft, en van financiële markten. Zij kunnen aangetrokken kapitaal even snel weer kwijt zijn wanneer speculanten elders ter wereld een hoger rendement zien gloren. Ontwikkelingshulp draagt bij aan mondiale herverdeling van welvaart, maar het effect wordt tenietgedaan door de terugbetaling van schulden en door westers protectionisme. Voor arbeidsmigratie van Zuid naar Noord, ook een vorm van welvaartsspreiding, is het loket gesloten. Deze ongelijke verdeling van kansen, gevoegd bij de corruptie en mensenrechtenschendingen waarmee veel regeringen hun schaarse ontwikkelingskansen verprutsen, maakt het huidige globaliseringproces tot een bron van conflicten. Te meer daar een ongecontroleerde toename van handel en vervoer de natuurlijke hulpbronnen van de aarde uitput, ten koste van de welvaart van toekomstige generaties. Landen die milieuvoorwaarden stellen aan producten riskeren nota bene een veroordeling door de Wereldhandelsorganisatie (WTO)* wegens verstoring van de handel. Zo mag de VS strafheffingen opleggen aan de EU, omdat die - op aandringen van het Europees Parlement - haar markt gesloten houdt voor vlees van ‘turbokoeien’ die zijn ingespoten met groeihormonen. In 2003 heeft de VS bij de WTO een klacht ingediend tegen de voorwaarden die de EU stelt aan de toelating van genetisch gemanipuleerde organismen. De verplichte etikettering van gen-voedsel, bedoeld om consumenten keuzevrijheid te verschaffen, is Washington een doorn in het oog. De regering-Bush wenst te bepalen wat de Europeanen eten. Maatschappelijk verantwoord ondernemen, wereldwijd De inwoners van China of Brazilië hebben evenveel recht op een schone leefomgeving als de Europeanen. Europese bedrijven zouden daarom ook buiten de grenzen van de EU de Europese milieunormen moeten naleven. In 2003 zette het Europees Parlement daartoe een eerste stap. Op voorstel van GroenLinks besloten de europarlementariërs dat multinationals jaarlijks moeten rapporteren over de naleving van EU-milieunormen door hun buitenlandse vestigingen. Verstokte vervuilers staan dan voor schut. Het EP eiste ook dat Europese multinationals overal ter wereld fundamentele arbeidsnormen respecteren, zoals het recht om vakbonden te vormen. De Europese Commissie* dient het parlementsbesluit nu uit te werken tot een wetsvoorstel. Inmiddels groeien de twijfels over het ideaal van onbeperkte vrijhandel. Het protest van anders-globalisten en het toenemend zelfbewustzijn van ontwikkelingslanden heeft internationale organisaties als het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de EU in de verdediging gedrukt. De EU en haar lidstaten weren zich tegen kritiek door zich op te werpen als voorvechters van verantwoorde globalisering. Maar de retoriek kan niet verhullen dat handelsbelangen meestal voorrang krijgen. Als kampioen van het Kyoto Protocol tegen klimaatverandering probeert de EU ecologische grenzen te bewaken. Tegelijk vissen Europese supertrawlers Afrikaanse kustwateren leeg. Brussel en de lidstaten doneren samen meer dan tweederde van de mondiale ontwikkelingshulp. Tegelijk dumpt de EU haar landbouwoverschotten in ontwikkelingslanden, waardoor inheemse boeren uit de markt gedrukt worden. De EU onderschrijft de VN-belofte om binnen tien jaar het aantal wereldbewoners zonder schoon drinkwater te halveren. Tegelijk zet zij binnen de WTO ontwikkelingslanden onder druk om hun drinkwatervoorziening uit te besteden aan westerse bedrijven; zo dreigt water voor de armen onbetaalbaar te worden. De Europese hypocrisie werd in 2003 afgestraft in Cancún. De EU wilde deze ‘ontwikkelingstop’ haar eigen agenda ter bescherming van investeerders opdringen, maar de ontwikkelingslanden pikten dat nu eens niet. Toen zij de Wereldhandelstop opbliezen, kwam de Europese Commissie te kijk te staan als lobbyist voor de eigen multinationals. Radicale breuk GroenLinks vindt het hoog tijd voor een radicale breuk in het Europese handelsbeleid. De EU dient niet de belangen van grote bedrijven, maar milieubescherming en armoedebestrijding tot speerpunt te maken in alle handelsbesprekingen. Alleen met een coherent beleid kan zij een geloofwaardige civiele supermacht worden, die bijdraagt aan mondiale veiligheid. Als grootste handelsblok ter wereld kan de EU verschil maken, mits zij bondgenoten vindt. Daartoe zal de VS, met zijn agressieve handelspolitiek, niet vaak behoren. Om ontwikkelingslanden aan haar zijde te krijgen, dient de EU milieubescherming en armoedebestrijding nadrukkelijk aan elkaar te koppelen: duurzame ontwikkeling. Als grootste handelsblok ter wereld kan de Europese Unie verschil maken. Dat betekent dat elk milieuverdrag dat de EU bepleit, elke milieumaatregel waaraan zij de invoer wil onderwerpen, dient te worden voorafgegaan door overleg met de betrokken ontwikkelingslanden: wat zijn de gevolgen voor hen, hoe zijn de nadelen te ondervangen? De EU komt er dan niet onderuit om een concreet ondersteuningsaanbod te doen, in de vorm van financiële hulp of overdracht van technologie en expertise. Zo kunnen de betrokken landen hun export veiligstellen en hun ontwikkelingskansen vergroten. Afspraken over de bescherming van bossen, bijvoorbeeld, met een importverbod voor ‘fout hout’, maken alleen kans wanneer ontwikkelingslanden ondersteund worden bij het opzetten van een duurzaam bosbeheer dat meer oplevert dan kaalslag. Door milieu en ontwikkeling te koppelen kan de EU het verwijt van protectionisme ontlopen en voldongen feiten scheppen voor de WTO. Landen die hun export beperkt zien omdat zij lak hebben aan afspraken over duurzame ontwikkeling, zetten zich te kijk wanneer zij een klacht indienen bij de WTO. Op hun beurt kunnen de WTO-geschillenpanels, die oordelen over handelsconflicten, milieu-afspraken met een breed draagvlak niet zomaar overrulen. Tenslotte heeft de WTO, net als de EU, duurzame ontwikkeling in haar statuten opgenomen. Het is zaak deze organisaties aan hun woord te houden. Daar zal vooral het Europees Parlement voor moeten zorgen. Volgens de Europese ontwerp-Grondwet kan de EU geen enkel handelsverdrag meer sluiten zonder goedkeuring van het parlement. De europarlementariërs dienen hun machtspositie te gebruiken om een eind te maken aan de geheimhoudingsdrift die Europese en internationale handelsbesprekingen beheerst. Openbaarheid is het krachtigste tegengif tegen lobby’s die duurzame ontwikkeling willen opofferen aan teugelloze marktwerking. PROGRAMMAPUNTEN A. Buitenlands en veiligheidsbeleid 1.In al haar buitenlandse betrekkingen richt de EU zich op versterking van de mondiale rechtsorde, waarborging van mensenrechten, duurzame ontwikkeling, armoedebestrijding en vermindering van spanningen tussen staten, volkeren en bevolkingsgroepen. 2.Conflictpreventie is core business van de EU. Zij gaat uit van een regionale benadering, waarbij wordt samengewerkt met internationale organisaties, nationale staten, non-gouvernementele organisaties en lokale vredesinitiatieven. 3.De EU richt een Civil Peace Corps op, professionals gespecialiseerd in niet-militaire vormen van conflictbeheersing, en stelt dit ter beschikking van de VN en de OVSE*. De EU verleent steun aan burgervredesteams. 4.Militaire interventie dient gelegitimeerd te zijn door een VN-mandaat en te voldoen aan de criteria van proportionaliteit en effectiviteit. In uitzonderlijke situaties, als sprake is van (dreigende) genocide of zeer ernstige schendingen van mensenrechten, kan de EU deelnemen aan een vredesoperatie die niet steunt op een resolutie van de Veiligheidsraad, maar wel in lijn is met het VN-Handvest en relevante verdragen. In dat geval toetst het Internationaal Gerechtshof achteraf of de vredesoperatie daadwerkelijk proportioneel, effectief en in lijn met het VN-Handvest was, en of de schending van universele mensenrechten de inbreuk op de nationale soevereiniteit rechtvaardigt. 5.De EU definieert de taken en het operatiegebied van haar snelle-reactiemacht*. Een speciale verantwoordelijkheid geldt het voorkomen en beëindigen van gewapende conflicten aan de instabiele randen van Europa, in samenwerking met de VN en de OVSE. Dit laat onverlet dat deze snelle-interventiemacht een actieve rol kan spelen in conflicthaarden buiten Europa. Bij vredesoperaties buiten het eigen continent heeft optreden in breder verband, bijvoorbeeld met landen in de regio, de voorkeur. 6.Verregaande samenwerking en taakspecialisatie verbeteren de prijs-prestatieverhouding van de krijgsmachten van de EU-landen. 7.Voor uitzending van EU-troepen is instemming vooraf nodig van zowel het EP als van de nationale parlementen voor zover het de eigen troepen betreft. 8.De EU-gedragscode over wapenexport wordt aangescherpt en bindend gemaakt. Voor industriële samenwerking met bedrijven buiten de EU en voor wapendoorvoer gaan dezelfde restricties gelden als voor wapenexport. 9.De Europese wapenindustrie wordt onderworpen aan de regels voor staatssteun, zodat gesubsidieerde overproductie stopt. 10.De EU zet zich in voor versterking van de internationale verdragen, met de bijbehorende inspectieregimes, tegen de verspreiding van massavernietigingswapens en zet zich in voor het vernietigen van bestaande massavernietigingswapens. Zij bevordert regionale veiligheidsarrangementen die de behoefte aan afschrikking verminderen. Zij onderstreept het primaat van de VN bij het treffen van sancties. 11.Het Non-ProliferatieVerdrag verplicht Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en andere kernwapenstaten tot het afbouwen van hun nucleaire arsenalen. De EU zet deze landen ertoe aan zich aan hun verplichting te houden. Alle Amerikaanse kernwapens worden van Europees grondgebied verwijderd. 12.Voorkomen en bestrijden van terrorisme is een zaak van lange adem. Het opsporen van terroristische netwerken is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van (inter)nationale politie- en inlichtingendiensten, waaronder Europol*. Om terroristennetwerken hun recruten, sympathisanten geldbronnen, wapens en schuilplaatsen te ontnemen is het nodig om armoede, onderontwikkeling, rechteloosheid, culturele en religieuze tegenstellingen te verminderen en de politieke wederopbouw van 'mislukte staten' ter hand te nemen, onder gezag van de VN. De EU gaat daarvoor grotere inspanningen leveren. 13.Een vreedzame en rechtvaardige oplossing voor het Israëlisch-Palestijns conflict krijgt een zeer hoge prioriteit in het Europees buitenlands beleid. De EU zet zich actief in voor de totstandkoming van een levensvatbare democratische Palestijnse staat, onder meer door het ondersteunen van het vredesplan van Genève. De EU dringt er bij Israël op aan te stoppen met de bouw van de afscheidingsmuur en nederzettingen op Palestijns gebied en zich terug te trekken uit de sinds 1967 bezette gebieden. Als Israël blijft weigeren aan die oproep gehoor te geven, gaat de EU over tot het opschorten van het associatieverdrag met Israël wegens schending van de mensenrechtenclausule. 14.De functies van Eurocommissaris* voor Buitenlandse Betrekkingen en Hoge Vertegenwoordiger* voor het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid worden al vanaf het aantreden van de nieuwe Commissie in 2004 in één persoon verenigd. Deze (toekomstige) EU-minister van Buitenlandse Zaken krijgt van de lidstaten armslag om aan een beter gecoördineerd buitenlands en veiligheidsbeleid te werken, opdat de EU met één stem spreekt. Lidstaten dienen, voorafgaand aan buitenlandpolitieke stellingnamen en acties, consultaties te plegen in EU-verband. De minister van Buitenlandse Zaken legt verantwoording af aan het EP en treedt af wanneer het EP het vertrouwen opzegt. 15.De EU stelt Euro-ambassades in waarin de diplomatieke vertegenwoordigingen van EU-lidstaten in derde landen kunnen worden samengevoegd. 16.Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk dragen hun permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad over aan de EU. In afwachting daarvan vertolkt de EU-minister van Buitenlandse Zaken de EU-standpunten in de Veiligheidsraad. 17.De EU zet zich in voor democratisering van de VN-Veiligheidsraad en voor afschaffing van het vetorecht. 18.Europa gaat een hearts and minds-campagne voeren, met name in de VS. Onder meer door optredens in de media brengt zij de voordelen van multilateralisme, vreedzame conflictoplossing en duurzame ontwikkeling voor het voetlicht. 19.De EU bevordert concrete maatregelen om vrouwen in conflictsituaties te beschermen, onder andere door middel van aandacht voor gender-aspecten bij traumabehandeling en speciale voorzieningen voor slachtoffers van seksueel geweld, en om deelname van vrouwen aan vredesmissies te bevorderen. B. Handel en ontwikkeling 1.De duurzame bestrijding van armoede vergt een zelfstandig Europees ontwikkelingsbeleid, dat niet ondergeschikt is aan buitenlands, veiligheids- of handelsbeleid. Een coherentietoets verzekert dat de EU-inzet voor duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding niet doorkruist wordt door ander Europees beleid. Er komt een Europees klachtenbureau waar ontwikkelingslanden en NGO’s* schendingen van het coherentiebeginsel kunnen melden. 2.De EU neemt het voortouw bij het stellen van ecologische en sociale voorwaarden aan de wereldhandel. Daartoe neemt zij het initiatief om de WTO ondergeschikt te maken aan de VN en haar verdragen. Zij dwingt bij de WTO verruimde mogelijkheden af voor handelsbeperkingen ter bescherming van milieu, natuur, volksgezondheid en dierenwelzijn, maar ook met het oog op schendingen van mensenrechten of internationaal erkende arbeidsnormen. 3.Voorafgaand aan handelsbeperkingen pleegt de EU overleg met de getroffen landen en met NGO’s. In het geval van ontwikkelingslanden biedt zij een concreet pakket van maatregelen aan dat deze landen in staat stelt aan de Europese eisen te voldoen en hun ontwikkeling te bevorderen. 