![]() |
voornamen |
personalia |
partij/stroming |
loopbaan |
| - | tweede luitenant derde regiment vestingartillerie, van 30 juni 1856 tot 1858 | |
| - | eerste luitenant derde regiment vestingartillerie, van 1858 tot 1859 | |
| - | eerste luitenant eerste regiment vestingartillerie, van 1858 tot 1859 | |
| - | docent scheikunde Pyrotechnische School te Delft, van 1860 tot juni 1860 | |
| - | opzichter pyrotechnische werkplaats Pyrotechnische School te Delft, van juni 1860 tot 1868 | |
| - | ambtenaar Bureau der Artillerie ministerie van Oorlog, van 1868 tot april 1876 | |
| - | commandant achtste compagnie eerste regiment vestingartillerie te Delft, van april 1876 tot 1880 | |
| - | commandant vierde afdeling vestingartillerie te Zwolle, van 1880 tot april 1884 | |
| - | directeur Artillerie-Schietschool te Zwolle, van 1884 tot 1887 | |
| - | directeur Artillerie-Inrichtingen te Delft, van 1887 tot april 1888 | |
| - | minister van Oorlog, van 21 april 1888 tot 21 augustus 1891 | |
| - | commandant van de stelling van Amsterdam, van 1891 tot mei 1892 | |
| - | bevelhebber in Noord-Holland en noordelijk Zuid-Holland, van 1891 tot mei 1892 | |
| - | commandant der vestingartillerie, van mei 1892 tot februari 1894 | |
| - | inspecteur van het wapen der artillerie, van februari 1894 tot 1 november 1898 (op eigen verzoek met pensioen na overlijden van zijn echtgenote) | |
| - | minister van Oorlog, van 1 augustus 1901 tot 16 augustus 1905 | |
| - | tijdelijk minister van Koloniën, van 15 februari 1902 tot 30 april 1902 (vanwege ziekte van minister Van Asch van Wijck) | |
| - | minister van Koloniën ad interim, van 10 september 1902 tot 25 september 1902 (na het overlijden van minister Van Asch van Wijck) | |
| - | minister van Marine ad interim, van 12 december 1902 tot 16 maart 1903 (na het overlijden van minister Kruys) | |
| - | lid Raad van State, van 28 augustus 1905 tot 20 juni 1908 (trad af om gezondheidsredenen) |
| - | minister van Staat, van 20 maart 1903 tot 22 juli 1913 (op persoonlijk gezag van de koningin; als blijk van dank voor voortvarend optreden tijdens spoorwegstakingen) |
| - | tweede luitenant der artillerie, van 30 juni 1856 tot 1858 | |
| - | eerste luitenant der artillerie, van 1858 tot 1867 | |
| - | kapitein der artillerie, van april 1867 tot 20 januari 1880 | |
| - | majoor der artillerie, van 20 januari 1880 tot 19 april 1884 | |
| - | luitenant-kolonel der artillerie, van 19 april 1884 tot 1887 | |
| - | kolonel der artillerie, van 1887 tot 24 april 1890 | |
| - | generaal-majoor der artillerie, van 24 april 1890 tot februari 1896 | |
| - | luitenant-generaal der artillerie, van februari 1896 tot 1 augustus 1901 |
nevenfuncties |
| - | lid commissie van proefneming voor keuring en onderzoek van materieel en munitie, vanaf juni 1872 | |
| - | lid Permanent Technisch Comité Stelling van Amsterdam, vanaf 1886 | |
| - | voorzitter Staatscommissie ter voorbereiding van een algemene dienstplichtwet, van 10 juni 1888 tot 1890 | |
| - | lid commissie van advies over de sterkte van de Stelling van Amsterdam, vanaf maart 1893 | |
| - | adjudant in buitengewone dienst koningin Wilhelmina, vanaf 31 augustus 1898 | |
| - | voorzitter Vereeniging ter Beoefening der Krijgswetenschap, van 1899 tot 1901 |
| - | ondervoorzitter van de ministerraad, van 1 augustus 1901 tot 16 augustus 1905 | |
| - | lid afdeling Oorlog (Raad van State) |
opleiding |
| - | officiersopleiding KMA (Koninklijke Militaire Academie) te Breda, van 1852 tot 30 juni 1856 |
activiteiten |
| - | Diende in 1890 samen met de ministers De Savornin Lohman en Dyserinck een ontwerp-Wet tot regeling van de krijgsdienst in. In het wetsvoorstel was de persoonlijke dienstplicht als uitgangspunt genomen. Het voorstel behelsde verder de instelling van een legermacht van 116.000 man, met daarnaast een Landweer, en een jaarlijks contigent van 15.000 dienstplichtigen. Het wetsvoorstel werd - na schorsing van de behandeling in de Tweede Kamer - in 1891 door zijn opvolger ingetrokken. | |
