| - | |
schepen van Rotterdam |
| - | |
lid bestuur departement Holland, van 1805 tot 1807 |
| - | |
assesor van Amstelland, van 8 mei 1807 tot 1 januari 1810 |
| - | |
landdrost van Gelderland, van 1 januari 1810 tot 13 december 1810 |
| - | |
prefect van Friesland, van 13 december 1810 tot 18 november 1813 |
| - | |
commissaris-generaal bestuur van de veroverde Zuid-Nederlandse gewesten, van 12 augustus 1814 tot 12 mei 1815 |
| - | |
commissaris-generaal departement Meuse, Ourthe en Forêts (de latere provincies Luxemburg, Luik en Limburg), van 12 mei 1815 tot 9 oktober 1815 |
| - | |
gezant te Sint Petersburg, van oktober 1815 tot 1823 (sinds 1822 op verlof) |
| - | |
minister van Buitenlandse Zaken ad interim, van 1 december 1825 tot 10 maart 1826 |
| - | |
minister van Buitenlandse Zaken, van 10 maart 1826 tot 13 september 1841 |
| - | |
Weigerde in november 1813 na de komst van het Russische leger zijn ambt te hervatten en werd korte tijd gevangen genomen |
| - | |
Was in 1824 met Elout en De Constant Rebecque arbiter in een geschil tussen Groot-Brittannië en de Verenigde Staten |
| - | |
Verzette zich in 1832 tegen verdediging van de Citadel van Antwerpen |
| - | |
Bepleitte in 1834 bij de koning beëindiging van de volhardingspolitiek |
| - | |
Was begin 1838 Van Maanen, H. van Zuylen van Nijevelt en Falck deelnemer aan een conferentie met de koning waarin het principebesluit werd genomen om de volhardingspolitiek jegens België op te geven |
| - | |
Zijn ministerschap werd tussen december 1833 en juli 1834 onderbroken wegens ziekte |
| - | |
Trad in 1841 af als minister van Buitenlandse Zaken, omdat koning Willem II weigerde een tractaat over de toetreding van Luxemburg tot de Zollverein te ratificeren |