4.Voorafgaand aan wereldhandelsrondes probeert de EU tot een alliantie met ontwikkelingslanden te komen. 5.De EU schaft alle resterende importheffingen op producten uit ontwikkelingslanden eenzijdig af. Zij staat ontwikkelingslanden wel marktbescherming toe. 6.Fair trade-producten worden vrijgesteld van BTW. 7.Het EP verwerpt handelsverdragen indien over de onderhandelingsinzet geen openbaar debat is gevoerd met maatschappelijke organisaties en het EP. 8.De EU maakt zich sterk voor democratisering van de WTO: a)transparante onderhandelingen en een gegarandeerde vertegenwoordiging van ontwikkelingslanden binnen alle onderhandelingsgremia; b)een betere informatiepositie voor ontwikkelingslanden en NGO’s; c)het recht voor NGO’s om te interveniëren bij geschillenpanels; d)opname van een milieujurist of een jurist uit een ontwikkelingsland in het panel wanneer het geschil over een milieukwestie of een ontwikkelingsland gaat. 9.De EU bepleit de oprichting van een sterke VN-organisatie voor Duurzame Ontwikkeling, waarin de bestaande VN-organisaties, -programma’s en verdragssecretariaten op het gebied van milieu en ontwikkeling opgaan. De EU zelf krijgt een Eurocommissaris voor Duurzame Ontwikkeling. 10.De OESO-gedragscode c.q. de toekomstige VN-normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen worden verplicht gesteld voor multinationale ondernemingen. Naleving ervan wordt een voorwaarde voor toekenning van export- en andere overheidsfaciliteiten. Ook moeten multinationals die buiten de EU opereren jaarlijks rapporteren in hoeverre zij zich houden aan Europese milieu- en arbeidsnormen; de Europese ondernemingsraad krijgt daarbij instemmingsrecht. Er komt een vorm van certificering, opdat consumenten kunnen herkennen wanneer een product op maatschappelijk verantwoorde wijze tot stand is gekomen. 11.De EU heft het bankgeheim op voor alle internationale transacties. De EU pleit voor invoering van mondiale belastingen op internationale financiële transacties, zoals de Tobin tax*; de opbrengst gaat naar de VN. 12. De EU zet zich in voor democratisering van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. Binnen deze instellingen komt de EU op voor het recht van landen om zelf te bepalen in hoeverre zij zich openstellen voor kapitaalverkeer en handel, en hoe zij armoede bestrijden. 13.De EU ondersteunt de acht millenniumbeloften van de VN, onder meer door: a)haar lidstaten te houden aan de afspraak om hun ontwikkelingshulp op minimaal 0,7 procent van het BNP* te brengen; b)zich in te zetten voor ruimere schuldkwijtschelding; c)de feminisering van de armoede tegen te gaan; d)meer te investeren in de strijd tegen HIV/Aids, tuberculose en malaria. De productie en verstrekking van goedkope medicijnen tegen deze ziekten in ontwikkelingslanden mag niet worden belemmerd door octrooien. De EU investeert meer in onderzoek en ontwikkeling van medicijnen tegen tropische ziekten. 14.Het Europees Ontwikkelingsfonds wordt onderdeel van de EU-begroting, zodat het EP zeggenschap krijgt over de bestedingen. De financiering van ontwikkelingsactiviteiten uit het fonds dient beter aan te sluiten bij de armoedebestrijdingsplannen van de ontwikkelingslanden zelf. In aanvulling op de verlening van microkredieten bevordert en financiert de EU het verstrekken van mesokredieten aan startende ondernemingen in ontwikkelingslanden die voldoen aan de voorwaarden van goed ondernemerschap. 15.De EU mag internationale onderhandelingen over handel in diensten (GATS) niet aangrijpen om lidstaten of ontwikkelingslanden te verplichten tot liberalisering en privatisering van publieke diensten. C. EU-uitbreiding 1.De EU spant zich in om de onderhandelingen met Roemenië en Bulgarije voortvarend af te ronden, met het oog op toetreding in 2007. 2.De EU is geen exclusief-christelijk project. De EU opent toetredingsonderhandelingen met Turkije, wanneer dit land voldoende voortgang heeft geboekt inzake democratisering, het terugdringen van de politieke rol van het leger, bescherming van mensenrechten en beëindiging van het Turks-Koerdische conflict. 3.De EU doet haar toetredingsbelofte aan Kroatië, Servië-Montenegro, Bosnië, Macedonië en Albanië gestand. Met de landen die voldoen aan de politieke voorwaarden voor het EU-lidmaatschap worden in 2009 toetredingsonderhandelingen gestart. Verdragen met de VS over het niet uitleveren van Amerikaanse staatsburgers aan het Internationaal Strafhof zijn onverenigbaar met het EU-lidmaatschap. 4.Verdere uitbreiding van de EU is afhankelijk van de mate waarin de EU haar interne functioneren weet aan te passen aan het groeiend ledental. 5.Indien de weg naar volledige integratie in de EU te lang is, is een gedeeltelijk lidmaatschap bespreekbaar. Dit deellidmaatschap omvat stemrecht in de Raad van Ministers* op de terreinen waarop men meedoet met de EU, alsmede de verplichting om de belangrijkste sociale en milieuwetgeving van de EU in te voeren, het VN-Vluchtelingenverdrag na te leven en het buitenlands beleid niet te dwarsbomen. 6.Over het starten van toetredingsonderhandelingen met kandidaat-lidstaten wordt een EU-wijd referendum gehouden. 7.In toetredingsverdragen worden vrijwaringsclausules opgenomen, die de EU machtigen om nieuwe lidstaten uit te sluiten van deelgebieden van de interne markt of van de justitiesamenwerking, wanneer zij bij toetreding nog niet aan de EU-standaarden voldoen. 8.De EU streeft intensievere uitwisseling en samenwerking na – op het gebied van cultuur, onderwijs, handel, migratie, milieu en diplomatie - met de landen van Noord-Afrika en de nieuwe buren aan haar oostgrens, voor zover de politieke situatie in deze landen dat toelaat. 9.De grenscontrole aan de nieuwe grenzen van de EU mag geen onredelijke obstakels opwerpen voor culturele uitwisseling, handelsverkeer of familie- en vriendenbezoek. 10.Voor visumverlening vestigt de EU een fijnmazig netwerk van Euroconsulaten in haar buurlanden. Samen met deze landen stelt de EU actieplannen op, waarin de voorwaarden worden bepaald waaronder, op termijn, de visumplicht kan komen te vervallen. HOOFDSTUK 2. DUURZAAM EUROPA Babyvoedsel in potjes moet tegenwoordig vrij zijn van bestrijdingsmiddelen. Consumenten hoeven binnenkort geen ‘verwijderingsbijdrage’ meer te betalen voor koelkasten, computers en andere apparaten. De fabrikant gaat de kosten dragen van de verwerking van afgedankte apparaten. Om kosten te besparen, zullen fabrikanten hun producten zoveel mogelijk recyclebaar maken. Zware olie mag sinds 2003 niet meer vervoerd worden met enkelwandige tankers; vanaf 2010 zijn alleen tankers met dubbele scheepswand nog welkom in Europese havens. Dat verkleint het risico van olierampen, die zee en strand vervuilen en de natuur verwoesten. Cosmetica mag vanaf 2009 geen kankerverwekkende stoffen meer bevatten, en uiterlijk in 2013 niet meer getest worden op dieren. Europese milieuwetten, zo blijkt uit deze voorbeelden, raken het dagelijks leven van iedereen. Ze komen vaak tergend langzaam tot stand, maar gelden dan wel voor 455 miljoen Europeanen. Tel uit je winst. GroenLinks heeft de afgelopen jaren, samen met de andere Groenen in het Europees Parlement* en de groene ministers in de Europese Milieuraad*, een forse impuls gegeven aan het Europese milieubeleid. Tachtig procent van de Nederlandse milieuregels komt tegenwoordig uit Brussel. Groene europarlementariërs en ministers hebben een forse impuls gegeven aan het Europese milieubeleid. Deze Europese bemoeienis is logisch, want het milieu kent geen grenzen. Zeker niet nu allerlei koopwaar vrijelijk circuleert op de Europese markt. De meest hardnekkige milieuproblemen, zoals klimaatverandering en teloorgang van biodiversiteit, zijn alleen op te lossen met bindende, grensoverschrijdende regelgeving. Maar de Europese Unie* is nog lang niet duurzaam. Het bewaren van natuurlijke hulpbronnen voor toekomstige generaties stelt haar voor grote uitdagingen. Slaagt de EU erin om een halt toe te roepen aan het uitsterven van planten- en diersoorten? Dat kan alleen als zij natuurgebieden beschermt en, over grenzen heen, met elkaar verbindt. Komt er een einde aan het dierenleed in de bio-industrie? Het Europese voorschrift om kippen meer kooiruimte te geven is nog slechts een bescheiden opmaat. Maakt de EU haar voortrekkersrol bij het tegengaan van klimaatverandering waar? Daarvoor moet zij haar uitstoot van het broeikasgas kooldioxide daadwerkelijk verminderen. De komende jaren zijn beslissend. Nederland geen koploper meer Een ambitieus Europees duurzaamheidsbeleid is des te belangrijker nu milieu, natuur en dierenwelzijn in Den Haag uit de gratie zijn. Tot in de jaren negentig liep Nederland voorop bij duurzame ontwikkeling. De samenhangende, grensoverschrijdende visie van het eerste Nationale Milieubeleidsplan vormde een Europese primeur. Het afstaan van milieubevoegdheden aan de Europese Unie kon dan ook alleen maar slecht uitpakken voor het Nederlandse milieubeleid, zo dachten velen. Maar het liep anders. In 2003 waarschuwde het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu dat Nederland met zijn milieubeleid is teruggezakt naar de Europese middenmoot. Erger nog: uit Europees onderzoek blijkt dat van alle EU-burgers de Nederlanders het minst geïnteresseerd zijn in milieubehoud. Waar maakt men zich de meeste zorgen over milieuproblemen? Uitgerekend in Griekenland, tot voor kort het armste land van de EU. Deze uitkomst laat zien dat de toetreding van de nog armere Midden- en Oost-Europese landen niet nadelig hoeft te zijn voor de Brusselse milieuwetgeving. In de nieuwe lidstaten heeft het milieubeleid juist een impuls gekregen door de toetredingseisen van de EU, zo constateren milieu-organisaties. Weliswaar schieten deze landen nog tekort bij het uitvoeren van milieuwetten, maar daarin zijn ze allerminst uniek. Neem het voormalige gidsland Nederland. Dit werd in 2003 door het Europees Hof van Justitie* veroordeeld wegens zijn lakse mestbeleid. Prognoses duiden erop dat het kabinet-Balkenende de in EU-verband afgesproken vermindering van de uitstoot van broeikasgassen niet gaat halen. Natuurbescherming in Midden- en Oost-Europa De nieuwe lidstaten van de EU hoeven niet alle Europese milieuwetten meteen na te leven, zo is afgesproken in het toetredingsverdrag. Voor sommige verplichtingen, zoals de zuivering van afvalwater, zijn nu eenmaal dure investeringen nodig. In 2013 moet de inhaalslag voltooid zijn. Maar er zijn ook Europese wetten die weinig geld kosten. Met steun van natuurbeschermers in Midden- en Oost-Europa heeft GroenLinks bedongen dat deze landen vanaf dag één van hun lidmaatschap bedreigde dieren- en plantensoorten moeten beschermen. Burgers, boeren en maatschappelijke organisaties dienen te worden betrokken bij de aanwijzing van natuurgebieden. De soortenrijkdom in bijvoorbeeld het Karpaten-gebergte, met zijn bruine beren, wolven en keizersarenden, is zo uniek dat zij niet verloren mag gaan. Klimaatverandering aanpakken Het wetenschappelijk forum van de Verenigde Naties is ervan overtuigd dat de mens bijdraagt aan de opwarming van de aarde, met name door het gebruik van fossiele brandstoffen. Deze klimaatverandering schept ernstige problemen voor mens, dier en ecosysteem: van de stijging van de zeespiegel tot het verdwijnen van soorten. Nederland moet rekening houden met extremer weer: zowel overvloedige regenval als langdurige droogte. Elders op de wereld dreigt de verslechtering van de natuurlijke omgeving armoede te vergroten, conflicten aan te wakkeren en nieuwe vluchtelingenstromen in gang te zetten. Er is alle reden om klimaatverandering tegen te gaan. In 1997 werd een internationaal akkoord gesloten, het Kyoto Protocol, dat de eerste stappen bevat om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Het zijn de industrielanden die deze stappen moeten zetten. Zij hebben immers de hoogste uitstoot. De ontwikkelingslanden kregen in Kyoto gedaan dat zij nog geen verplichtingen op zich hoeven te nemen. De EU steunde hen daarin, want zij wilde milieubeleid verbinden met ontwikkelingsbeleid. In die verbinding ligt de kracht van het begrip duurzame ontwikkeling: behoud van natuurlijke hulpbronnen is alleen mogelijk als die hulpbronnen eerlijker verdeeld worden over de bewoners van de aarde. Rijke landen moeten hun milieubeslag terugdringen, opdat ontwikkelingslanden ruimte houden om hun bevolking van basisbehoeften als voedsel, water, energie en onderwijs te voorzien. Het vervolg op Kyoto stemt niet vrolijk. De Verenigde Staten stoten per hoofd van de bevolking de meeste broeikasgassen uit, maar juist dit land weigert het Kyoto Protocol te ratificeren. Washington vindt Kyoto oneerlijk, omdat het nog geen verplichtingen bevat voor ontwikkelingslanden. Ook Australië is afgehaakt. Om Canada, Rusland en Japan binnenboord te houden zijn flinke concessies nodig geweest. Rusland bedrijft nog steeds koehandel met de ratificatie van Kyoto. De EU tenslotte heeft grote moeite om aan haar eigen reductieverplichting – in 2010 acht procent minder uitstoot dan in 1990 – te voldoen. Toch is het aan de onverzettelijkheid van de EU te danken dat er überhaupt nog sprake is van mondiaal klimaatbeleid. Eensgezind hebben de Europese regeringen de Amerikaanse pogingen om Kyoto te saboteren weerstaan. Daarmee is voorkomen dat de wereldgemeenschap de kop in het zand steekt voor de gevaren van klimaatverandering. Europa weerstaat de Amerikaanse pogingen om het Kyoto Protocol te saboteren. Kyoto stelt de EU in de komende jaren voor een driedubbele uitdaging. In de eerste plaats dient zij de VS te overtuigen van de noodzaak van klimaatbeleid. Het probleem zit niet bij de Amerikaanse bevolking – 88 procent is vóór Kyoto – maar bij de regering-Bush die aan de leiband loopt van het behoudzuchtige deel van het bedrijfsleven. In de tweede plaats moet de EU ontwikkelingslanden zover krijgen dat ook zij, na 2010, een limiet aan de uitstoot van broeikasgassen aanvaarden. Dat lukt alleen als de aanpak van klimaatverandering op intelligente wijze wordt gekoppeld aan de oplossing van andere problemen in ontwikkelingslanden. De opwarming van de aarde is, begrijpelijkerwijs, niet hun grootste zorg. Schoon water, voldoende voedsel en schone lucht houden hen meer bezig. Het is aan de EU om met ontwikkelingslanden in overleg te treden over een integrale aanpak die ook het klimaat ten goede komt. China bijvoorbeeld maakt al auto’s met katalysator, maar het terugdringen van de luchtvervuiling in Chinese steden vergt ook een schonere energievoorziening. Door met Europese steun over te schakelen van kolen op wind- en zonne-energie helpt China niet alleen haar bevolking aan frisse lucht, maar maakt het land ook een begin met klimaatbeleid. Met een efficiënter gebruik van water bij de rijstteelt kunnen eveneens twee vliegen in één klap worden geslagen: minder waterverspilling en tegelijk minder uitstoot van methaan, het belangrijkste broeikasgas na kooldioxide. De EU zal de VS en ontwikkelingslanden alleen mee kunnen krijgen in de aanpak van klimaatverandering, wanneer zijzelf haar beloften waarmaakt. Dat is de derde en grootste uitdaging: de eigen reductieverplichting voor 2012 naleven, en ambitieuze doelen vaststellen voor de jaren daarna. Milieu boven markt De Europese Unie kan Kyoto slechts naleven wanneer zij kiest voor een veel groener beleid op terreinen als verkeer, landbouw en energie. Alleen al de toename van het autoverkeer dreigt alle inspanningen voor uitstootvermindering teniet te doen. De rood-groene regering in Duitsland voert daarom een kilometerheffing voor vrachtwagens in. Het stadsbestuur van Londen, ook rood-groen, wist met een tolheffing voor auto’s zowel verkeersopstoppingen als vervuiling fors te verminderen; met de opbrengsten verbetert zij het openbaar vervoer. Deze voorbeelden verdienen Europese navolging. Daarbij is het van belang dat de Brusselse obsessie met een markt zonder obstakels niet verstikkend werkt op nationaal milieubeleid. Voor de voortgang van het Europees milieubeleid zijn voortrekkers nodig. GroenLinks wil dat Nederland daar opnieuw toe gaat behoren. De EU moet maximale ruimte scheppen voor lidstaten die als aanjager van een duurzaam beleid willen fungeren. Europese milieuwetten dienen dus een eenduidig minimumkarakter te krijgen, dat verdergaande nationale wetgeving toestaat – ook wanneer die een belemmering vormt voor het vrije verkeer van goederen op de Europese markt. De EU moet tevens ruimte bieden aan maatschappelijk initiatief: overeenkomsten tussen bijvoorbeeld milieubeweging en industrie kunnen milieudoelen helpen verwezenlijken. Brussel dient dan wel wetgeving achter de hand te houden, als stok achter de deur. Voor een duurzame, energiezuinige toekomst hoeven we vrijheid en genot niet af te zweren. GroenLinks streeft naar een ontspannen samenleving waarin mensen eigen keuzes maken, bijvoorbeeld tussen goed openbaar vervoer en het gebruik van milieuvriendelijke waterstofauto’s. Een samenleving die niet van dictaturen in het Midden-Oosten afhankelijk is voor haar olietoevoer, en die niet blootstaat aan de gevaren van kerncentrales. Een samenleving die haar boeren koestert, omdat zij niet alleen voor smakelijk voedsel en een aantrekkelijk platteland zorgen, maar ook voor schone energie uit olifantsgras en andere energiegewassen. Windmolenparken op zee kunnen nu al concurreren met fossiele energiebronnen, zonne-energie is binnen enkele jaren rendabel. Een duurzaam Europa is mogelijk, als we de kansen grijpen. Kyoto zonder kernenergie Op grond van het Kyoto Protocol mogen rijke landen een deel van hun uitstootvermindering realiseren door te investeren in schone energie in ontwikkelingslanden en voormalige Sovjet-republieken. De Europese nucleaire industrie, die – overigens ten onrechte – claimt geen kooldioxide te produceren, zag in deze afspraak nieuwe overlevingskansen. Maar op initiatief van GroenLinks hebben de Europese Groenen daar in 2001 een stokje voor gestoken: bij de onderhandelingen over de uitvoering van Kyoto dwongen de groene ministers af dat de export van kerncentrales niet meetelt als een investering in schone energie. Landbouw op de schop De band tussen boeren en andere burgers is ernstig aangetast door de uitwassen van een Europees landbouwbeleid dat gericht is op kwantiteit in plaats van kwaliteit. Vervuiling van grondwater, afname van soortenrijkdom, dierenleed in de bio-industrie, dumping van overschotten in ontwikkelingslanden, het ene na het andere voedselschandaal - veel Europeanen vragen zich af waarom zij als belastingbetalers dit soort landbouwpraktijken moeten subsidiëren. Met maar liefst 42 miljard euro per jaar. Niettemin spannen veel boeren zich wel degelijk in om voedsel te produceren met respect voor dieren, milieu, natuur en landschap. GroenLinks wil opkomen voor deze vernieuwers. Zij verdienen Europese steun. Het Europese landbouwbeleid dient radicaal hervormd te worden om meer boeren in staat te stellen de vernieuwingsslag maken. Om zich, in de woorden van de Duitse groene landbouwminister Renate Künast, op Klasse statt Masse te richten. Het huidige landbouwbeleid subsidieert de afzetprijzen en inkomens van boeren, ongeacht de manier waarop zij hun producten telen. In plaats daarvan dient de EU boeren te belonen voor de maatschappelijke diensten die zij leveren: dierenwelzijn, natuurbehoud, zorg voor het landschap en berging van wateroverschotten. Dus geen subsidie meer voor een vleeskalf of een hectare graan, wel voor de bereidheid om weiden en akkers te delen met grutto’s, wilde hamsters en wandelaars. De vitaliteit van het platteland en de boereninkomens zijn ermee gediend wanneer boeren tevens ondersteuning krijgen bij het verbreden van hun activiteiten: van het opzetten van boerderijcrèches tot het in de markt zetten van streekproducten. Plattelandsontwikkeling, zo luidt de Brusselse verzamelterm voor deze activiteiten. Daaraan wordt nu tien procent van het Europese landbouwbudget besteed. Dat zet geen zoden aan de dijk. Ook wanneer de in 2003 afgesproken hervormingen hun beslag krijgen, zal nog steeds meer dan vijfentachtig procent van de landbouwgelden naar traditionele prijs- en inkomenssteun gaan. GroenLinks wil af van deze subsidies. De steun voor plattelandsontwikkeling moet daarentegen fors omhoog. Over het soort diensten waarvoor boeren beloond worden moeten nationale en regionale overheden meer zeggenschap krijgen. Omdat zij meebetalen, en omdat alleen zij kunnen zorgen voor regels op maat. Plattelandsontwikkeling kan ook voor de boeren in de nieuwe lidstaten, waar de agrarische werkgelegenheid onder druk staat, kansen scheppen. Een land als Polen heeft veel landbouwgrond en een rijke natuur. Het land kan koploper worden in zowel biologische landbouw als agrarisch landschaps- en natuurbeheer. Het oude landbouwbeleid kan echter niet helemaal overboord. Regels voor productiebeheersing, zoals melkquota, zijn nodig om overproductie te voorkomen en de inkomens van boeren te beschermen. Anders concurreren de Europese boeren elkaar kapot, en verdwijnen grazende koeien en wuivende graanvelden uit het Nederlandse landschap. Quota dienen wel te zijn afgestemd op de afzetmogelijkheden. Met het opkopen van overschotten en het dumpen ervan in ontwikkelingslanden moet de EU ophouden. De beste waarborg voor serieuze productiebeheersing is het afschaffen van garantieprijzen. Overproductie door te ruim bemeten quota wordt dan gecorrigeerd door het prijsmechanisme, en niet afgewenteld op de EU-begroting en de Derde Wereld. In een duurzaam landbouwmodel produceert Europa voedsel voor zichzelf, en ziet zij af van de ambitie om de wereldmarkt te veroveren. Gesleep met landbouwproducten van het ene naar het andere continent dient het milieu meestal niet. De EU kan een partnerschap met ontwikkelingslanden echter wel vergeten als zij hun de kans ontzegt om landbouwproducten te exporteren. Omdat duurzaamheid niet alleen om milieu, maar ook om ontwikkeling draait, moet de EU importheffingen voor ontwikkelingslanden afschaffen. Landbouw is meer dan het zo goedkoop mogelijk produceren van voedsel. Importheffingen blijven wél nodig om de Europese boeren te beschermen tegen de massale import van bulkproducten uit de Verenigde Staten en andere agrarische grootmachten. Als de EU erin slaagt een duurzame, multifunctionele landbouw te ontwikkelen, die duidelijk afwijkt van de industriële landbouw in de VS, is deze vorm van marktbescherming zeer goed te verdedigen. De EU moet binnen de Wereldhandelsorganisatie* krachtig opkomen voor het standpunt dat landbouw méér is dan het zo goedkoop mogelijk produceren van voedsel. Dierenwelzijn waarborgen Een duurzame landbouw vergt betere wetgeving om het welzijn van dieren te waarborgen. De gangbare dierhouderij kent tal van misstanden. Het onverdoofd castreren van biggen en het langzaam doden van gekweekte paling in zoutbaden gaan door voor normale praktijken. Vleesvarkens en slachtkippen zakken door hun poten wanneer zij een paar weken ouder worden dan voorzien. Dikbilkoeien kunnen hun kalveren alleen via een keizersnede ter wereld brengen. Landbouwdieren zijn gereduceerd tot productie-eenheden. Maar wie zich het recht toeeigent om dieren te gebruiken, heeft de plicht om in hun natuurlijke behoeften te voorzien en hen van leed te vrijwaren. GroenLinks wil een einde maken aan de bio-industrie. Varkens moeten weer kunnen wroeten, kippen scharrelen, koeien grazen. Uitloop in de buitenlucht verhoogt hun weerstand tegen dierziekten. Wanneer niettemin het gevaar bestaat van besmetting met dodelijke virussen, moet vaccinatie mogelijk zijn. Exportbelangen mogen niet leiden tot de massale vernietiging van gezonde dieren, zoals tijdens de uitbraken van varkenspest, mond- en klauwzeer en vogelpest is gebeurd. Voor het Europees Parlement, dat door de Europese ontwerp-Grondwet* gepromoveerd wordt tot medewetgever op landbouwgebied, ligt hier een beestachtig grote klus. Burgers kunnen de Europese politici een zetje in de goede richting geven, want de Grondwet introduceert ook het burgerinitiatief: één miljoen handtekeningen volstaan om een wetsvoorstel op de Europese agenda te plaatsen. Eerdere handtekeningenacties hebben aangetoond dat dierenbeschermers, wanneer zij over de grens heen samenwerken, in staat zijn om meer dan twee miljoen handtekeningen te verzamelen. Op die manier is het Europese verbod op dierproeven voor cosmetica tot stand gekomen. Smaakvervlakking bestrijden Veilig voedsel is bij uitstek een Europese verantwoordelijkheid. Er hoeft maar op één plek afgewerkte motorolie door het kippenvoer te worden gemengd, of in heel Europa moeten de ‘dioxinekippen’ uit de schappen worden gehaald. De talrijke voedselschandalen van de laatste jaren hebben Brussel wakker geschud. Meer dan tachtig wetten en een Europese Voedselveiligheidsautoriteit moeten de veiligheid van ons voedsel verzekeren in alle stadia die het doorloopt, van de grond tot in de mond. Voedsel is meer dan brandstof voor het menselijk lichaam. Helaas zijn de Europese voedselregels toegesneden op industriële productie, op de risico’s die het fabrieksvoedsel loopt op zijn lange weg van boer naar consument. De eisen die een zuivelgigant met gemak kan naleven, kunnen een zelfkazende boer de das omdoen. Kunnen we binnenkort niet meer op jacht naar spannende, rauwmelkse boerenkaasjes in het Waterland of de Pyreneeën? Het succes van de slow food-beweging die streekproducten propageert, weerspiegelt het onbehagen over de eenzijdige aandacht voor voedselveiligheid. Die bedreigt de voedseldiversiteit. Voedsel is meer dan brandstof voor het menselijk lichaam. Het nuttigen van voedsel is ook een zintuiglijke beleving, een sociale gebeurtenis en een ethische keuze. Dat pleit voor een rijk geschakeerd aanbod. De dominantie van het agro-industriële complex, dat haar producten afstemt op de modale papillen, leidt tot smaakvervlakking. Om de voedseldiversiteit te bevorderen dient de EU een apart regime van niet-industriële voedselveiligheidsstandaarden in het leven te roepen, waar de ambachtelijke producenten van streekgebonden producten mee uit de voeten kunnen. PROGRAMMAPUNTEN D. Duurzame ontwikkeling 1.De EU verwezenlijkt duurzaamheid binnen één generatie. Zij legt de hiervoor benodigde maatregelen vast in een Groene Agenda 2025. 2.De Eurocommissaris* voor Duurzame Ontwikkeling onderwerpt alle beleidsvoorstellen aan een duurzaamheidstoets. Milieu-organisaties en ontwikkelingslanden worden bij alle relevante beleidsontwikkelingen betrokken. 3.Als algemene strategie om de milieudruk van onze samenleving te verminderen, stelt de EU een dematerialiseringsbeleid vast, gericht op een reductie van het gebruik van primaire grondstoffen met 75 procent in de komende twintig jaar (Factor 4). 4.De bevoegdheden en materiële middelen van de Commissie om handhaving van EU-wetgeving te bevorderen en af te dwingen worden drastisch uitgebreid. 5.Omwille van het draagvlak voor het Europees milieubeleid bevordert de EU overeenkomsten tussen actoren in de civiele samenleving, zoals milieu-organisaties en producentenverbanden. Als dergelijke overeenkomsten niet leiden tot verwezenlijking van de door de politiek vastgestelde milieudoelen, wordt een aanpak bij wet voorgeschreven. 6.Lidstaten van de EU mogen striktere voorschriften en hogere heffingen invoeren indien het aannemelijk is dat deze een gunstig milieu-effect hebben. 