| - | Was tijdens het kabinet-Kuyper verantwoordelijk voor de invoering van snelvuur-geschut bij het leger en voor de invoering van de in 1901 tot stand gekomen Militiewet |
| - | Bracht in 1890 de Wet op het militair onderwijs tot stand, die het onderwijs regelt aan de Hogere Krijgsschool te 's-Gravenhage, de Koninklijke Militaire Academie te Breda, de Cadettenschool te Alkmaar en de Hoofdcursus (voor de dienst in de koloniën) te Kampen. De in 1890 opgerichte Hogere Krijgsschool was een nieuwe driejarige opleiding voor troepenleiding en dienst bij de generale staf. | |
| - | Bracht in 1902 de Pensioen- en bevorderingswetten voor militairen tot stand | |
| - | Bracht in 1903 een nieuw Wetboek voor Militair Strafrecht en de Wet op de krijgstucht tot stand. Door deze wetten worden vele verouderde bepalingen (uit de Criminele Wetboeken voor het Krijgsvolk te Water en te Lande) vervangen en wordt de rechtstoestand van de militairen (met name van niet-officieren) verbeterd. Er is voortaan één regeling voor het militair strafrecht voor land- en zeemacht. De doodstraf blijft gehandhaafd. Als de rechter meent dat veiligheidsgronden daarom vragen, kunnen misdrijven waarop levenslang staat worden omgezet in de doodstraf. Het Wetboek kent naast hoofdstraffen en militaire detentie tevens bijkomende straffen, zoals ontslag uit militaire dienst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen misdrijven tegen de veiligheid van de staat, tegen de ondergeschiktheid en op schending van verschillende dienstplichten. Krijgstuchtelijke straffen zijn onder meer verlaging in rang, plaatsing in een tuchtklasse en een verbod om buiten dienst wapenen te dragen. De Wet op de krijgstucht kent een regeling voor beroep. Het Wetboek van Militair Strafrecht trad pas 1 januari 1923 inwerking. |
wetenswaardigheden |
| - | Hij was in tegenstelling tot de meeste van zijn geloofsgenoten voorstander van persoonlijke dienstplicht |
| - | Stamde uit een katholieke familie van beroepsmilitairen | |
| - | In 1866 ontving hij een tevredenheidsbetuiging van de minister voor een opstel over schietkatoen | |
| - | De laatste zes jaar van zijn leven bracht hij teruggetrokken door, grotendeels verlamd en sprakeloos door beroerte. Koningin Wilhelmina vergat hem niet en liet zich regelmatig, soms met Juliaantje, langs zijn huis rijden om hem wuivend een koninklijke groet te brengen, hetgeen een uitzonderlijke conciliatie moet zijn geweest voor de geteisterde staatsman. |
| - | Werd in 1897 bij de Tweede-Kamerverkiezingen in het district Utrecht II na herstemming verslagen door J.N. Bastert (cons.-lib.). Derde kandidaat was oud-minister A.L.W. Seyffardt (lib.). | |
| - | Versloeg in 1901 in het district Elst P. Rink (ul) |
| - | lid Tweede Kamer voor het kiesdistrict Elst, 1901 (niet aangenomen in verband met zijn benoeming tot minister) |
publicaties/bronnen |
| - | G.A.M. Beekelaar, "Bergansius, Johannes Willem (1836-1913)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel III, 46 | |
| - | G.A.M. Beekelaar, "Daarom verzoek ik u ook mijn nuance in het kabinet te nemen. De katholieke ministers in het kabinet", in: D.Th. Kuiper en G.J. Schutte, "Het kabinet-Kuyper 1901-1905" (2001), 119-125 | |
| - | Wie is dat? 1901 |
familie/gezin |
| - | Zwager van J. van Stolk, Tweede-Kamerlid | |
| - | Aangetrouwde neef van A.H.M. van Berckel, Tweede- en Eerste-Kamerlid |
| personalia |
||
| partij/stroming |
||
| loopbaan |
||
| nevenfuncties |
||
| opleiding |
||
| activiteiten |
||
| wetenswaardigheden |
||
| publicaties/bronnen |
||
| familie/gezin |
||