| - | |
secretaris Bond van Coöperatieve Zuivelfabrieken in Friesland, van 1898 tot 1899 |
| - | |
rijkszuivelconsulent in Drenthe, van 1899 tot 1905 |
| - | |
waarnemend rijkszuivelconsulent in Noord-Brabant, van 1904 tot 1905 |
| - | |
(bezoldigd) secretaris Algemeene Nederlandsche Zuivelbond (FNZ), van 1905 tot 1909 |
| - | |
directeur verzekeringsmaatschappij Landbouwonderlinge en Tuinbouwonderlinge, van 1909 tot 1914 |
| - | |
minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, van 19 november 1914 tot 9 september 1918 |
| - | |
president-directeur Coöperatieve Vereeniging "Centraal Beheer", van 1918 tot 1939 |
| - | |
gepensioneerd, van 1939 tot 1943 |
| - | |
gemachtigde van de leider voor Landbouw en Visserij in schaduwkabinet van ir. A.A. Mussert, van 1 februari 1943 tot 3 juni 1943 |
| - | |
onbezoldigd secretaris Algemeene Nederlandsche Zuivelbond FNZ, van 1900 tot 1905 (medeoprichter) |
| - | |
lid directie Coöperatieve Vereeniging "Centraal Beheer", van 1909 tot 1914 |
| - | |
voorzitter Vereniging tot bevordering der Pluimveehouderij, van 1910 tot 1914 |
| - | |
secretaris commissie van de landbouworganisaties ter voorbereiding vrijwillige ongevallenverzekering voor landarbeiders |
| - | |
voorzitter Kerkeraad Doopsgezinde Gemeente te 's-Gravenhage, van 1918 tot 1925 |
| - | |
voorzitter Maatschappij voor Nijverheid en Handel, van 1919 tot 1927 |
| - | |
voorzitter Algemeene Nederlandsche Zuivelbond FNZ, van 1921 tot 1933 |
| - | |
voorzitter Nijverheidsraad, van 1921 tot 1933 |
| - | |
voorzitter Genetische Vereniging, van 1921 tot 1928 |
| - | |
ondervoorzitter Zuiderzeeraad, van 1921 tot april 1929 |
| - | |
lid Staatscommissie invoeging en vereenvoudiging geneeskundige rijksdiensten (Staatscommissie-Sikkel), van 8 september 1924 tot juni 1925 |
| - | |
voorzitter Nationaal Technisch Scheepvaartkundig Museum, van 1925 tot 1931 |
| - | |
lid Spoorwegraad, omstreeks 1926 |
| - | |
lid Staatscommissie uitgifte landbouwgronden in de nieuwe Zuiderzeepolders (Staatscommissie-Vissering), vanaf december 1926 |
| - | |
lid Hoge Raad van Arbeid, omstreeks 1928 (namens de Nederlandse Maatschappij voor Handel en Nijverheid) |
| - | |
voorzitter Voorbereidingscommissie Economische Voorlichtingsdienst, van 1928 tot 1931 |
| - | |
lid Radioraad, vanaf januari 1929 |
| - | |
voorzitter Nationaal Comité van de Internationale Zuivelbond, vanaf 1929 |
| - | |
voorzitter Landbouwcrisis Comité, van 1930 tot 1934 |
| - | |
voorzitter Centraal Instituut ter bevordering van het normale Handelsverkeer, vanaf 1932 |
| - | |
voorzitter Contactcommissie Bond van Nederlandse Brouwerijen, vanaf 1930 |
| - | |
voorzitter Industrieële Club te Amsterdam, vanaf 1935 |
| - | |
ondervoorzitter Raad van Toezicht Nederlands Clearinginstituut, omstreeks 1939 |
| - | |
voorzitter adviesorgaan op landbouwgebied voor en door Duitse bezetter (commissie-Posthuma), vanaf 1940 |
| - | |
Was tijdens de Eerste Wereldoorlog verantwoordelijk voor de levensmiddelenvoorziening in Nederland |
| - | |
Bracht in 1917 alle werkzaamheden op het gebied van de distributie onder in de afdeling Crisiszaken, die diverse onderafdelingen omvatte |
| - | |
Voerde vanaf februari 1917 voedselrantsoenering in voor onder meer brood, melk, aardappelen, peulvruchten, koffie, boter, kleding en schoeisel. |
| - | |
Voerde in maart 1918 rantsoenering van vlees in. Dit rantsoen bestond uit een worst van vijfentwintig cent (de 'eenheidsworst'). |
| - | |
Trok in de zomer van 1918 - als demissionair minister - een wijziging van de Distributiewet in, die erop was gericht ontduiking van de wet tegen te gaan, nadat de Tweede Kamer een door hem onaanvaardbaar verklaard amendement had aangenomen. |
| - | |
Bracht in 1915 de Oorlogs-zeeongevallenwet en in 1916 de Oorlogsmolestverzekeringswet. Hierdoor kunnen schepen zich verzekeren tegen schade ten gevolge van de oorlog op zee |
| - | |
Bracht in 1916 de Distributiewet tot stand, waardoor de voedselvoorziening werd gecentraliseerd in regeringshanden. Er kunnen productie-regelingen en verplichte leveringen van landbouwproducten worden ingesteld. |
| - | |
Bracht in 1917 de Wet tot regeling Hoger Landbouw- en Hoger Veeartsenijkundig onderwijs tot stand, op grond waarvan in 1918 de Rijks Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouw-school te Wageningen werd omgevormd tot Landbouw-Hogeschool en de Rijksveeartsenijschool te Utrecht werd verheven tot Veeartsenijkundige Hogeschool |
| - | |
Bracht in 1917 de Schepen-uitvoerwet en Schepen-vorderingswet tot stand. Hierdoor moest worden gewaarborgd dat Nederland voldoende schepen hield en de staat zonodig zelf kon optreden als bevrachter. |
| - | |
Bracht in 1917 een wet tot stand waarbij, ter centralisering, in geval van oorlog of oorlogsgevaar de leiding van het goederenvervoer naar het buitenland werd opgedragen aan de N.V. Nederlandsche Uitvoer-Maatschappij (Export Centrale) (N.U.M.) |
| - | |
Bracht in 1918 de Slachtwet tot stand, waardoor een slachtverbod mogelijk werd om schaarste aan vlees tegen te gaan, en bracht verder de Scheurwet tot stand, die verplichte omzetting van weidegronden in akkerbouwgrond mogelijk maakte. |
| - | |
Bracht in 1918 de Landarbeiderswet tot stand. Deze regelde het door landarbeiders in eigendom verwerven van land met woning, of van los land in pacht. |
| - | |
Bracht in 1918 een wet tot stand waardoor de zoutmijn te Buurse (Ov.) staatseigendom werd. De exploitatie werd opgedragen aan de NV Koninklijke Nederlandsche Zoutindustrie. |
| - | |
Bracht in 1918 de Scheurwet tot stand. Daarbij konden boeren verplicht worden grasland om te zetten in akkerland. |