7.De EU past het principe ‘de vervuiler betaalt’ en het preventieprincipe toe. Daartoe breidt zij de milieu-aansprakelijkheid en verzekeringsplicht van bedrijven uit. 8.De EU draagt bij aan de vergroening van het belastingstelsel. De Europese minimumheffingen op energie worden verhoogd. Tevens komen er heffingen op eindige grondstoffen. 9.De EU past het voorzorgsprincipe toe: het belang van milieu of volksgezondheid geeft de doorslag, wanneer er geen wetenschappelijke consensus bestaat over de schadelijkheid van producten, zoals chemische stoffen. 10.Een Europese wet op consumenteninformatie schrijft voor dat producten, voedsel inbegrepen, worden voorzien van informatie over samenstelling, productiewijze, duurzaamheid en energieverbruik. De EU stimuleert proefprojecten waarbij de ‘ecologische voetafdruk’ van producten op het etiket wordt vermeld. 11.Er komt een eenduidig milieukeurmerk voor producten. De schoonste producten komen in het laagste BTW-tarief. 12.De EU-instellingen gaan voorop lopen in bedrijfsinterne milieuzorg. Zij kopen onder meer groene stroom en producten met milieukeurmerk in en compenseren de milieukosten van vliegreizen. 13.De EU dringt vervuilende uitstoot van de industrie verder terug met wetgeving gericht op integraal ketenbeheer en het sluiten van kringlopen. In alle fasen van de keten moeten milieugegevens openbaar zijn, onder meer door jaarlijkse milieuverslagen. 14.Het EU-programma om de chemische stoffen die op de markt zijn te analyseren of testen op gezondheids- en milieu-effecten gaat zich uitstrekken tot alle honderdduizend chemicaliën. Daarbij wordt het gebruik van dierproeven drastisch beperkt door chemicaliën eerst aan een nut- en noodzaaktoets en aan een quickscan te onderwerpen. De meest gevaarlijke stoffen en consumentenproducten, waaronder hormoonontregelende, worden verboden. 15.De EU breidt de producentenverantwoordelijkheid voor het verwerken van afgedankte producten uit naar onder meer schepen. 16.De wetgeving tegen het dumpen van afval buiten de EU wordt vereenvoudigd, aangescherpt en uitgebreid tot sloopschepen. E. Energie en klimaat 1.De EU leeft het Kyoto Protocol na, ongeacht de opstelling van andere landen. Er komt een sanctiesysteem voor lidstaten die niet voldoen aan hun Kyoto-verplichtingen. 2.De EU onderstreept, zowel naar binnen als naar buiten, het serieuze karakter van klimaatverandering én de mogelijkheden om deze tegen te gaan. Voor de periode na 2010 streeft zij een forse vermindering van de uitstoot van broeikasgassen na, waarbij ook ontwikkelingslanden een uitstootplafond aanvaarden, in ruil voor de overdracht van schone technologie. De EU initieert in 2004 onderhandelingen over de post-2010-periode. De EU-uitstoot is in 2020 dertig procent, in 2040 zestig procent lager dan in 1990. 3.De EU bepleit het principe van equity: uiteindelijk mag elke wereldburger evenveel uitstoten en bepaalt het bevolkingsaantal van elk land het uitstootplafond. 4.De EU verhoogt het percentage van de uitstootvermindering dat zij binnen de eigen grenzen realiseert van 50 tot 75 procent. Voor het resterende kwart, te realiseren in ontwikkelingslanden en voormalige Sovjet-republieken, tellen alleen projecten mee die bijdragen aan duurzaamheid in de betreffende landen en zonder Europese steun niet waren uitgevoerd. Tijdelijke koolstofvastlegging via plantages mag niet gelden als uitstootvermindering, mede omwille van de bescherming van oerbossen. 5.De EU legt importheffingen op energie-intensieve producten uit de Verenigde Staten en andere industrielanden die buiten het Kyoto Protocol blijven, teneinde hun het concurrentievoordeel te ontnemen. De opbrengst van de heffingen wordt besteed aan duurzame projecten in ontwikkelingslanden. 6.Kernenergie vormt geen duurzame energiebron. De EU zet zich in voor een zo spoedig mogelijke sluiting van alle kerncentrales. Het Euratom*-verdrag wordt opgezegd. Midden- en Oost-Europese landen krijgen steun bij het ontmantelen van kerncentrales en het ontwikkelen van hernieuwbare energiebronnen. 7.De EU bevordert investeringen in de opwekking van energie uit zon, wind en biomassa. In 2020 dient 25 procent van de opgewekte energie uit duurzame energiebronnen te komen. De EU stimuleert energiebesparing en energie-efficiëntie, onder meer door strikte eisen te stellen aan het elektriciteitsverbruik van apparaten. 8.Het Europese systeem voor handel in kooldioxide-uitstootrechten, dat een kosteneffectieve verlaging van de uitstoot bewerkstelligt, wordt uitgebreid naar de chemische en aluminiumindustrie alsmede weg- en vliegverkeer. F. Verkeer en vervoer 1.De EU dringt het vervoer van grondstoffen en producten terug, onder meer door transportpreventie tot uitgangspunt te nemen en de milieu- en volksgezondheidskosten door te berekenen in de prijs van vervoer. 2.Er komen scherpe(re) uitstootnormen voor vliegtuigen, treinen, schepen en auto’s. De EU stimuleert het onderzoek naar en de ontwikkeling van schone en stille motoren, met name waterstofmotoren voor het gebruik in auto's, bussen, vrachtwagens en schepen. 3.De EU bevordert de kilometerheffing voor het autoverkeer, maakt de diverse systemen van tolheffing compatible en staat de doorberekening van alle externe kosten in de heffing toe. 4.De EU ontmoedigt vliegverkeer binnen Europa door een kerosineheffing en BTW op vliegtickets in te voeren en de uitbouw van het netwerk van hogesnelheidstreinen te bevorderen. 5.De EU zet zich in voor een wereldwijde kerosineheffing en voor beëindiging van de uitzondering voor lucht- en scheepvaart in het mondiale klimaatbeleid. 6.De EU verbiedt nachtvluchten. 7.De EU stimuleert de ontwikkeling en het gebruik van zeppelins voor personen- en goederenvervoer, vooral ter vervanging van vliegtuigen. 8.De EU vergroot de veiligheid op zee en in havens en dringt verontreiniging terug, onder meer door: a)invoering van een elektronisch surveillance- en begeleidingssysteem voor schepen (‘zeeverkeersleiding’); b)aanscherping van havenstaatcontroles; c)snellere uitfasering van enkelwandige tankers; d)invoering van volledige risico-aansprakelijkheid voor reders en bevrachters; e)vermindering van haar olie-afhankelijkheid. 9.De EU zet zich in voor veranderingen binnen de Internationale Maritieme Organisatie, waarbij beslisrecht niet afhangt van de grootte van de vloot of de geldelijke bijdrage van de aangesloten landen. 10.De EU stelt de dodehoekspiegel of –camera en zij-afscherming verplicht voor nieuwe én bestaande vrachtwagens. 11.De EU stelt een programma op voor de bevordering van het fietsen. Nederland gaat zijn fiets(paden)beleid actief uitdragen. 12.De Europese normstelling voor voertuigen voor het openbaar vervoer verzekert hun toegankelijkheid voor fiets en rolstoel. Het meenemen van deze vervoermiddelen wordt mogelijk en betaalbaar in alle grensoverschrijdende (hogesnelheids)treinen. G. Landbouw en visserij 1.Een duurzaam Europees landbouwbeleid richt zich op een aantrekkelijk en leefbaar platteland, een veilig, smakelijk en gevarieerd voedselaanbod, milieuverbetering, (agro)biodiversiteit, dierenwelzijn, voedselzekerheid en de belangen van ontwikkelingslanden. 2.Het EU-landbouwbeleid wordt radicaal vergroend. Inkomenssteun aan boeren wordt afgebouwd. Er komt een fonds voor betalingen voor diensten op het gebied van natuur, landschap, waterberging, dierenwelzijn, recreatie en zorg, en voor productie op marginale gronden zoals bergachtig gebied en veen-weidegebied. De EU stelt kaders vast voor deze betalingen, nationale en lagere overheden zorgen voor co-financiering en maatwerk. 3.Tijdens de afbouw wordt de inkomenssteun verder van de productie ontkoppeld, afgetopt en gebonden aan striktere voorwaarden op het gebied van milieu, voedselveiligheid en dierenwelzijn, zoals weidegang voor koeien. 4.Garantieprijzen en exportsubsidies verdwijnen. Met het oog op een faire prijs voor boeren worden binnen de EU voor basisproducten (graan, zuivel, eiwit- en oliehoudende zaden, vlees) afspraken gemaakt over een beperkte productie voor de interne markt, met behulp van mechanismen als quotering en braaklegging. Het doel van deze afspraken is dat er geen overschotten worden geproduceerd, dumping tot het verleden gaat behoren en ruimte wordt geboden aan invoer uit ontwikkelingslanden. Daartoe worden aan andere landen, behalve ontwikkelingslanden, importbeperkingen opgelegd, bijvoorbeeld voor veevoer van buiten de EU. Ook andere landen kunnen aan de EU importheffingen opleggen voor basisvoedsel. 5.De biologische landbouw is streefmodel voor de hele Europese landbouw. De EU verkleint het prijsverschil tussen gangbare en biologische producten door een heffing op bestrijdingsmiddelen, kunstmest en producten uit de bio-industrie en door een BTW-vrijstelling voor biologische producten. 6.De Europese strategieën inzake pesticiden en bodembescherming halveren het pesticidengebruik binnen tien jaar en nemen de meest problematische pesticiden van de markt. 7.De EU bevordert de teelt van energiegewassen. 8.Het EU-mededingingsbeleid schept ruimte voor afspraken tussen producenten, supermarkten en (georganiseerde) consumenten, waarbij boeren duurzaam produceren in ruil voor een eerlijke prijs. 9.De EU zet zich in voor de regionalisering van agrarische markten. Alleen voor landbouwproducten uit ontwikkelingslanden stelt zij haar markt open, zonder importheffingen. Daarbij behoudt zij zich het recht voor om de invoer te beperken wanneer de exportlandbouw in ontwikkelingslanden gepaard gaat met grote schade voor milieu, natuur, volksgezondheid of dierenwelzijn, schendingen van mensenrechten of fundamentele arbeidsnormen. Dergelijke handelsmaatregelen worden pas genomen na overleg en een aanbod tot steun, en houden rekening met het ontwikkelingsniveau van de getroffen landen. 10.Ontwikkelingslanden worden betrokken bij de besluitvorming over Europese voedselveiligheidsnormen en ontvangen steun om eraan te kunnen voldoen. 11.Overheid en agrarische ondernemers ontwikkelen gezamenlijk een verzekering tegen calamiteiten zoals oogst- en waterschade en uitbraken van dierziekten. 12.Het moratorium op de toelating van genetisch gemanipuleerde organismen (ggo’s) blijft gehandhaafd, zolang over de gevolgen voor milieu en volksgezondheid onvoldoende duidelijkheid bestaat. De etiketteringsplicht voor reeds toegelaten gen-voedsel wordt uitgebreid tot producten van dieren die ggo’s gegeten hebben. Voor reeds toegelaten gen-gewassen voert de EU volledige aansprakelijkheid voor (milieu)schade in. Lidstaten en regio’s krijgen de vrijheid te kiezen voor een ggo-vrije landbouw. 13.De EU stelt een lijst op van de producten die in vee- en visvoer mogen worden verwerkt. 14.Bij internationale afspraken over het beheer van zeeën en oceanen krijgt kleinschalige ecologisch verantwoorde seizoens- en kustvisserij voorrang boven industriële zeevisserij. De visserij-akkoorden die de EU sluit met ontwikkelingslanden mogen de bestaansmogelijkheden van de lokale bevolking en de visstand op langere termijn voor de kusten van ontwikkelingslanden niet aantasten. De Europese zeevisserijvloot wordt ingekrompen. 15.Visquota en zeedagenregelingen worden afgestemd op de herstelmogelijkheden van de visstand. De Europese Commissie* krijgt eigen inspecteurs en satelliettechnieken voor de controle op illegale vangsten. 16.Om te voorkomen dat dolfijnen, walvissen en andere niet-beviste soorten in vissersnetten verstrikt raken schrijft de EU aangepaste netten en sonarsystemen voor. 17.De kokkelvisserij wordt afgeschaft. 18.Er komt een apart voedselveiligheidsregime voor kleinschalige producenten van streekgebonden producten. Indien de afwijkende eisen tot reële voedselrisico’s leiden, dient op het etiket een duidelijk leesbare waarschuwing te staan. 19.De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid krijgt eigen opsporingsbevoegdheden. H. Dieren 1.De EU krijgt een bindend handvest van dierenrechten. 2.Intensieve veehouderijsystemen worden uitgefaseerd. De ontwikkeling van huisvestingsnormen wordt versneld. Uiterlijk in 2014 wordt voorzien in de natuurlijke, soortspecifieke behoeften van alle landbouwdieren, inclusief uitloop in de buitenlucht en schaduw. 3.Het fokken van pelsdieren wordt verboden, evenals de handel in en import van bont(producten). 4.Levend slachtvee mag niet langer dan 4 uur en niet verder dan 300 km worden vervoerd. Het toezicht op de naleving van de vervoersvoorschriften wordt verscherpt. De Europese Commissie krijgt daartoe eigen inspecteurs. 5.De EU schaft het non-vaccinatiebeleid voor dierziekten af. Lidstaten mogen preventieve en noodvaccinaties uitvoeren zonder te worden gestraft met Europese handelsbeperkingen. 6.De EU bevordert fokprogramma’s gericht op het verhogen van de natuurlijke weerstand van de veestapel. Fokken op welzijnsbedreigende raskenmerken wordt verboden. 7.Het gebruik van medicijnen als groeibevorderaars en het preventief toedienen van antibiotica in de veehouderij wordt verboden. Het importverbod op hormonenvlees blijft van kracht. 8.Dierproeven worden slechts toegestaan als alleen langs die weg een substantiële verbetering van de volksgezondheid kan worden bereikt en er geen ontoelaatbaar dierenleed wordt toegebracht. De EU bevordert de uitwisseling van testresultaten en de ontwikkeling, validatie en acceptatie van alternatieve testmethoden. De richtlijnen voor de huisvesting van proefdieren worden aangescherpt. 9.Het octrooirecht op leven wordt afgeschaft. Het klonen van dieren wordt verboden. 10.De handel in exotische dieren wordt aan banden gelegd. 11.De EU verbiedt de plezierjacht alsmede de handel in en import van producten die verkregen zijn door jacht. Zij zet zich in voor het tegengaan van jachttoerisme en voor handhaving van het internationale jachtverbod op onder meer olifanten, walvissen en dolfijnen. 