| - | |
redacteur dagblad "De Maasbode" te Rotterdam, van 1910 tot 1913 |
| - | |
parlementair redacteur dagblad "De Maasbode" te Rotterdam, van 1913 tot april 1919 |
| - | |
voorzitter Raad van Arbeid te Breda, van 1 mei 1919 tot 10 augustus 1929 |
| - | |
minister van Arbeid, Handel en Nijverheid, van 10 augustus 1929 tot 1 mei 1932 (naam departement gewijzigd) |
| - | |
minister van Economische Zaken en Arbeid, van 1 mei 1932 tot 26 mei 1933 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 9 mei 1933 tot 29 mei 1933 |
| - | |
minister van Economische Zaken, van 26 mei 1933 tot 17 april 1934 |
| - | |
lid Provinciale Staten van Zuid-Holland, van 4 juli 1939 tot 1 september 1941 |
| - | |
lid Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, van 5 juli 1939 tot 1 september 1941 |
| - | |
geïnterneerd gijzelaarskamp te Haaren (N.Br.), vanaf 2 april 1943 |
| - | |
geïnterneerd gevangenenkamp Sachsenhausen, tot 17 april 1945 |
| - | |
contactcommissaris regering bij de Nederlandse Particuliere Rijnvaart |
| - | |
secretaris/lid Staatscommissie inzake de bezoldiging van burgemeesters en gemeente-ambtenaren (Staatscommissie-Raaijmakers), vanaf 9 december 1918 |
| - | |
voorzitter Vereniging van Raden van Arbeid, van 26 november 1926 tot 10 augustus 1929 |
| - | |
lid Radioraad, van 1 januari 1929 tot 16 september 1929 |
| - | |
lid College van Curatoren Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam, van 1934 tot 1942 |
| - | |
lid Raad van Beheer Nederlandsch-Indische Aardoliemaatschappij, vanaf 1934 |
| - | |
voorzitter Nationale Raad "Wit-Gele Kruis", vanaf 1935 |
| - | |
rijksbemiddelaar, vierde district (Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, zuidelijk deel Gelderland), van 1 juli 1936 tot 17 april 1945 |
| - | |
regeringscommissaris Algemeen Mijnwerkersfonds, vanaf 1936 |
| - | |
voorzitter Katholieke Raad van Overleg inzake volksgezondheid en ziekenverpleging, vanaf juni 1937 |
| - | |
lid Politiek Convent, van 1 juli 1940 tot 1 april 1943 |
| - | |
lid Nationaal Comité van het Grootburgercomité, van 1942 tot 1 april 1943 |
| - | |
Bracht in 1930 de Winkelsluitingswet tot stand, die onder andere de verplichte zondagssluiting voor de meeste winkels invoert. Tot de uitzonderingen behoren onder meer apothekers, benzinestations, rijwielherstellers, maar ook winkels waarin bederfelijk waren worden verkocht zoals banket, melk, vis of fruit. Gemeentebesturen krijgen de bevoegdheid om op grond van bijzondere omstandigheden afwijkende regelingen te maken voor de zondagsopenstelling. Winkels van joden (die op Sabbath gesloten zijn) mogen op zondag na 14.00 uur geopend zijn. |
| - | |
Bracht in 1930 de Arbeidsbemiddelingswet tot stand, die onder meer rijksbemiddelaars belast met het beslechten van arbeidsgeschillen |
| - | |
Bracht in 1931 de Tarwewet tot stand, waardoor buitenlands meel verplicht moest worden gemengd met binnenlands meel, om de Nederlandse graansector te beschermen |
| - | |
Bracht in 1931 een herziening van de Drankwet tot stand, waardoor onder meer verloven voor de verkoop van zwakalcoholische drank per glas aan een maximum werden gebonden. Verpachting van vergunningen voor de verkoop van sterke drank wordt tegengegaan. |
| - | |
Bracht in 1931 een wijziging van de Stuwadoorswet tot stand, waardoor het zgn. havenboekje verplicht wordt gesteld. Daardoor kan beter toezicht worden gehouden op de werktijden van het havenpersoneel. |
| - | |
Bracht in 1932 de Crisis-invoerwet tot stand en stelde een crisis-zuivelfonds in; bracht de Varkensteunwet en de Crisis-zuivelwet tot stand |
| - | |
Bracht in 1933 de Bedrijfsradenwet tot stand. Deze geeft de regering de mogelijkheid voor een bepaalde bedrijfstak een bedrijfsraad in te stellen, die als overleg-, advies- en uitvoeringsorgaan kan optreden. De bedrijfsraad kan bemiddelen in arbeidsgeschillen. |
| - | |
Bracht in 1933 de Retorsiewet tot stand, waardoor de regering de bevoegdheid krijgt als vergelding invoerbeperkingen op te leggen aan landen die de Nederlandse import beperken |
| - | |
Bracht in 1933 de Landbouwcrisiswet tot stand. Deze leidt tot instelling van een landbouwcrisisfonds, waaruit steunmaatregelen kunnen worden bekostigd. Het fonds wordt gevoed door heffingen en uit de algemene middelen; de begroting ervan wordt bij wet vastgesteld. Door aankoop van crisis-producten kan er voor worden gezorgd dat boeren de garantie hebben een redelijke prijs te ontvangen. |
| - | |
Rotterdam, tot 29 november 1912 |
| - | |
's-Gravenhage, van 29 november 1912 tot 28 mei 1919 |
| - | |
Ginneken en Bavel, vanaf 28 mei 1919 |
| - | |
Breda, tot 7 september 1929 |
| - | |
's-Gravenhage, van 7 september 1929 tot 24 augustus 1936 |
| - | |
Voorburg, Oosteinde 100, van 24 augustus 1936 tot 16 juni 1939 |
| - | |
's-Gravenhage, vanaf 16 juni 1939 |