12.Humane dodingsmethoden voor kweekvis worden verplicht. Voor in het wild gevangen vis worden op zeer korte termijn vangstmethoden ontwikkeld die minder dierenleed veroorzaken en selectiever zijn qua maat en soort van de vis. 13.Productie van foie gras wordt verboden. I. Natuur 1.Behoud van biodiversiteit is een harde voorwaarde bij economische ontwikkeling, zowel in de nieuwe als in de oude lidstaten. De EU komt de zelfverplichting na om de achteruitgang van de biodiversiteit in de EU voor 2010 te stoppen. Daarnaast schenkt de EU aandacht aan de bescherming van bijzondere natuurlijke en cultureel-historische waarden in het landschap. 2.De leefgebieden van dieren en planten die bescherming genieten op grond van de vogel- en habitatrichtlijn worden in versneld tempo verbonden tot een Europese ecologische hoofdstructuur. 3.Om de biodiversiteit te beschermen, zet de EU zich in voor mondiale afspraken over het beheer van bossen, zeeën en oceanen. Deze afspraken betreffen onder meer een mondiaal netwerk van beschermde natuurgebieden. 4.Waar overstromingsgevaar een grensoverschrijdende aanpak noodzakelijk maakt, bevordert de EU vergroting van de waterbergingscapaciteit door natuurherstel langs rivieren en door convenanten met landbouwers en andere landgebruikers. 5.Binnen de grenzen die Europese natuurbescherming en grensoverschrijdend waterbeheer stellen, blijven de lidstaten bevoegd voor ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en toerisme. 6.De EU verbiedt de import van illegaal gekapt hout. Zij streeft naar afspraken met landen van herkomst over (steun bij) duurzaam bosbeheer en het tegengaan van illegale houtkap. De inzet daarbij is om alleen nog duurzaam geproduceerd hout toe te laten op de Europese markt. HOOFDSTUK 3. SOCIAAL EUROPA Moeten 65-plussers straks, net als in de Verenigde Staten, een baantje nemen bij McDonald’s om hun karige pensioen aan te vullen? GroenLinks knokt, zowel in Nederland als in Europa, voor een fatsoenlijke oudedagsvoorziening. Om in de behoeften van een groeiende groep ouderen te voorzien moeten de landen van de Europese Unie* meer mensen aan het werk krijgen en houden. Investeren in jongeren en onderwijs. Ophouden met fiscaal stuntwerk en werken aan een eerlijker belastingstelsel. Het verlagen van de lasten op arbeid staat al jaren hoog op de politieke verlanglijst van veel partijen. Het maakt het inhuren van werknemers goedkoper en bevordert zo de werkgelegenheid, vooral voor laaggeschoolden. GroenLinks en andere groene partijen waren vijftien jaar geleden de eersten die pleitten voor het verschuiven van lasten van arbeid naar milieuverbruik. Daarmee wordt tegelijk werk geschapen en het milieu gespaard. Deze strategie werkt, zo bleek in 2003 uit onderzoek van de EU. Vergroening van de belastingen heeft verschillende landen, waaronder Nederland, in staat gesteld om arbeid goedkoper te maken. Het is dan ook hoog tijd om werk te maken van Europese milieuheffingen. Maar om de lasten op arbeid verder te kunnen verlagen en daadwerkelijk banen te scheppen, moeten regeringen ook de factor kapitaal dwingen haar bijdrage te leveren aan de financiering van publieke voorzieningen. Het tegendeel is echter het geval in Europa. Kapitaal wordt minder zwaar belast dan arbeid, en de tarieven dalen zelfs nog. Bedrijven betalen steeds minder belasting, multinationals nog minder dan het midden- en kleinbedrijf. De wereld op z’n kop. De oorzaak is belastingconcurrentie. De landen van de EU proberen elkaar de loef af te steken met steeds lagere belastingen voor ondernemingen, teneinde zoveel mogelijk bedrijvigheid binnen te halen of te behouden. Vooral multinationals, die hun vestigingsplaatsen voor het uitkiezen hebben, wordt het naar de zin gemaakt. Arbeid is minder beweeglijk dan kapitaal. Werknemers verhuizen niet zo snel naar een ander land. De meeste EU-landen geven aan belastingmaatregelen ten gunste van werknemers dan ook minder prioriteit. Zo krijgen de zwakste schouders de zwaarste lasten te dragen. Een Europese belastingpolitiek vergroot de ruimte voor nationaal beleid. Alleen met Europese regels voor het belasten van bedrijfswinsten kan de fiscale concurrentie worden ingetoomd. Europese bemoeienis met belastingen ligt echter gevoelig. Het recht om belasting te heffen behoort tot de kern van de nationale soevereiniteit. Maar paradoxaal genoeg kan een Europees fiscaal beleid de ruimte voor nationaal beleid juist vergroten. Niet langer opgejaagd door de belastingwedloop, kunnen lidstaten zich toeleggen op het scheppen van banen en het op orde brengen van hun financiën. Slimmer Stabiliteitspact nodig Voor gezonde staatsfinanciën was het Stabiliteitspact bedoeld. Dat verbiedt begrotingstekorten van meer dan drie procent. In een Unie met één munt zijn de begrotingen van de lidstaten een gemeenschappelijke zorg. Maar het Stabiliteitspact, zo heeft GroenLinks altijd onderstreept, houdt te weinig rekening met de economische werkelijkheid. Een pact dat lidstaten in tijden van crisis tot bezuinigen dwingt, en aldus het banenverlies verergert, maakt weinig kans te worden nageleefd. Overheden dienen de schommelingen in de economie juist te dempen, door bij tegenspoed meer te investeren en bij voorspoed te sparen. De EU heeft een slimmer pact nodig. Maar de euro blijft een zorgenkindje, zolang de muntunie niet tevens een sociale, fiscale en politieke unie is. Solidariteit en een sterker politiek gezag zijn onmisbaar voor een stabiele munt. De EU van nu is beter in het bevorderen van concurrentie dan in het organiseren van solidariteit. Negatieve integratie – dat wil zeggen het afschaffen van nationale regels die de interne markt* belemmeren - blijkt makkelijker dan positieve integratie: het gezamenlijk opstellen van Europese regels om de ongewenste effecten van de markt tegen te gaan. De Europese onverschilligheid ten opzichte van armoede illustreert dat. Armoede is een hardnekkig verschijnsel, zelfs in de welvarende ‘oude’ lidstaten van de EU. Eén op de vijf Europese burgers leeft onder de armoedegrens. Dat zou onverdraaglijk moeten zijn voor een Unie die zich niet alleen als welvaartsmachine, maar ook als beschavingsproject definieert. Die bovendien sociale grondrechten in haar Grondwet* heeft opgenomen. Sociale uitsluiting is niet alleen een persoonlijk drama, maar ook een verkwisting van menselijk kapitaal. Dat kan de EU, die de meest dynamische kenniseconomie ter wereld wil worden, zich niet permitteren. Toch is het Europese anti-armoedebeleid nog niet verder gekomen dan een vrijblijvende uitwisseling van ervaringen tussen nationale bureaucratieën. Het pleidooi van de Europese Groenen om een Europese basisnorm voor de hoogte van bijstand en minimumloon in te voeren, gekoppeld aan het gemiddelde inkomen van elke lidstaat, krijgt nog altijd onvoldoende steun van andere politieke stromingen. Europese sociale ijkpunten Ook bij veel nationale regeringen heerst koudwatervrees, of zelfs pure onwil, om Europa zeggenschap te geven over sociale bescherming. De Scandinavische landen zijn bang dat hun sociale verworvenheden dan worden aangetast. In het Verenigd Koninkrijk geldt, ook in de ogen van de sociaal-democratische premier Blair, Europese sociale regelgeving juist als een bedreiging voor de ondernemersvrijheid. De vrijheid om, bijvoorbeeld, werknemers per SMS-bericht hun ontslag te geven. Blair en andere aanhangers van de Derde Weg, de ultra light variant van het socialisme, reduceren sociaal beleid tot het scheppen van een zo groot mogelijk aanbod aan flexibele werknemers, ten dienste van het nationale concurrentievermogen. Europees beleid kan dan inderdaad beperkt blijven tot het uitwisselen van leerzame ervaringen bij het ‘activeren’ van werklozen. Europese solidariteit met degenen die het niet redden op de arbeidsmarkt is overbodig als zelfs de nationale solidariteit wordt gedumpt in de berm van de Derde Weg. Dan geldt voortaan: eigen schuld, dikke bult. Onder invloed van deze ideologie hebben de Europese sociaal-democraten eind jaren negentig, toen zij een overweldigende meerderheid bezaten in de Europese Raad* van regeringsleiders, nogal wat kansen gemist. In plaats van de EU bindende normen voor sociale bescherming te geven, bewezen zij slechts lippendienst aan het ‘Europees sociaal model’. Daarom hebben neo-conservatieven à la Balkenende, die de verzorgingsstaat willen inruilen voor de nachtwakersstaat, nu vrij baan. Hun politiek van ‘ieder voor zich, God voor ons allen’ kan de vloer aanvegen met de sociale tradities van Europa, omdat Europa verzuimd heeft haar erfgoed te beschermen. Opvallend genoeg is het groene partijen, met een handvol vertegenwoordigers onder de milieuministers, in diezelfde periode wel gelukt om een impuls te geven aan Europese beleid. De EU kent inmiddels ambitieuze milieuwetgeving, die ook Nederland dwingt tot aanscherping van zijn beleid. Positieve integratie is wel degelijk mogelijk, wanneer de problemen die de ene markt en de ene munt oproepen als een gemeenschappelijke uitdaging worden gezien. GroenLinks wil de nationale verzorgingsstaten niet in een Brussels keurslijf persen. Wel dient Europa ijkpunten vast te leggen voor rechtvaardigheid en sociale bescherming. Minimumregels moeten paal en perk stellen aan de sociale en fiscale dumpingpraktijken waarmee landen elkaars verzorgingsstaten uithollen. Opdat landen die een aantrekkelijke vestigingsplaats willen worden voor bedrijven hun werknemersrechten, sociale uitkeringen en publieke voorzieningen niet terugschroeven, maar juist proberen op te schroeven. Medezeggenschap van werknemers, sociale zekerheid, onderwijs, openbaar vervoer en kinderopvang zijn geen hinderpalen, maar pijlers voor een dynamische kenniseconomie. Zo’n economie draait op een gemotiveerde, goed opgeleide beroepsbevolking van mannen en vrouwen die arbeid en zorg kunnen combineren binnen een veilige samenleving. Het uitwerken van deze visie tot Europese ijkpunten geeft handen en voeten aan het ‘Europees sociaal model’, als vriendelijk en ontspannen alternatief voor de Amerikaanse vechtmaatschappij. Een sociaal Europa is niet soft, maar harde noodzaak. Een sociaal Europa is niet soft, maar harde noodzaak. De kwaliteit van arbeid en samenleving verdient meer dan ooit aandacht nu de ‘demografische tijdbom’ tikt. De groei van het aantal ouderen dwingt Europa om een oplossing te vinden voor het lang verwaarloosde probleem dat de meeste werknemers afhaken voordat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Arbeid is een topsport met teveel uitvallers. Veilig, afwisselend en aangepast werk, levenslang leren en meer zeggenschap over werktijden vormen dan ook onmisbare onderdelen van een Europese vergrijzingsstrategie. Daar hoort, in tijden van recessie, ook arbeidstijdverkorting bij. Een kwestie van het zo eerlijk mogelijk delen van de schaarse banen. Maar ook een kwestie van vooruitzien: we mogen de ervaring van oudere werknemers niet afschrijven en de talenten van jongeren niet onbenut laten, omdat we beide groepen hard nodig hebben wanneer de vergrijzing toeslaat. Dan worden niet de banen, maar de arbeidskrachten schaars. Ramen lappen De EU kent een groeiende hoeveelheid wetgeving om werkenden te behoeden voor ongelukken en gezondheidsschade. Zo is asbest uitgebannen en is de blootstelling aan lawaai aan banden gelegd. GroenLinks heeft in het Europees Parlement* een belangrijke bijdrage geleverd aan deze wetgeving. Maar soms schiet de EU door in haar streven naar gelijke, veilige arbeidsomstandigheden. Dat gold bijvoorbeeld voor het voorstel om de ladder te verbieden als werkplek. Daardoor zou het schoonmaken van ruiten in Nederland aanzienlijk bemoeilijkt worden. Want waar in andere Europese landen de ramen naar binnen opengaan, zwenken zij in Nederland meestal naar buiten. Glazenwassers werken dan ook vaak aan de buitenkant van gebouwen, op ladders. Dankzij GroenLinks staat de Europese ladderrichtlijn hun nu toe hiermee door te gaan, mits het risico gering is en alternatieven zoals hoogwerkers niet toepasbaar zijn. Mislukte liberalisering Doordat zoveel pleitbezorgers van een sociaal Europa de daad niet bij het woord voegen, is het neoliberale project van de marktwerking nog steeds dominant in Brussel. Een project dat gebaseerd is op de tragische misvatting dat de oorsprong van de EU ook haar bestemming is. Dat de gemeenschappelijke markt, die de basis legde voor de naoorlogse verzoening in Europa, geen middel maar doel is. Maar wat voormalige vijanden tot elkaar heeft gebracht – handel - kan vrienden uiteendrijven. Dat gebeurt wanneer de wetten van de markt worden opgedrongen aan maatschappelijke domeinen waar andere principes regeren. Anders dan in de VS worden nutsbedrijven in veel Europese landen niet zozeer als ondernemingen gezien, maar als onderdeel van de ‘infrastructuur van de gerechtigheid’. In Europa werden voor iedereen toegankelijke basisvoorzieningen als openbaar vervoer, zorg, elektriciteit en drinkwater opgezet om het politieke ideaal van gelijke kansen te ondersteunen. Winstgevendheid was bijzaak. Dit culturele verschil met de VS heeft historische redenen. Massawerkloosheid en grote sociale ongelijkheid droegen bij aan de opkomst van het fascisme in de jaren dertig van de vorige eeuw. De na de Tweede Wereldoorlog opgebouwde verzorgingsstaat moest voorkomen dat sociale uitsluiting opnieuw een voedingsbodem zou bieden aan autoritaire verleiders. Herverdeling van rijkdom en gelijke kansen door middel van onderwijs en andere publieke voorzieningen behoren tot de lessen die Europa getrokken heeft uit de verschrikkingen van het fascisme. Begin jaren negentig echter ontbrak het Europa, door de economische stagnatie, aan zelfvertrouwen om deze traditie overeind te houden. Het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Nederland waren de eerste landen die nutsbedrijven gingen openstellen voor grote investeerders. De Europese Unie volgde. In hun liberaliseringsdrift stapten politici echter veel te makkelijk heen over de vraag welke nutsdiensten zich lenen voor marktwerking, en welke publieke belangen de overheid daarbij moet waarborgen. De belofte dat liberalisering en privatisering merkbare verbeteringen in de dienstverlening zouden opleveren, werd dan ook zelden waargemaakt. Veel bedrijfsdirecties gaven de voorkeur aan het uitkeren van winsten aan de aandeelhouders boven investeren in hun bedrijf. Daardoor zitten de Zweden, die voorop gingen bij het liberaliseren van de elektriciteitsmarkt, steeds vaker in het donker. De stroombedrijven hebben beknibbeld op het onderhoud van het elektriciteitsnet. In het Verenigd Koninkrijk raakte het geprivatiseerde spoor in zo’n deplorabele staat, dat de overheid zich gedwongen zag het terug te kopen. In Nederland merken niet alleen trein-, maar ook busreizigers de gevolgen van liberalisering: steeds meer dorpen zitten zonder openbaar vervoer, reizigers op doorgaande lijnen moeten vaker overstappen omdat busbedrijven niet in het vervoersgebied van hun concurrent mogen komen. Geen marktmaatschappij Maar de ideologie van de markt tast veel meer aan dan de kwaliteit van de stroomvoorziening en het openbaar vervoer. Ook de burger verandert, wanneer hij of zij steevast wordt aangesproken als aandeelhouder en consument. De bijna religieuze plicht om rijkdom te vergaren en uit te geven ondergraaft het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Solidariteit en verdraagzaamheid ontstaan uit vrijwillige ontmoetingen en gemeenschappelijke activiteiten met andere mensen. Op dat sociale kapitaal wordt ingeteerd door de eenzame belegger die de beurskoersen laat vertellen of zijn dag goed is geweest. Door de fanatieke consument die avond na avond doorbrengt met het vergelijken van prijzen van telefoonaanbieders in plaats van met het besturen van de voetbalvereniging, het voorlezen van de kinderen of het bedrijven van de liefde. Een Europese Unie die de markt van middel tot doel verheft, graaft haar eigen graf. Al toen de beleggers hun koerswinsten nog telden, werden in de steden de maatschappelijke kosten van de neoliberale revolutie zichtbaar. De verliezers van de marktsamenleving kwamen noodgedwongen terecht in achterstandswijken die in de loop der jaren sterk verkleurden. Er ontstond een onderklasse die zich teleurgesteld uit het openbare leven terugtrok. De wrok van deze verliezers tegen een overheid die hen in de steek laat, vormt samen met het anarchisme van de winnaars die de overheid niet meer nodig denken te hebben een explosief mengsel. De vonken ontstaan wanneer het onvermogen dat de overheid tentoonspreidt door de markt superieur te verklaren aan zichzelf botst met het ongeduld van consumenten die van politici zowel amusement als instant-oplossingen verlangen. Populistische politici hoeven dan de lont nog slechts in het kruit te steken. Deze uitbarstingen brengen niet alleen schade toe aan de multiculturele samenleving en het parlementaire stelsel, maar ook aan de Europese eenwording. Want populisten van rechts en links, hoe verschillend ook, zijn zonder uitzondering nationalistisch en anti-Europees. Een Europese Unie die de markt van middel tot doel verheft, graaft dus haar eigen graf. Vrij werknemersverkeer De uitbreiding* van de Europese Unie met merendeels arme landen vormt een nieuwe voedingsbodem voor populistische agitatie, zeker nu de werkloosheid oploopt. Nederland heeft de inwoners van de nieuwe lidstaten in 2001 toegezegd dat zij meteen na toetreding werk zouden mogen zoeken in ons land. Dit besluit was niet alleen ingegeven door het besef dat het vrij werknemersverkeer een van de meest tastbare rechten van het Europese burgerschap is, maar ook door eigenbelang. De bloeiende economie van toen kon Midden- en Oost-Europese arbeidskrachten goed gebruiken. De thuiszorg en de aspergetelers wachtten dan ook niet op de toetreding van Polen om er werknemers vandaan te halen. Nu het economisch tij tegenzit, heffen rechtse partijen de oude klaagzang weer aan over nieuwkomers die de banen inpikken van autochtonen. Het kabinet-Balkenende II heeft alsnog besloten om grote delen van de arbeidsmarkt gesloten te houden voor de nieuwe Europeanen. Die ervaren dit terecht als contractbreuk. Zij hebben niet voor toetreding gestemd om vervolgens tweederangs EU-burgers te worden. De EU is toch al niet royaal geweest in de ondersteuning van het toetredingsproces. Voor de opbouw van de sociale zekerheid in de nieuwe lidstaten heeft de EU geen euro beschikbaar gesteld. Omdat armoede nog steeds geen Europese zaak is. Maar ook omdat de regeringen van de oude EU-landen, Nederland voorop, de hand op de knip hielden. Voor het vergrijzende Nederland blijven de werkzoekenden uit de nieuwe EU-landen aantrekkelijke arbeidsmigranten: zij zijn merendeels jong en goed opgeleid, en velen van hen zullen ruim voor hun oude dag weer terugkeren naar hun eigen land. De kans is zelfs groot dat we hen dan niet graag zien vertrekken, gezien de voorspelde tekorten op de Nederlandse arbeidsmarkt. Nederlandse werknemers en werkzoekenden mogen ondertussen wel verwachten dat opgetreden wordt tegen oneerlijke praktijken op de arbeidsmarkt. Overheidscontrole is nodig om illegale arbeid en uitbuiting van de nieuwe Europeanen te voorkomen. Voor werknemers uit de nieuwe lidstaten dienen in Nederland dezelfde arbeidsvoorwaarden te gelden als voor Nederlandse werknemers. Daartoe moeten de gaten in de Nederlandse en Europese wetgeving worden gedicht. Hier laat de Nederlandse regering het afweten. De problemen van de uitbreiding illustreren waarom GroenLinks blijft strijden voor Europese sociale standaarden. Werken in een ander land De Europese Conventie*, de groep parlementariërs en regeringsvertegenwoordigers die de ontwerp-Grondwet voor de EU schreef, had het sociale Europa aanvankelijk niet op haar agenda staan. GroenLinks was in 2002 mede-initiatiefnemer van een actie, binnen en buiten de Conventie, voor betere sociale spelregels. Als gevolg daarvan ontwikkelde de Conventie voorstellen. Veel ervan ketsten af op de onwil van regeringen, de Britse voorop. Maar de ontwerp-Grondwet bepaalt wel dat maatregelen om het vrij verkeer van werknemers en zelfstandigen te vergemakkelijken niet langer door één enkele lidstaat kunnen worden geblokkeerd. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de erkenning van diploma’s en om de mogelijkheid voor werklozen om met behoud van uitkering werk te zoeken in het buitenland. Door dit soort maatregelen wordt het in de toekomst makkelijker om in een ander EU-land te gaan werken. PROGRAMMAPUNTEN J. Sociaal Europa 1.De EU draagt behalve aan duurzame welvaart ook bij aan een hoog niveau van werkgelegenheid, inkomenszekerheid, de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting, een eerlijke verdeling van arbeid, zorg en inkomen, gelijke kansen en de ontwikkeling van mondige en vrije burgers. 2.EU-wijde verbetering van de sociale bescherming op basis van minimumvoorschriften blijft het leidende beginsel van het Europees sociaal beleid. Het Europees Parlement zet zich in voor inwerkingstelling van de verdragsbepaling die het mogelijk maakt meerderheidsbesluitvorming* in de Raad van Ministers* en medebeslissingsrecht* van het EP uit te breiden. 3.Werknemers- en werkgeversorganisaties krijgen nadrukkelijker de opdracht om binnen de Europese Sociale Dialoog* te werken aan verbetering van arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden, mede met het oog op vergrijzing en ontgroening. Overeenkomsten tussen de sociale partners worden niet tot wet verheven indien het EP ze afkeurt. De Europese Commissie* krijgt de mogelijkheid om collectieve arbeidsovereenkomsten op Europees niveau, voor sectoren die grensoverschrijdend concurreren, algemeen verbindend te verklaren. 4.De EU stelt basisnormen vast voor de hoogte van minimumloon, bijstand en basispensioen. Deze normen worden gerelateerd aan de welvaart van elke afzonderlijke lidstaat. Zij garanderen alle burgers een bestaansminimum van 60 procent van het gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking in hun lidstaat. Er komen tevens basisnormen voor de hoogte en duur van uitkeringen bij werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid. 5.Er komt een Europees totaalplan tegen armoede, met een jaarlijkse toetsing en speciale aandacht voor "overgeërfde" armoede. 6.De EU spreekt haar lidstaten aan op de houdbaarheid van hun pensioenstelsels. Zij gaat daarbij uit van een pensioengerechtigde leeftijd van maximaal 65 jaar en bevordert dat oudere werknemers de mogelijkheid van deeltijdpensioen krijgen. Zij beveelt een combinatie van een omslag- en kapitaaldekkingsstelsel aan, opdat de oudedagsvoorziening niet te sterk afhankelijk is van de solidariteit van werkenden of de koersen op de aandelenmarkt. 7.Een Europees toezichtkader voor pensioenfondsen verzekert dat deze hun uitkeringsverplichtingen naleven en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid als beleggers en aandeelhouders nemen. De EU waarborgt dat het vrije verkeer van diensten op de Europese pensioenmarkt de solidariteit binnen collectieve pensioenregelingen op bedrijfstak- en ondernemingsniveau niet ondergraaft. 8.Belemmeringen voor het vrij verkeer van werknemers en de vrije vestiging van gepensioneerden, vervroegde uittreders en arbeidsongeschikten in de hele EU worden weggenomen door wetgeving die de doorlopende opbouw van sociale rechten en het meenemen van uitkeringen vergemakkelijkt maar belastingontwijking tegengaat. De EU streeft naar de mogelijkheid voor arbeidsmigranten uit niet-EU-landen om te remigreren met behoud van opgebouwde rechten voor de oudedagsvoorziening. 9.Het Europese beleid inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen en anti-discriminatie wordt uitgebreid met concrete verplichtingen tot het tegengaan van indirecte discriminatie, bijvoorbeeld in functiewaarderingssystemen. Uitgangspunt is dat het beleid meer de insteek van het VN-Vrouwenverdrag krijgt en meer samenhang gaat vertonen. 10.Schijnzelfstandigen komen onder de werknemersdefinitie te vallen. De EU bevordert dat ook andere zelfstandigen zonder personeel zoveel mogelijk onder de wetgeving ter bescherming van werknemers komen te vallen. 11.De EU voert een emancipatoir beleid gericht op het verbeteren van de (rechts)positie van prostitué(e)s. 12.De EU bevordert medezeggenschap en medebestuur van werknemers. Voor Europese Ondernemingsraden wordt de drempel verlaagd (tot 500 werknemers), het raadplegingsrecht en de faciliteiten verbeterd, en een instemmingsrecht ingevoerd ten aanzien van onder meer plannen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en de controle daarop. K. Werkgelegenheid en kenniseconomie 1.De Europese Commissie* krijgt het voortouw bij de coördinatie van het macro-economisch en werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, met name de eurolanden. Werkgelegenheid, armoedebestrijding, ecologische duurzaamheid en een duurzame kenniseconomie komen centraal te staan in de Globale Richtsnoeren voor Economisch Beleid. 2.De EU bevordert dat de lidstaten het recht op scholing, stage of gesubsidieerde arbeid garanderen voor alle werklozen, te beginnen met jongeren en langdurig werklozen. 3.De EU bevordert de herverdeling van arbeid en zorg, onder meer door invoering van minimumvoorschriften inzake betaald ouderschaps-, calamiteiten- en sabbatsverlof, betaalbare kinderopvang en recht op deeltijdarbeid. De Europese maximumwerkweek van 48 uur wordt verkort tot 40 uur. 4.De EU bevordert veiligheid en kwaliteit van de arbeid, mede om voortijdige uitval van (oudere) werknemers te voorkomen. Er komen (scherpere) normen voor onder meer RSI, stress, geluid, tillen en schadelijke (verf)stoffen en oplosmiddelen. 5.De EU verzekert dat uitzendkrachten dezelfde arbeidsvoorwaarden genieten als werknemers in vaste dienst. 6.De arbeidsmobiliteit wordt vergroot door het opheffen van belemmeringen voor vrij werknemersverkeer ten gevolge van uiteenlopende fiscale, sociale, pensioen- en onderwijsstelsels. Bij wijziging van relevante wetgeving voeren de lidstaten een grensarbeiderstoets uit. Er komt een Europese coördinatieregeling voor de inkomstenbelasting, met als uitgangspunt dat belasting betaald wordt in het land waar de arbeid gebruikelijk wordt verricht. 7.Werknemers die in een andere lidstaat gedetacheerd worden, komen onder de ter plekke geldende CAO te vallen, tenzij in eigen land gunstiger arbeidsvoorwaarden gelden. 8.Werklozen krijgen de mogelijkheid om een half jaar lang werk te zoeken in een andere lidstaat, met behoud van uitkering en eventuele sollicitatieplicht. 9.‘Oude’ EU-landen die een overgangstermijn hebben bedongen voor de toelating van werkzoekenden uit nieuwe lidstaten tot hun arbeidsmarkt, krijgen geen verder uitstel. 10.De EU bevordert investeringen in een duurzame kenniseconomie, die zowel onafhankelijke wetenschap als de ontwikkeling van innovatieve producten en diensten koestert. 11.Voorschriften voor en toezicht op de boekhouding van bedrijven worden aangescherpt. Accountants worden verplicht om vermoedens van fraude te onderzoeken en te vermelden in de accountantsverklaring. Klokkenluiders worden beschermd. L. Onderwijs en jongeren 1.Er komt een 10-jaren plan van aanpak om het analfabetisme van zowel de allochtone als de autochtone Europese volwassenen uit te bannen. 2.De EU garandeert haar burgers het recht op toegankelijk onderwijs, conform het EU-Grondrechtenhandvest. Voor inrichting en financiering van het onderwijs blijven de lidstaten bevoegd. De EU komt een coördinerende en stimulerende rol toe. 3.De EU bevordert de mobiliteit van studerende en werkende jongeren. De lidstaten spreken af dat alle jongeren recht krijgen op een leer- of werkstage in het buitenland. Ten behoeve van grensoverschrijdende studiefinanciering komen er afspraken over verevening van kosten en voortgangscontrole. 4.De wederzijdse erkenning van diploma’s wordt versneld. De EU bevordert dat diploma’s standaard vergezeld gaan van vertalingen en van een lijst van overeenkomstige diploma’s in andere lidstaten. Studenten en werkzoekenden krijgen recht op een Europese mobiliteitspas, die naast informatie over diploma’s ook een evaluatie van opgedane vaardigheden en kennis bevat. 5.De EU bevordert dat de lidstaten het recht op een startkwalificatie en een persoonlijk ontwikkelingsplan vastleggen voor alle werknemers en werkzoekenden. Uitgangspunt voor een kansrijke (her)start op de arbeidsmarkt is het beroepsopleidingsniveau van een geschoold vakman. M. Muntunie 1.Een stabiele muntunie vergt een democratische inbedding en grotere solidariteit. 2.Werkgelegenheid wordt, naast prijsstabiliteit, een belangrijke doelstelling van de Europese Centrale Bank (ECB). Daartoe voert de eurozone een wisselkoersbeleid ten opzichte van de dollar. 3.De legitimiteit van de ECB staat of valt met transparantie en democratische verantwoording. Daartoe: a)worden de notulen van de vergaderingen van de Raad van Bestuur van de ECB na een maand openbaar gemaakt; b)eigent het EP zich instemmingsrecht toe bij de benoeming van de ECB-directie; c)roept het EP, aangevuld met nationale parlementariërs, de ECB-directie op elk gewenst moment ter verantwoording; d)krijgen Raad en EP het recht om in het uiterste geval, bij gekwalificeerde respectievelijk tweederde meerderheid*, de directieleden van de ECB te ontslaan. 4.De Europese Commissie gaat de eurolanden vertegenwoordigen bij internationale besprekingen over monetair beleid, zoals binnen het Internationaal Monetair Fonds en de G8 van grote industrielanden. 5.Het Stabiliteitspact wordt conjunctuurgevoeliger, opdat de eurolanden een trendmatig begrotingsbeleid kunnen voeren. Daarbij mag het structurele begrotingssaldo van eurolanden met een te hoge staatsschuld niet in de min komen. Hardnekkige overtreders verliezen hun stemrecht in de Raad van Ministers bij financiële en begrotingsbesluiten. N. Belastingen 1.Europese belastingpolitiek is wenselijk voor zover deze: a)duurzame ontwikkeling en werkgelegenheid bevordert, door de lasten op arbeid te verlagen en de lasten op kapitaal en milieuverbruik te verhogen; b)het beginsel ‘de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten’ in ere herstelt; c)neerwaartse druk op het niveau van publieke voorzieningen en sociale zekerheid voorkomt. 2.Er komt een Europese ondergrens voor de effectieve belasting op winsten. 3.Er komen Europese basistarieven voor de belasting op rente-inkomsten, dividend en vermogenswinst. De plicht voor lidstaten om informatie uit te wisselen over kapitaaltegoeden en -inkomsten van elkaars ingezetenen wordt uitgebreid. De EU zet zich in voor een harde mondiale aanpak van belastingparadijzen. 4.Als de EU-Grondwet in werking treedt, wordt zo snel mogelijk de bepaling geactiveerd die meerderheidsbesluitvorming* in de Raad en medebeslissingsrecht van het EP mogelijk maakt voor de in punt 2 en 3 genoemde fiscale maatregelen. Zonodig vormen de eurolanden daartoe een Europese kopgroep voor belastingcoördinatie. 5.Vooruitlopend op vergroening van het Europese BTW-stelsel mogen lidstaten een verlaagd BTW-tarief (her)invoeren voor milieuvriendelijke en/of arbeidsintensieve diensten, zoals schoenmakerij en fietsreparatie. De BTW voor fair trade- en biologische producten wordt afgeschaft. O. Financiën 1.De lidstaten herzien het Eigen-Middelenbesluit*, teneinde de financiering van de EU minder afhankelijk te maken van nationale afdrachten en met het oog op het dempen van economische schokken die het ene (euro)land zwaarder treffen dan het andere. Daarbij wordt: a)een rechtsbasis gecreëerd voor Europese belastingheffing, om te beginnen op bedrijfswinsten en milieuverbruik; b)de verdeelsleutel voor de contributie van lidstaten aan de EU niet alleen door hun BNP*, maar ook door de groei of afname daarvan bepaald; c)de contributiekorting voor het Verenigd Koninkrijk vervangen door een korting voor alle lidstaten met een hoge netto-afdracht aan de EU, waaronder Nederland. 2.Bij de onderhandelingen over de meerjarenbegroting 2007-2013 gebruikt het EP zijn vetorecht om de landbouwsubsidies ingrijpend te vergroenen. Omdat de nieuwe prioriteit, plattelandsontwikkeling, deels uit nationale schatkisten wordt gefinancierd, kan het landbouwaandeel in de EU-begroting omlaag. Het EP geeft voorrang aan investeringen in: a)conflictpreventie en het Vluchtelingenfonds; b)nieuwe en kandidaat-lidstaten, de Balkan en het Middellandse-Zeegebied; c)een duurzame kenniseconomie. 3.De grotere welvaartverschillen in de uitgebreide EU nopen tot een geconcentreerde inzet van de Structuurfondsen ten behoeve van arme en/of verarmende regio's in arme lidstaten. Vanaf 2007 worden lidstaten met een BNP van meer dan 90 procent van het EU-gemiddelde zelf verantwoordelijk voor de steun aan achterstandsregio’s. Aan de toekenning van Structuurgelden worden strengere milieu- en arbeidsvoorwaarden verbonden. Het Cohesiefonds verdwijnt. 4.Een klein deel van de Structuurfondsen blijft beschikbaar voor de hele EU, ter ondersteuning van grensoverschrijdende samenwerking en van nieuwe prioriteiten in het Europees sociaal beleid. Ook voor de vorming van de Europese ecologische hoofdstructuur komen subsidies beschikbaar; blauwe borden bij deze natuurgebieden garanderen de ‘zichtbaarheid’ van het Europese steunbeleid. 5.De EU gaat tijdelijke (begrotings)steun bieden aan nieuwe en kandidaat-lidstaten voor de opbouw van sociale zekerheid en gezondheidszorg. 6.Inspraak voor NGO’s*, lagere overheden en andere belanghebbenden is voorwaarde bij toekenning van steun uit EU-fondsen. 7.Op oneigenlijk of frauduleus gebruik van EU-subsidies volgt onmiddellijke terugvordering. De verantwoordelijke instanties en bedrijven worden tenminste een jaar uitgesloten van steun. 8.De Europese Investeringsbank wordt transparanter, scherpt haar milieucriteria aan en gaat rekening houden met de invloed van gefinancierde projecten op de lokale bevolking. Tot die tijd wordt het kapitaal van de EIB niet verhoogd. 9.De conclusies van elke Eurotop* gaan voortaan vergezeld van een overzicht van de financiële gevolgen van de gemaakte afspraken. P. Liberalisering 1.De EU dwingt geen liberalisering en privatisering af in de sectoren openbaar vervoer, drinkwatervoorziening, cultuur, onderwijs en gezondheidszorg. 2.De liberalisering van het goederenvervoer per spoor – niet zozeer publieke als wel zakelijke dienstverlening – wordt voortgezet. 3.De EU bindt producenten en distributeurs van elektriciteit en gas aan vergunningen, die voorwaarden bevatten inzake milieu, bescherming van kleinverbruikers, reservecapaciteit en schadevergoeding bij stroom- of gasuitval; zij stelt investeringen in en afname van energie uit hernieuwbare bronnen en warmte-krachtkoppeling verplicht. De EU gaat oligopolievorming tegen en bevordert dat netwerken in overheidshanden blijven. Lidstaten krijgen de vrijheid om marktwerking terug te draaien of ervan af te zien in het belang van leveringszekerheid. 4.De EU bevriest de liberalisering van de post totdat zij waarborgen heeft vastgesteld voor (dagelijkse) universele dienstverlening en betaalbare tarieven. 5.Een Europese kaderwet garandeert spreiding en bereikbaarheid van banken en postkantoren, ook op het platteland. Q. Volksgezondheid en consumentenbescherming 1.Gezondheidszorg, welzijn en de verzekering van ziektekosten zijn en blijven in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de lidstaten. De EU-bemoeienis beperkt zich tot het oplossen van grensoverschrijdende vraagstukken, het waarborgen van de veiligheid van medicijnen en voedsel, het verbeteren van milieu en arbeidsomstandigheden, het voorkomen van gezondheidsrisico’s en het bewaken van de toegankelijkheid van medische zorg conform het EU-Grondrechtenhandvest. 2.De Europese ziekteverzekeringspas wordt ook toepasbaar bij niet-spoedeisende, poliklinische behandelingen in een ander EU-land. 3.Octrooi op geneesmiddelen wordt beperkt tot zes jaar, teneinde de productie van goedkopere generieke medicijnen te bevorderen. 4.Reclame voor receptgeneesmiddelen blijft verboden. Patiënten(organisaties) krijgen betere toegang tot informatie over medicijnen, onder meer van het Europees Bureau voor Geneesmiddelenbeoordeling. Er komt een keurmerk voor medicijnen die niet door middel van dierproeven zijn getest. 5.De EU stelt een actieplan op voor de bestrijding van tuberculose en andere infectieziekten in de nieuwe lidstaten en hun buurlanden. 6.De rechtspositie van consumenten op de interne markt wordt versterkt. HOOFDSTUK 4. RECHTVAARDIG EUROPA Het aantal mensen dat in de Europese Unie* asiel aanvraagt heeft jaren geschommeld rond de 400.000. De EU telt 455 miljoen inwoners. Van een ‘massale toestroom’ is dus geen sprake. Het afgelopen jaar is het totale aantal asielzoekers zelfs gedaald. Daarentegen is het aantal mensen dat er niet in slaagt levend Europa binnen te komen – de lijken die aanspoelen op de stranden van Spanje en Italië - gestegen. Maar wat het meest aan verandering onderhevig is, is de favoriete eindbestemming van asielzoekers binnen de EU. Sinds de nieuwe Vreemdelingenwet is Nederland aanzienlijk minder populair. Maar in de landen die nu de meeste asielverzoeken krijgen, loopt de politieke druk op om de asielwetgeving aan te scherpen. Als dat gebeurt, zal Nederland constateren dat het aantal asielzoekers weer gaat stijgen. De EU is te vergelijken met een waterbed: als op één plaats de druk wordt opgevoerd, verplaatst het water zich naar andere delen. Alleen gezamenlijk kunnen de landen van de EU hun verantwoordelijkheid waarmaken: enerzijds de problemen aanpakken die mensen op de vlucht drijven, en anderzijds een humane behandeling van individuele asielzoekers zeker stellen. Daarom is GroenLinks voorstander van een Europees asielbeleid. Vluchtelingenverdrag naleven De Europese ontwerp-Grondwet* bindt de EU sterker dan ooit aan het internationale Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties. Europese asielwetgeving dient dus op z’n minst te verzekeren dat de EU-landen hun internationale verplichting om vluchtelingen te beschermen nakomen. GroenLinks zet zich in voor zorgvuldige en concrete Europese afspraken. Over wie bescherming toekomt, over de asielprocedure en over de opvang. Zorgvuldigheid is nodig omdat de Europese samenwerking tot nu vaker afbreuk deed dan bijdroeg aan de bescherming van vluchtelingen. Nationale asielwaarborgen zijn ondermijnd door de afspraak dat een asielaanvraag slechts in één lidstaat mag worden ingediend. Asielzoekers worden teruggestuurd naar de eerste lidstaat die ze hebben aangedaan, ongeacht of hun bescherming daar goed geregeld is. Aan deze Overeenkomst van Dublin ligt de fictie ten grondslag dat het niet uitmaakt bij welke EU-lidstaat een asielzoeker aanklopt. Maar de praktijk wijst uit dat een eenvormig asielbeleid nog ver te zoeken is: in vergelijkbare gevallen komen lidstaten tot zeer uiteenlopende oordelen. In 2001 verleende Nederland bijvoorbeeld aan 0,3 procent van de asielzoekers uit Irak de vluchtelingenstatus, Duitsland aan 61,8 procent. Pas als er overeenstemming is in de EU over welke mensen bescherming moeten krijgen, kan een uitwisseling van asielzoekers plaatsvinden. Niet eerder. Afschrikken en afschuiven van asielzoekers staat haaks op het idee van gedeelde verantwoordelijkheid. Alle regeringen zeggen voorstander te zijn van een Europees asielbeleid. Maar tegelijkertijd willen ze de vrijheid behouden om een restrictiever beleid te voeren dan de buren, in de hoop dat asielzoekers een andere bestemming zoeken. Zo ontstaat een spiraal van afschrikken en afschuiven, die haaks staat op het idee van gedeelde verantwoordelijkheid. Aan de Europese Commissie*, het dagelijks bestuur van de EU, ligt het niet. Zij ontwerpt doorgaans acceptabele voorstellen voor een Europa-wijd asielbeleid. Het Europees Parlement* steunt deze voorstellen meestal, of verbetert ze. Maar het oordeel van het parlement heeft slechts de status van een advies. De Raad van Ministers* beslist. Na veel gesoebat achter gesloten deuren blijkt steevast dat de nationale ministers het Commissievoorstel tot op het bot hebben uitgekleed. Omdat ze het versoepelen van hun nationale regels taboe achten, en omdat ze elk een veto kunnen uitspreken, komen de verzamelde ministers nooit verder dan de kleinste gemeenschappelijke deler. Zo wordt het nooit wat met het Europese asielbeleid. Er gloort echter hoop. Als de Europese Grondwet in werking treedt zal voor EU-asielwetten geen unanimiteit meer nodig zijn in de Raad van Ministers; een ruime meerderheid* volstaat dan. Bovendien wordt het Europees Parlement medewetgever. Dat is winst. Maar voor betere asielwetgeving is meer nodig. Moratorium op nationale wetgeving GroenLinks pleit daarom voor een radicale maatregel: een moratorium op nationale wetgeving. De EU-landen moeten afspreken dat zij pakweg twee jaar lang geen nieuwe maatregelen nemen om asielzoekers te weren. Zo’n time-out verhoogt de druk om tot een betekenisvolle Europese aanpak te komen en voorkomt dat lidstaten elkaar in de tussentijd de loef afsteken. De kwaliteit van de Europese wetgeving is ermee gediend wanneer alle actoren - regeringen, parlementen, ambtenaren en maatschappelijke organisaties – zich op hetzelfde doel richten. Geld is een effectief glijmiddel. Een beter gevuld Europees Vluchtelingenfonds, gefinancierd uit de Europese begroting, moet lidstaten financieel tegemoetkomen in de kosten voor asielzoekers. Het gaat dan om de kosten voor opvang, procedures en integratie. Als de kosten gedeeld worden, zal de neiging om met mensen te schuiven afnemen, en zal het besef van gezamenlijke verantwoordelijkheid toenemen. Financiële solidariteit stelt lidstaten bovendien in staat om ruimhartiger en humaner te zijn dan de buren. Om zich te onttrekken aan de negatieve beleidsspiraal, zonder dat het al te veel extra kost. Europees Vluchtelingenfonds De EU heeft sinds enkele jaren een zeer bescheiden Vluchtelingenfonds. De Europese Commissie, die met geldgebrek kampt, probeert er telkens op te bezuinigen. Het Europees Parlement heeft echter het laatste woord over de EU-begroting. GroenLinks is er elk jaar opnieuw in geslaagd het Vluchtelingenfonds te laten groeien. Terugkeer ondersteunen Terugkeer is het noodzakelijke sluitstuk van een rechtvaardig en geloofwaardig asielbeleid. Als na een zorgvuldige beoordeling, in een procedure met voldoende waarborgen, blijkt dat een asielzoeker geen bescherming nodig heeft, moet hij of zij de EU verlaten. Vrijwillige terugkeer verdient de voorkeur: daartoe moet de afgewezen asielzoeker geholpen worden om een nieuw bestaan op te bouwen in het land van herkomst. In sommige gevallen is gedwongen terugkeer onvermijdelijk. GroenLinks vindt echter dat het Europese asielbeleid aan de voordeur moet beginnen, niet aan de achterdeur. Op dit moment werken de Europese regeringen ijverig samen bij het terugzenden van illegale vreemdelingen, via het organiseren van gezamenlijke chartervluchten en het sluiten van terugnameovereenkomsten met landen van herkomst. Die ijver is echter ver te zoeken, als het gaat om het beschermen van vluchtelingen en het serieus bestrijden van de ellende die mensen noodzaakt huis en haard te verlaten. Dat is onacceptabel. Opvang in de regio? Wereldwijd hebben 21 miljoen mensen noodgedwongen hun woonplaats of land verlaten. De meesten zijn op de vlucht voor mensenrechtenschendingen en oorlogsgeweld. Anderen zijn verdreven door rampen als droogte of overstromingen. Van deze vluchtelingen zoekt slechts een fractie zijn heil in het rijke Westen. 95 procent blijft in de eigen regio. Velen van hen worden opgevangen in kampen van de UNHCR, de VN-vluchtelingenorganisatie onder leiding van de Nederlandse oud-premier Ruud Lubbers. Ondanks de inspanningen van de UNHCR is de toestand in die kampen vaak mensonterend. De internationale gemeenschap, ook de EU, dient aanzienlijk meer steun te geven aan de UNHCR en aan de landen die vluchtelingen opnemen, opdat vluchtelingen verzekerd zijn van bescherming, toegang krijgen tot medische voorzieningen en kunnen werken. Een smoezelige coalitie wil mensen in nood doorsluizen naar Verweggistan. Betere opvang in de regio is dus dringend gewenst. Maar in het huidige asieldebat wordt opvang in de regio nogal eens gepromoot om asielzoekers af te schuiven. Zo lanceerde de Britse premier Blair het voorstel om asielzoekers die op het grondgebied van de EU om bescherming vragen meteen op het vliegtuig te zetten naar een kamp in Verweggistan. Onaanvaardbaar voor veel Europese regeringen. Zo niet voor de Nederlandse. Het kabinet-Balkenende II is inmiddels aanvoerder van een smoezelige coalitie met Oostenrijk, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. Deze landen willen een begin maken met het doorsluizen van mensen in nood naar ontwikkelingslanden. Nu nog suggereren zij dat asielzoekers die als vluchteling erkend worden alsnog welkom zijn in Europa. Maar er gaan al stemmen op om deze mensen blijvend te huisvesten in de eigen regio. GroenLinks is verbijsterd door deze voorstellen. Zij ondermijnen het VN-Vluchtelingenverdrag. Zij vergroten de instabiliteit in de betreffende regio’s, omdat onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor de uitgeprocedeerde asielzoekers in de kampen. Bovendien, om met VN-vluchtelingencommissaris Ruud Lubbers te spreken: "Als ontwikkelingslanden voelen dat de rijke staten enkel hun verantwoordelijkheid willen afwentelen, dan zullen ze niet samenwerken." De verantwoordelijkheid van de EU gaat verder dan het uitschrijven van een cheque teneinde het leed van de wereld op afstand te houden. Natuurlijk bieden kampen in de regio, mits goed beschermd, mensen een mogelijkheid om te ontsnappen aan terreur in eigen land. Maar erkende vluchtelingen hebben niet alleen recht op bescherming, maar ook op het beginnen van een nieuw leven. Dat gaat niet achter hekken. Arbeidsmigratie reguleren Naast een menswaardige opvang van vluchtelingen is ook het elimineren van de noodzaak tot vluchten een kerntaak van de EU. Bij beginnende conflicten dient zij bemiddeling en internationale druk te organiseren. Er moet niet minder maar meer worden geïnvesteerd in stabiliteit en duurzame ontwikkeling. Het terugschroeven van de ontwikkelingshulp, zoals de Nederlandse regering doet, is daarom kortzichtig. Maar zolang er grote verschillen zijn in welvaart en ontwikkelingskansen, zullen mensen op pad blijven gaan. Vaak behoren deze migranten tot de elite. Ze zijn hoog opgeleid, bereid risico’s te nemen en zich aan een vreemde cultuur aan te passen. Europa heeft haar economische kracht voor een belangrijk deel aan nieuwkomers te danken. En ook in de nabije toekomst zal zij arbeidsmigratie omarmen om de demografische hobbel van de vergrijzende babyboomers weg te masseren. Maar veel mensen ervaren migratie tegelijk als een bedreiging, zeker nu de samenleving diverser en complexer wordt. Nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid probeerden zo veel mensen elders in de wereld een nieuw bestaan op te bouwen. Dertig jaar geleden wist een Marokkaanse boer amper iets over het leven in het verre Europa. Vandaag de dag hoeft hij alleen naar de televisie of naar toeristen te kijken om te weten hoeveel rijker en makkelijker het leven kan zijn aan de overzijde van de Middellandse Zee. Bovendien heeft het vliegtuig afstanden doen slinken. De huidige wijze van globalisering verkleint de grote mondiale verschillen in welvaart niet. Als een kind ergens in Azië onder erbarmelijke omstandigheden gympen produceert, zal het er allicht van dromen een keer zelf zulke schoenen te dragen. Met de economie wordt ook de droom van een beter bestaan geglobaliseerd. Migratie is een onvermijdelijk proces dat niet kan worden gestopt, hoogstens gereguleerd. Daarom is GroenLinks voor het ontwikkelen van een echt migratiebeleid. Duidelijke voorlichting in landen van herkomst en goede integratiemaatregelen in Europa zijn daar onderdeel van. Elk EU-land zou een loket moeten openen voor aspirant-arbeidsmigranten. Dat kan in de landen van herkomst; het gaat hier immers niet om vluchtelingen. Bij gebrek aan een volwaardig Europees arbeidsmigratiebeleid dienen de consulaten van de lidstaten samen te werken om geïnteresseerden een goed beeld te geven van de (on)mogelijkheden om werk te vinden in Europa. Recht op gezinsleven Je zult maar verliefd worden op iemand uit Argentinië. Trouwen mag, maar je geliefde mag niet in Nederland komen wonen, tenzij jij meer verdient dan 120 procent van het minimumloon. Voor talloze Nederlanders met een laag inkomen, zowel allochtonen als autochtonen, heeft de regering het recht op vrije partnerkeuze ingeperkt. Vanzelfsprekend wordt integratie bemoeilijkt wanneer migranten massaal hun partner in het land van herkomst vinden. Maar de oplossing ligt in het aanbieden en afdwingen van een goede inburgering in Nederland, niet in het verbieden van gezinsvorming. Mede omdat de toenmalige Nederlandse minister Nawijn met een veto dreigde, heeft de EU de lidstaten vrij gelaten om een inkomenseis te stellen. Deze wetgeving moet zo snel mogelijk worden herzien. De ontwerp-Grondwet, die het vetorecht van lidstaten opheft en het Europees Parlement medebeslissingsrecht* geeft, biedt een kans om de strijd opnieuw aan te gaan. Ook de Europese regeling voor gezinshereniging moet worden verbeterd. Die gaat weliswaar uit van het principe dat kinderen die nog niet volwassen zijn zich bij hun ouders mogen voegen, maar staat lidstaten tevens toe dit principe geweld aan te doen. Ze mogen kinderen vanaf twaalf jaar aan een integratietoets onderwerpen. Niet geslaagd betekent niet bij je ouders mogen wonen. Traumatiserend beleid van een EU die zichzelf als beschavingsproject ziet. Op voorstel van GroenLinks is het Europees Parlement dan ook naar de rechter gestapt: het Europees Hof van Justitie* is gevraagd om de integratietoets voor kinderen nietig te verklaren wegens strijdigheid met de mensenrechten. Justitie- en politiesamenwerking Eind 2001 werd een groep Britse en Nederlandse vliegtuigspotters gearresteerd in Griekenland. Pas na geruime tijd bleek dat ze werden verdacht van spionage. De veertien spotters zaten absurd lang in voorarrest. In het Verenigd Koninkrijk en Nederland groeiden de protesten tegen deze uitwassen van het Griekse rechtssysteem. Maar tezelfdertijd stemden de Britse én Nederlandse regering in met het intensiveren van de Europese justitiesamenwerking: het Europees arrestatiebevel kwam tot stand, dat uitlevering vergemakkelijkt - ook van Nederlandse onderdanen aan Griekenland. Het voorstel van GroenLinks om eerst overeenstemming te bereiken over de rechten waarop verdachte personen aanspraak kunnen maken, werd als irrelevant terzijde geschoven. Een merkwaardige paradox. Deze paradox zegt veel over de risico’s van de toenemende Europese samenwerking op het gebied van politie en justitie. Er is geen beleidsterrein waar het ontbreken van afdoende democratische en juridische controle een groter gevaar vormt voor de rechtsstaat. Natuurlijk, samenwerken bij het bestrijden van zware grensoverschrijdende criminaliteit ligt voor de hand. Maar de wijze waarop het nu gebeurt is eenzijdig repressief en ondermijnt de waarborgen die nationale (grond)wetten aan burgers hebben toegekend. Zo hebben de regeringen van de EU-landen in 1999 afgesproken om hun samenwerking te grondvesten op het wederzijds erkennen van elkaars beslissingen. Het Europees arrestatiebevel is een uitvloeisel van die afspraak. Als Frankrijk, Griekenland of Litouwen om de arrestatie van een Nederlandse onderdaan verzoekt, zal Nederland dit verzoek moeten nakomen zonder te toetsen of de opsporing volgens de regels is verlopen en of de verdachte kan rekenen op een eerlijk proces. Het idee hierachter is dat het niet veel uitmaakt waar vervolging plaatsvindt, omdat de Europese rechtsstelsels veel op elkaar lijken. Maar als dat inderdaad het geval zou zijn, was er snel overeenstemming te bereiken over de rechten van verdachten. Feit is echter dat de justitie- en politiesamenwerking doordendert, terwijl afspraken over de bescherming van burgerrechten ontbreken. Sterker nog, de lidstaten geven toe dat in de praktijk het vertrouwen in elkaars rechtsstelsels ‘niet optimaal’ is. Burgerrechten beschermen De Groene fractie in het EP stond aanvankelijk alleen in haar kritiek op het Europees arrestatiebevel. Rechten van verdachten of minimumnormen voor het strafprocesrecht: niemand maalde erom zo kort na de terroristische aanslagen van 11 september 2001. Alleen daadkracht telde. Maar de Groenen hebben inmiddels een meerderheid van het Europees Parlement overtuigd. De Europese Commissie heeft daarop voorgesteld om waarborgen voor verdachten vast te leggen. Ook Europol*, de Europese politiedienst, is een voorbeeld van samenwerking ten koste van burgerrechten. Een van de belangrijkste taken van Europol is het vergaren en analyseren van informatie over zware misdrijven zoals mensenhandel, terrorisme en drugshandel. Dat is prima. Maar wordt een burger op basis van Europol-informatie gearresteerd, dan staat hij of zij voor de opgave bewijzen te weerleggen waarvan onduidelijk is waar ze vandaan komen. Ambtenaren van Europol zijn onschendbaar en hoeven niet als getuige te verschijnen voor de rechtbank. Dit wringt des te meer, nu Europol meer armslag krijgt en mag deelnemen aan opsporingsoperaties. Amerikaanse oorlogen De door de Amerikanen geleide oorlog tegen het terrorisme is een zoveelste aanval op de burgerrechten. In naam van deze oorlog heeft de regering-Bush Europa geprest om overdracht van verdachten en persoonlijke gegevens te vergemakkelijken. De EU en haar lidstaten overschrijden daarmee grenzen die voorheen heilig waren. Zo worden Nederlanders aan de VS uitgeleverd omdat zij in Nederland XTC zouden hebben verkocht aan Amerikaanse undercover-agenten. De Nederlandse regering stemt niet alleen toe in de uitlevering van eigen onderdanen voor alhier gepleegde feiten, maar weigert bovendien als voorwaarde te stellen dat de VS de regels van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens* (EVRM) naleven, zoals het toetsen van bewijzen door een rechter. Ook onze privacywetgeving wordt door Washington ondergraven. Onder dreiging van economische sancties moeten luchtvaartmaatschappijen allerlei gegevens van hun passagiers doorgeven aan de Amerikaanse autoriteiten. Omdat de VS deze informatie voor tal van doeleinden willen aanwenden worden nationale en Europese wetten over de bescherming van persoonsgegevens geschonden. Kortom, de transatlantische liefde komt van één kant. Europese waarborgen Parlementariërs van GroenLinks verzetten zich al jaren tegen de uitholling van burgerrechten. Verdachten uitleveren mag, maar onder strikte voorwaarden. De privacy schenden mag, maar alleen als dit noodzakelijk, proportioneel en effectief is, en als er waarborgen zijn tegen misbruik. Justitieel spierballenvertoon levert uiteindelijk niet meer veiligheid op. Onredelijke inbreuken op burgerrechten ondermijnen het vertrouwen van mensen in d